Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w82 15/4 blz. 26-32
  • Het pad van de rechtvaardigen blijft inderdaad steeds helderder worden

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Het pad van de rechtvaardigen blijft inderdaad steeds helderder worden
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE LOSPRIJS EN JEHOVAH’S NAAM
  • GEDRAG EN PREDIKING
  • ONDERWERPING AAN DE „SUPERIEURE AUTORITEITEN”
  • WIE ZIJN BEDIENAREN?
  • Tot wie anders zullen wij gaan dan Jezus Christus?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
  • Het steeds helderder stralende licht in deze tijd
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
  • God en caesar
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
  • Toenemen in nauwkeurige kennis van de waarheid
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
w82 15/4 blz. 26-32

Het pad van de rechtvaardigen blijft inderdaad steeds helderder worden

„Wanneer degene die over de mensheid heerst, rechtvaardig is, . . . dan is het als het morgenlicht, wanneer de zon gaat schijnen.” — 2 Sam. 23:3, 4.

1. Wat konden wij op grond van 2 Samuël 23:3, 4 verwachten, en is dit ook gebeurd?

HET licht op het pad van Jehovah’s dienstknechten is vanaf de allervroegste tijden tot op heden blijven toenemen. Dit is zelfs nog meer het geval geweest sinds dat opmerkelijke jaar 1914, toen, zoals de ontwikkelingen hier op aarde aantoonden, „het koninkrijk der wereld . . . het koninkrijk van onze Heer [Jehovah] en van zijn Christus geworden” is (Openb. 11:15). Het licht uit Gods Woord is plotseling helder gaan schijnen, zoals de zon op „een morgen zonder wolken”, om het pad dat Jehovah’s dienstknechten moeten betreden, steeds helderder te verlichten. — 2 Sam. 23:3, 4.

2. Hoe kunnen wij periodieke wijzigingen in zienswijze beschouwen?

2 Het kan sommigen echter hebben toegeschenen alsof dat pad niet altijd rechttoe rechtaan is geweest. Af en toe heeft de uitleg die door Jehovah’s zichtbare organisatie werd gegeven, wijzigingen of aanpassingen te zien gegeven die schijnbaar afweken van voorgaande zienswijzen. Maar dit is niet werkelijk het geval geweest. Dit zou vergeleken kunnen worden met wat in navigatiekringen bekendstaat als „laveren”. Door met de zeilen te manoeuvreren, kunnen de zeilers een schip van rechts naar links, en weer terug, laten zigzaggen en ondanks tegenwind toch voortdurend vorderingen blijven maken in de richting van hun doel. En het doel dat Jehovah’s dienstknechten in het oog houden, is de door God beloofde „nieuwe hemelen en een nieuwe aarde”. — 2 Petr. 3:13.

3. Welk bewijs is er dat Jehovah zijn getuigen blijft zegenen?

3 Er bestaat geen twijfel over dat Jehovah God zijn zegen blijft schenken aan de wereldomvattende activiteit van zijn getuigen, zoals die door de „getrouwe en beleidvolle slaaf” worden geleid. Dit blijkt uit de vruchten. Houd in gedachte dat Jezus heeft gezegd: „Elke goede boom [brengt] voortreffelijke vruchten voort.” En deze rechtvaardige vruchten kunnen thans internationaal bij slechts één volk worden gezien — de verenigde, wereldomvattende maatschappij van Jehovah’s Getuigen. — Matth. 7:17.

4, 5. Van welk andere werktuig behalve zijn geïnspireerde Woord, heeft Jehovah God gebruik gemaakt om zijn volk te leiden?

4 Ongeacht waar wij op aarde leven, Gods Woord blijft met betrekking tot ons gedrag en onze geloofsovertuiging als een licht op ons pad en een lamp voor onze voet dienst doen (Ps. 119:105). Maar ten einde christenen in alle natiën te helpen de bijbel te begrijpen en die op juiste wijze in hun leven toe te passen, heeft Jehovah God ook zijn zichtbare organisatie verschaft, de „getrouwe en beleidvolle slaaf”, die bestaat uit personen die door de heilige geest gezalfd zijn. Tenzij wij met dit door God gebruikte communicatiekanaal in contact staan, zullen wij geen vorderingen maken op de weg ten leven, ongeacht hoeveel wij in de bijbel lezen. — Vergelijk Handelingen 8:30-40.

