Inzicht in het nieuws
Hypnose — een hulp voor het geheugen?
Op een recente vergadering van het Amerikaanse Genootschap ter Bevordering van de Wetenschap betoogde een expert dat men zich niet op hypnose kan verlaten als een geheugenhulp bij het gerechtelijk vooronderzoek. Martin Orne, hoogleraar in de psychiatrie aan de Universiteit van Pennsylvanië, merkte op dat men in televisiespelen vaak met een gehypnotiseerde getuige komt opdraven die zich het een of andere detail herinnert waardoor de schurk gepakt kan worden. Over de situatie in het werkelijke leven zei hij echter dat „het bewijsmateriaal dat hypnose het herinneringsvermogen op beduidende wijze kan vergroten, op zijn hoogst uiterst controversieel is”.
Professor Orne zei tot de wetenschappers dat een door hypnose teruggebrachte herinnering het probleem met zich bracht dat de hypnotiseur het geheugen van de gehypnotiseerde heeft kunnen beïnvloeden: „Indien de hypnotiseur een bepaalde overtuiging heeft, zal hij herinneringen in de geest van de gehypnotiseerde scheppen.” Als gevolg hiervan, zo zei hij, moet men, ook al „maakt men bij het gerechtelijk vooronderzoek misschien gebruik van een getuigenis waarbij tevens hypnose is toegepast, . . . in de rechtszaal bewijzen aanvoeren dat men het geheugen van die getuige niet heeft veranderd”. Maar wanneer een getuige eenmaal gehypnotiseerd is geweest, zo beklemtoonde Orne, bestaat er geen manier om daar zekerheid over te krijgen.
Dergelijke inlichtingen dienen een christen ertoe te brengen zorgvuldig te beschouwen hoe het onderwerpen aan een hypnotische behandeling invloed zou kunnen uitoefenen op zijn verhouding tot God. Zou men bijvoorbeeld kunnen zeggen dat iemand die zich laat hypnotiseren, met het mogelijke gevaar dat dit zijn geheugen verandert, in harmonie handelt met het ’grootste gebod om Jehovah, onze God, met geheel ons verstand lief te hebben’? — Matth. 22:36, 37.
Een blik in de toekomst
In een recensie van het boek Predictions gaf het Engelse tijdschrift New Scientist toe welk een vooroordeel hedendaagse sceptici hebben tegen bijbelse profetieën, door te zeggen dat het „modern geworden is de boeken van de bijbel te dateren op grond van de voorzeggingen die ze bevatten”. Als illustratie haalt de recensent het feit aan dat het bijbelboek „Lukas, waarin een duidelijke voorzegging van de val van Jeruzalem voorkomt (Luk. 19:43, 44), vol vertrouwen gedateerd wordt na AD 70, toen de gebeurtenis werkelijk plaatsvond”.
De recensent geeft vervolgens af op menselijke voorzeggingen die in het boek worden aangehaald en maakt dan „Daniëls voorzegging van ’de spectaculaire opkomst van Alexander de Grote en de val van het Medo-Perzische Rijk’” bespottelijk, die, zo zegt hij schimpend, „opgemaakt zou moeten worden uit de woorden: ’De geitebok nu maakte zich bovenmate groot, maar toen hij machtig werd, brak de grote horen af.’”
Hoewel er wellicht reden toe bestaat om geen hoge dunk te hebben van de meeste menselijke voorzeggingen, illustreerde de recensent door zijn poging de bijbelse profetieën te kleineren, hoe bevooroordeeld en slecht geïnformeerd hij is. Er is in Daniëls profetie niet slechts sprake van een zinnebeeldige „geitebok” en „horen”. In symbolische taal wordt op aanschouwelijke wijze afgebeeld hoe de geschiedenis zich zowel vóór als na de tijd van de geitebok zou ontwikkelen, terwijl de uitgebeelde figuren specifiek worden geïdentificeerd: „En de harige bok [geitebok] beduidt de koning van Griekenland; en . . . de grote horen . . . beduidt de eerste koning.” — Dan. 8:3-22.
Ziekte — „’s mensen lot”?
„Van het medicijn van de toekomst wordt een ongekend lang leven van blijvende, produktieve vitaliteit verwacht”, zei professor H. E. Richter tot het Dertigste Duitse Congres voor de Bevoegde Geneeskunst in West-Berlijn. De geneesheer betoogde evenwel dat de mensen misleid zijn door „overdreven beweringen” als gevolg van de sensationele vooruitgang van de geneeskunde gedurende de afgelopen eeuw. In plaats dat wij vasthouden aan irreële verwachtingen, zei de professor dat „wij ziekte, zwakheid en sterfte als ’s mensen lot moeten aanvaarden en de droom van de geneeskunde over blijvende fitheid en vitaliteit uit onze geest moeten zetten”.
Van menselijk standpunt uit bezien, heeft professor Richter ongetwijfeld gelijk in zijn beoordeling van het medische kunnen. Toch zal menselijke gezondheid beslist komen, evenwel niet als gevolg van medische doorbraken, maar als gevolg van de genezende voordelen die door de Grote Geneesheer, Jehovah God, zullen worden verschaft. Hij heeft beloofd dat hij binnenkort een „nieuwe aarde” zal scheppen waar het niet langer „’s mensen lot” zal zijn om te sterven, en waar ’noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn meer zal zijn’. — Openb. 21:1-5; vergelijk Jesaja 33:24.