Waarom eerlijk zijn?
DE BIJBEL beschrijft Jehovah terecht als „de God der waarheid” en als iemand „die niet liegen kan” (Ps. 31:5; Tit. 1:2). Sinds de tijd van ’s mensen schepping is Jehovah consequent geweest in zijn vereiste dat zijn ware aanbidders in alle dingen eerlijk moeten zijn. — Zach. 8:16, 17.
Wil iemand eerlijk zijn, dan is het belangrijk dat hij zich niet door de opvattingen laat leiden van de gemeenschap waarin hij zich bevindt, maar door de maatstaven van Jehovah God zelf. Deze staan in de bijbel opgetekend.
HOE GOD TEN AANZIEN VAN ISRAËL HANDELDE
Jehovah gebood in zijn wet die aan de natie Israël werd gegeven: „Gijlieden moogt niet stelen, en gij moogt niet bedriegen, en gij moogt niet bedrieglijk handelen, wie dan ook met zijn volksgenoot. En gij moogt niet in mijn naam op een leugen zweren, zodat gij de naam van uw God ontheiligt. Ik ben Jehovah.” — Lev. 19:11, 12.
Dieven kwamen er niet gemakkelijk af. Zij moesten het slachtoffer schadeloos stellen. En als zij niet de door de wet vereiste waarde bezaten, werden zij slaven om de schuld door middel van arbeid af te betalen. — Ex. 22:1-4.
Jehovah was specifiek met betrekking tot details, zodat er geen misverstand over zou bestaan dat hij alle vormen van oneerlijkheid veroordeelde. Hij waarschuwde krachtig tegen een ’bedrieglijke tong’, gladde maar oneerlijke woorden, diefstal, of dit nu met gebruikmaking van geweld gebeurde of in het geheim, alsook een oneerlijke weegschaal bij het zakendoen. — Spr. 1:10-19; Dan. 11:32; Micha 6:11, 12.
EEN CHRISTELIJK VEREISTE
Kwam er een verandering in het goddelijke beginsel van eerlijkheid toen de christelijke gemeente werd opgericht? Beslist niet!
Met betrekking tot liegen en stelen gebiedt de bijbel christenen: „Liegt niet tegen elkaar.” „Nu gij daarom onwaarheid hebt weggedaan, spreekt waarheid, een ieder van u met zijn naaste.” „Dat niemand van u echter lijde als . . . een dief of een boosdoener.” — Kol. 3:9; Ef. 4:25; 1 Petr. 4:15.
De ernst van de kwestie wordt beklemtoond door de waarschuwende woorden: „Wordt niet misleid. Noch hoereerders, . . . noch dieven, noch hebzuchtige personen, noch dronkaards, noch beschimpers, noch afpersers zullen Gods koninkrijk beërven. Toch zijn sommigen van u dat geweest.” — 1 Kor. 6:9-11.
Merk op dat sommigen van die vroege christenen dieven en afpersers waren geweest maar hun levenswijze hadden veranderd. Met betrekking tot de reputatie van de Kretenzers haalde de apostel Paulus een bewoner van Kreta aan, mogelijk de dichter Epiménides, die had gezegd: „Kretenzers zijn altijd leugenaars, schadelijke wilde beesten, werkeloze veelvraten” (Tit. 1:12). Onder de Grieken werd de naam „Kretenzer” synoniem met „leugenaar”. Maar sommigen van de bewoners van Kreta veranderden hun levensstijl en werden ware christenen. Zij hadden in hun midden christelijke ouderlingen die de reputatie hadden opgebouwd dat zij ’vrij van beschuldiging waren, niet belust waren op oneerlijke winst, het goede liefhadden, rechtvaardig en loyaal waren en zelfbeheersing hadden’. — Tit. 1:7, 8.
WAARDOOR WAREN ZIJ VERANDERD?
Zij waren veranderd doordat zij Jehovah, „de God der waarheid”, hadden leren kennen en op de hoogte waren geraakt van zijn vereisten voor zijn dienstknechten. Hun voorbeeld werd Jezus Christus, die ’een model voor hen had nagelaten, opdat zij nauwkeurig in zijn voetstappen zouden treden’. — 1 Petr. 2:21, 22; Luk. 6:31.
Zij zullen vanzelfsprekend niet van de ene dag op de andere zijn veranderd. Daarom schreef de apostel Paulus bijvoorbeeld aan Titus dat hij christenen op Kreta aan bepaalde kwesties in verband met godvruchtig gedrag moest ’blijven herinneren’ (Tit. 3:1-3). In het begin zullen zij misschien hebben gedacht dat het aandoen van een nieuwe persoonlijkheid onmogelijk was. Als het af en toe niet lukte, zullen zij zich ontmoedigd hebben gevoeld. Maar waardering voor de wonderbaarlijke voorziening die Jehovah had getroffen om hun vroegere zondige handelwijze op basis van geloof in Jezus Christus’ slachtoffer te vergeven, had een aansporende uitwerking. En naarmate zij leerden zich op Jehovah te verlaten en de hulp van zijn geest te zoeken, bemerkten zij dat er veranderingen plaatsvonden die zij niet in eigen kracht hadden kunnen aanbrengen. — Vergelijk 1 Korinthiërs 6:11.
WAAROM ER MOEITE VOOR DOEN?
Maar waarom zouden wij ons hier druk over maken? Waarom zouden wij per se in alles eerlijk willen zijn?
Welnu, laten wij bij ons thuis beginnen. Waartoe leidt het wanneer huwelijkspartners merken dat zij elkaar niet kunnen vertrouwen? Het kan met schijnbaar kleine dingen beginnen, maar het duurt niet lang of de gehele verhouding wordt erdoor aangetast. Is men daarentegen in alles eerlijk, dan wordt de huwelijksband er sterker door. Bovendien is dit een krachtige invloed ten goede in het leven van de kinderen.
Buitenshuis blijkt uit uw eerlijkheid ten aanzien van anderen hoe u medemensen beziet. Hier worden sommigen er door straf van weerhouden kwaad te doen. Er zijn echter nog meer dwingende factoren. De apostel Paulus schreef: „’Gij moogt niet stelen, Gij moogt niet begeren’, en welk ander gebod er ook is, wordt samengevat in dit woord, namelijk: ’Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf’” (Rom. 13:9). Om liefde te ontvangen, moeten wij liefde geven. Wie eerlijk is, verheugt zich in goede betrekkingen met anderen. Hij leeft ook in vrede met zichzelf en ligt ’s nachts niet wakker doordat zijn geweten hem kwelt. Hij hoeft niet voortdurend achterom te kijken omdat hij bang is dat hij betrapt zal worden. — Rom. 13:3-5.
Het allerbelangrijkste is echter iemands verhouding tot God. De oprechte liefde voor Jehovah en het verlangen Zijn goedkeuring te hebben, zullen iemand ertoe brengen met zijn eigen onvolmaaktheden te worstelen en eerlijk te handelen, ook als anderen dit niet doen. — Ps. 15:1-5.
Zijn er mensen die dit thans werkelijk doen? Laten wij eens zien.
[Inzet op blz. 4]
Eerlijkheid leidt tot een sfeer van vertrouwen in het gezin
[Inzet op blz. 5]
Een eerlijk persoon heeft een zuiver geweten en kan ’s nachts slapen
[Inzet op blz. 5]
Voor een goede verhouding tot God is een eerlijk gedrag nodig