5 Jezus heeft met betrekking tot Gods communicatiekanaal gezegd dat de „getrouwe en beleidvolle slaaf” voor al Jezus’ volgelingen geestelijk voedsel te rechter tijd zou verschaffen en dat hij deze „slaaf” over al zijn bezittingen zou aanstellen (Matth. 24:45-47). Het is ook opmerkenswaardig dat de apostel Paulus, in Efeziërs 4:11-16, te kennen gaf dat de christelijke gemeente niet slechts geïnspireerde werktuigen als apostelen en profeten nodig had, maar ook evangeliepredikers, herders en leraren, die christenen moesten helpen tot de eenheid in het geloof en de nauwkeurige kennis van de Zoon van God te geraken en volledige geestelijke rijpheid te verwerven. — Zie ook 1 Korinthiërs 1:10; Filippenzen 1:9-11.

6. Wegens welke factoren is het soms noodzakelijk geweest zienswijzen opnieuw te beschouwen?

6 Deze „getrouwe en beleidvolle slaaf”, die in nauwe verbondenheid met Jehovah’s Getuigen werkzaam is, is inderdaad door Jehovah God gebruikt om zijn volk te leiden, te sterken en te besturen. Aangezien het licht op progressieve wijze schijnt, en omdat er als gevolg van menselijke onvolmaaktheid en menselijk falen fouten worden gemaakt, hebben deze christenen af en toe inderdaad zienswijzen en leerstellingen opnieuw moeten beschouwen. Maar heeft dit niet tot een zuiverder inzicht geleid en is dit hun niet ten goede gekomen? Laten wij eens enkele voorbeelden beschouwen.

DE LOSPRIJS EN JEHOVAH’S NAAM

7. Waarom en op basis waarvan hebben de Bijbelonderzoekers de leerstelling van de losprijs zo op de voorgrond gesteld?

7 In 1878 verbrak Charles T. Russell, die later de eerste president van het Wachttorengenootschap werd, zijn betrekkingen met de mederedacteur van The Herald of the Morning, N. H. Barbour, wegens de kwestie van de losprijs. De heer Barbour verwierp het geloof in de kracht van Jezus’ slachtoffer om zonden weg te nemen. Daarna hebben de Bijbelonderzoekers, zoals deze getuigen van Jehovah zich toen noemden, jarenlang de losprijs als de belangrijkste leerstelling van de bijbel beschouwd. En er bestaat geen twijfel over dat in Gods Woord krachtig de nadruk wordt gelegd op redding door geloof in Christus’ losprijs (Joh. 3:16; Hand. 4:12; Hebr. 5:9; Openb. 7:10). Jezus’ loskoopoffer werd op profetische wijze afgeschaduwd door Abrahams poging Isaäk te offeren en door de slachtoffers die onder de Mozaïsche wet werden gebracht. Het werd ook door de profeten voorzegd. De Bijbelonderzoekers legden derhalve grote nadruk op wat Jezus Christus voor de mensheid heeft gedaan. — Luk. 24:25-27, 44.

8. (a) Wat ging men toen inzien als iets dat van groter belang was? (b) Waartoe leidde dit, maar welke wijziging werd in latere decennia aangebracht?

8 De bijbel toont echter aan dat er iets veel belangrijkers is dan onze persoonlijke redding. Het is de grote strijdvraag inzake Jehovah’s universele soevereiniteit, die ten tijde van de opstand in Eden door Satan in twijfel werd getrokken (Gen. 3:15; 1 Kor. 15:24, 25; Openb. 11:15; 12:10). Met het oog hierop is het noodzakelijk dat Jehovah’s naam wordt gerechtvaardigd. Ja, het gehele thema van de bijbel, van Genesis tot en met Openbaring, is het Messiaanse koninkrijk, het middel waarvan God zich bedient om die glorierijke Naam voorgoed te rechtvaardigen, ja voor eeuwig te verhogen! Ongeveer 75 maal lezen wij in de bijbel Gods eigen verklaring: ’Zij zullen moeten weten dat ik Jehovah ben.’a Zijn getuigen gingen na verloop van tijd inzien dat schepselen hun zaak bij Jehovah God konden bepleiten op grond van het feit dat zijn naam erbij betrokken is en dat „een ieder die de naam van Jehovah aanroept, zal worden gered” (Rom. 10:13; Joël 2:32; Zef. 3:9). Een aantal jaren achtereen werden Jehovah’s naam en de rechtvaardiging ervan dan ook zo op de voorgrond geplaatst, dat critici van de Getuigen hen ervan beschuldigden niet in Jezus Christus te geloven. Er was op dit punt echter op z’n hoogst sprake van te veel nadruk op een bepaald punt. Zoals geregelde lezers van De Wachttoren in recente decennia heel goed beseffen, hebben de christelijke getuigen van Jehovah wel degelijk gepaste aandacht geschonken aan Jezus’ aandeel in de verwezenlijking van Gods voornemens. Jehovah’s profetische Woord vestigt inderdaad alle aandacht op Jezus als Gods ’Voornaamste Bewerker van redding’. — Hebr. 2:10; 12:2; Openb. 19:10.

