Inzicht in het nieuws
Twee meesters dienen
„Aalmoezeniers en legerpredikanten staan op een tweesprong van divergerende loyaliteiten jegens God en het leger”, zei een burgeremployé bij het 207-jarig bestaan van het Korps Veldpredikers van het Amerikaanse leger, aldus The New York Times. Het probleem is natuurlijk welke weg in te slaan. Of, om het met de woorden van één geestelijke te zeggen: „Waar wij mee te maken hebben is een situatie waarin wij twee beroepen hebben, en wij moeten onszelf eraan herinneren aan beide aandacht te schenken.”
In Vietnam, zegt het verslag, waren er veldpredikers die „de oorlog ondersteunden, en er was er minstens één die de grens overschreed tussen een man des vredes en een combattant”. Een geestelijke die aan de gevechten deelnam, zei onder vier ogen: „Ik heb geen eed voor God afgelegd dat ik nooit iemand zou neerschieten.” Toen vervolgde hij: „Het was de enige manier waarop ik bij mijn troepen kon zijn. Ik maak steeds een keuze en bid God dat het de juiste keuze mag zijn.”
Een andere veldprediker die in Vietnam diende, zei: „Ik heb nog nooit meegemaakt dat het Korps Veldpredikers het lef had om zijn mond open te doen. Wij zouden onszelf moeten afvragen: ’Zijn wij bereid het erop te wagen aan de Amerikaanse regering en het leger te vertellen dat het Korps Veldpredikers zich bezig zou moeten houden met ethische en pastorale zaken?’” Velen van hen vragen zich ernstig af of zij wel overeenkomstig hun devies Pro Deo et patria (Voor God en vaderland) kunnen leven.
Aldus hebben deze geestelijke verzorgers in het leger zichzelf in een positie gemanoeuvreerd die één van hen beschreef als „schapen in wolfskleren”. En het dilemma waarvoor zij zich gesteld zien, herinnert sommige bijbellezers wellicht aan Jezus Christus’ woorden: „Niemand kan twee meesters als slaaf dienen, want hij zal óf de een haten en de ander liefhebben, óf zich aan de een hechten en de ander verachten.” — Matth. 6:24.
Wonder of bedrog?
Toen een priester op een morgen de deuren van de basiliek San Juan de Dios in de Spaanse stad Granada opende, ontdekte hij vier sporen van bloedrode tranen op het gezicht van het beeld van de Maagd van de Tranen en een vlekkerige zakdoek in haar hand. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en 130.000 gelovigen in deze diep religieuze katholieke stad stroomden, alle verkeer ontregelend, naar de kerk.
Na een week van beroering werd het beeld naar Madrid gebracht voor wetenschappelijk onderzoek. Het resultaat? Bijna volkomen stilte — op één korte mededeling van de aartsbisschop van Granada na: „Er was geen aanwijzing voor iets bovennatuurlijks.”
De kerkelijke autoriteiten stonden voor een dilemma. Zou de kerk het beeld schoongeveegd terugzetten en het risico nemen de kudde van streek te maken? Of zou ze de wetenschappelijke bevindingen negeren en de mythe laten voortbestaan? Klaarblijkelijk werd het het meest wenselijk geacht alleen maar te zeggen dat er niets bovennatuurlijks bij betrokken was.
Dat schijnt voor velen in Granada echter weinig verschil te hebben gemaakt. Wonder of niet, zij komen nog steeds naar de lege vitrine om er te bidden en bloemen neer te leggen. Maar ondersteunt Gods Woord dit soort van blinde verering? Nee; in plaats daarvan geeft de bijbel de raad: „Ontvliedt de afgoderij.” — 1 Kor. 10:14.