9. Welk beginsel waardoor wetenschappelijke vooruitgang wordt beheerst, schijnt hier van toepassing te zijn?

9 Er zou van zulke wijzigingen of aanpassingen gezegd kunnen worden dat ze een beginsel volgen waardoor naar verluidt de vooruitgang van wetenschappelijke waarheid wordt beheerst. Kort gezegd gaat dit ongeveer als volgt in zijn werk: Eerst wordt er een stelling geponeerd waarover nog altijd verder geargumenteerd kan worden. Ze biedt grote mogelijkheden voor verder inzicht of toepassing in de praktijk. Maar na verloop van tijd blijken er enkele fouten of zwakheden aan te kleven. De neiging is dan om een stelling te poneren die naar het andere uiterste doorslaat. Later ontdekt men dat ook die positie niet de gehele waarheid vertegenwoordigt, en daarom worden de deugdelijke punten in beide stellingen gecombineerd. Dit beginsel is herhaaldelijk van toepassing geweest in de wijze waarop Spreuken 4:18 in vervulling is gegaan.b

GEDRAG EN PREDIKING

10, 11. Welke twee standpunten werden achtereenvolgens beklemtoond, met welk uiteindelijke resultaat?

10 Beschouw nog een voorbeeld van progressief inzicht: Ongeveer veertig jaar lang hebben de Bijbelonderzoekers de nadruk gelegd op de belangrijkheid van het aankweken van een voortreffelijke christelijke persoonlijkheid, welk proces zij „karakterontwikkeling” noemden. Hier werd zo krachtig de nadruk op gelegd omdat dit in de christenheid werd veronachtzaamd. Het is waar dat christenen ook getuigenis moesten afleggen door met anderen over Gods voornemens te spreken, maar dit kwam min of meer op de tweede plaats. Toen Gods volk later de belangrijkheid van Jehovah’s naam ging inzien en besefte dat zij getuigenis moesten afleggen van zijn naam en koninkrijk, werd hier de nadruk op gelegd, met het gevolg dat er minder aandacht werd geschonken aan het ontwikkelen van een christelijke persoonlijkheid. Er werd betoogd dat Jezus in de eerste plaats was gekomen om getuigenis af te leggen en dat de prediking werkelijk datgene is wat telt. De noodzaak rees het evenwicht tussen de twee standpunten te vinden. — Rom. 10:10; Gal. 5:22, 23.

11 Na verloop van tijd werd dat juiste evenwicht gevonden. Christenen moeten niet alleen de vrucht van Gods geest ontwikkelen, maar zij moeten ook onbevreesd en getrouw getuigenis afleggen van Jehovah. Beide vereisten zijn belangrijk. Wij kunnen het ene niet veronachtzamen op grond van het feit dat wij het andere doen. De apostel Paulus zei: „Wee mij indien ik het goede nieuws niet zou bekendmaken!” Maar hij zei ook: „Ik ben hard voor mijn lichaam en leid het als een slaaf, om niet, na tot anderen te hebben gepredikt, zelf op een of andere wijze afgekeurd te worden.” — 1 Kor. 9:16, 27.

ONDERWERPING AAN DE „SUPERIEURE AUTORITEITEN”

12, 13. (a) Welk standpunt werd eerst ingenomen met betrekking tot de gestelde „machten” van Romeinen 13:1? (b) Tot welk andere uiterste leidde dit, maar met welk duidelijke nut?

12 Het tot een juist begrip geraken van Romeinen 13:1-7 vormt nog een geval van naar het juiste standpunt toe „navigeren”. De vroege Bijbelonderzoekers begrepen terecht dat de gestelde „machten” of „superieure autoriteiten” de regeringsleiders van deze wereld waren. (Vergelijk Statenvertaling en de Nieuwe-Wereldvertaling.) Op grond van dat inzicht concludeerden zij dat indien een christen in tijd van oorlog onder de wapenen werd geroepen, hij in het leger dienst moest verrichten, een uniform moest aandoen en ten strijde moest trekken. Maar wanneer het werkelijk zover kwam dat hij een medemens moest doden, werd het toegestaan dat hij in plaats daarvan in de lucht schoot.

13 Het was echter heel duidelijk dat de apostel Paulus zo’n handelwijze nooit kan hebben voorgestaan. De vraag rees: Zouden de gestelde „machten” dan betrekking kunnen hebben op Jehovah God en Jezus Christus? Een tijdlang was Gods volk deze zienswijze toegedaan. En gedurende de woelige jaren van de Tweede Wereldoorlog heeft dit hen er op zijn minst in gesterkt ’God als regeerder meer te gehoorzamen dan mensen’ en over de gehele aarde een wonderbaarlijk verslag van onbevreesde christelijke neutraliteit op te bouwen (Hand. 5:28, 29). Er heeft nooit enige twijfel over bestaan dat christenen in de eerste plaats trouw moesten zijn aan de Soevereine Heer Jehovah en zijn Messiaanse koning, Jezus Christus. Maar vormen dezen tevens „de superieure autoriteiten” aan wie wij ’belasting en schatting’ moeten geven en ’eer’ moeten doen toekomen? — Rom. 13:7.

14. Hoe werd de kwestie van onderworpenheid aan wereldse regeringsautoriteiten ten slotte in het juiste licht gezien?

14 Gelukkig leidde Jehovah zijn volk in het jaar 1962 tot een begrip van het beginsel relatieve onderworpenheid. Het werd duidelijk dat opgedragen christenen wereldse regeerders als de „superieure autoriteiten” moesten gehoorzamen en gaarne bereid moesten zijn hen te erkennen als „Gods dienares” voor hun welzijn (Rom. 13:4). Maar wat te doen als deze „autoriteiten” van hen verlangen dat zij Gods wetten overtreden? Tot op dat punt zijn christenen gehoorzaam geweest aan het gebod in Romeinen 13:1: „Iedere ziel zij onderworpen aan de superieure autoriteiten.” Maar dit wordt nader omschreven door Jezus’ woorden in Matthéüs 22:21: „Betaalt caesar daarom terug wat van caesar, maar God wat van God is.” Dus steeds wanneer „caesar” van christenen verlangt dat zij dingen doen die in strijd zijn met Gods wil, zullen zij Jehovah’s wet boven die van „caesar” stellen. Dit is tegengesteld aan wat in de christenheid in het algemeen wordt beoefend. Veel zogenaamde christenen zullen er weinig gewetensbezwaren tegen hebben Gods wetten te overtreden wanneer hun dit door „caesar” wordt opgedragen. Eén patriot drukte dit zelfs als volgt uit: „Ons land! . . . Moge het altijd in zijn recht zijn; maar het is ons land, juist of verkeerd.” Voor de christelijke getuigen van Jehovah is dit echter niet het geval! Wanneer hun wordt opgedragen in strijd met Gods wil te handelen, herhalen zij de woorden van Jezus’ apostelen, die zeiden: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen.” — Hand. 5:29.

WIE ZIJN BEDIENAREN?

15, 16. (a) Wat is lang het inzicht geweest met betrekking tot degenen die Gods bedienaren zijn? (b) Welke wijziging werd er aangebracht en waarom? (c) Welke fouten kleefden er evenwel aan deze wijziging?

15 Laten wij nog een voorbeeld van progressieve verlichting noemen. Het gaat om de kwestie of alle christenen die zich werkelijk aan God hebben opgedragen, ongeacht hun leeftijd of geslacht, bedienaren zijn. Vele jaren lang zijn Jehovah’s Getuigen van mening geweest dat allen die berouw hadden, zich bekeerden, geloof oefenden in God en Christus zich aan Jehovah opdroegen om zijn wil te doen zoals deze door Christus is geopenbaard en werden gedoopt, werkelijk bedienaren waren. Maar toen gingen sommigen bezwaren opperen. Regeringsautoriteiten waren vaak niet met dit standpunt ingenomen. Er werd ook betoogd dat veel talen geen equivalent hebben voor een afleiding van het Latijnse woord voor bedienaar (minister), zodat dit woord niet in religieuze zin gebruikt diende te worden door degenen die in hun taal wel een dergelijke vorm hebben. Verder werd betoogd dat de doop nauwelijks een passende ordinatieceremonie scheen te zijn. Maar waren dit deugdelijke redenen om de aanduiding „bedienaar” (minister, Latijn) te beperken tot degenen die in de gemeente in een ambt zijn aangesteld, dus tot ouderlingen en „diakenen” of dienaren in de bediening?

16 Het is een feit dat de wet van het land gewoonlijk elke religieuze organisatie het recht toekent vast te stellen wat iemand tot een van haar bedienaren maakt. Het maakt niets uit of anderen hun positie niet begrijpen of onderschrijven. Ook maakt het niets uit dat veel talen geen equivalent hebben voor het Latijnse woord minister. Dat dient degenen in wier taal zo’n uitdrukking wel bestaat — Engels, Italiaans, Spaans en andere talen — er niet van te weerhouden er gebruik van te maken wanneer er een deugdelijk doel mee wordt gediend.

17, 18. Wie kunnen werkelijk „bedienaren” worden genoemd, en hoe dienen zij hun „bediening” te beschouwen?

17 De uitdrukking „bedienaar” is nuttig, want ze verwijst naar een speciale soort van „dienaar”, een dienaar met een verheven, speciale diensttoewijzing. Iedereen, ongeacht zijn leeftijd en geslacht, die kan aantonen dat hij of zij een goed begrip heeft van Gods wil en voornemens voor de mensheid en die zijn of haar leven in overeenstemming heeft gebracht met bijbelse beginselen en zich ook heeft opgedragen en in overeenstemming met Jezus’ gebod in Matthéüs 28:19, 20 is gedoopt, is waarlijk een van Gods bedienaren. Er kan zelfs worden gezegd dat zo’n persoon bekwamer en bevoegder is om voor God te spreken dan wie maar ook van degenen die een theologische hogeschool of seminarie hebben bezocht maar die Gods voornemens niet begrijpen en hun leven misschien niet in overeenstemming hebben gebracht met Gods rechtvaardige vereisten. Degenen die God werkelijk dienen, kunnen met de apostel Paulus zeggen: „Ik [verheerlijk] mijn bediening.” — Rom. 11:13.

18 Het moet beklemtoond worden dat de uitdrukking „bedienaar” geen titel maar een beschrijving is. (Vergelijk Matthéüs 20:28.) Het is voor iemand niet voldoende de stappen te doen die hem ervoor in aanmerking doen komen als een dienstknecht van Jehovah God gedoopt te worden. De persoon moet zijn bediening, zijn „heilige dienst” voor Jehovah God, tot het voornaamste doel in zijn leven maken. Anders zou hij, ongeacht hoeveel tijd hij wegens omstandigheden die hij niet in zijn macht heeft, aan zijn bediening kan besteden, zich niet terecht een bedienaar kunnen noemen en ook niet door anderen als een van Gods bedienaren beschouwd kunnen worden. — Rom. 12:1; 2 Tim. 4:5.

19. (a) Waartoe heeft deze ontwikkeling in inzicht geleid, maar hoe worden loyalen gezegend? (b) Wat is Jehovah’s regeling voor het uitdelen van geestelijk voedsel, en waarom dient deze organisatie altijd onze keus te zijn?

19 Zo’n ontwikkeling in inzicht, waarbij vanzelfsprekend als het ware „gelaveerd” moest worden, heeft vaak als een toets gediend op de loyaliteit van degenen die met de „getrouwe en beleidvolle slaaf” verbonden waren. Er worden echter voortdurend vorderingen gemaakt in de richting van een vollediger begrip van het „goede nieuws” en alles wat erbij betrokken is. Degenen die dicht bij Gods organisatie blijven, hebben ervaren dat vragen en dingen die moeilijk te begrijpen zijn, met het verstrijken van de tijd altijd worden opgehelderd. En hoe hartverwarmend en voldoeningschenkend blijkt de weg te zijn naarmate het licht steeds helderder schijnt! Het is zoals Petrus het onder woorden bracht toen sommigen van de discipelen over Jezus’ leer struikelden: „Heer, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven” (Joh. 6:68). De Heer Jezus Christus heeft die „woorden” nog steeds, en hij doet ze de mensen toekomen via de ene „getrouwe en beleidvolle slaaf”-organisatie die hij thans op aarde gebruikt. Ze is als de „goede boom” die volgens Jezus’ beschrijving „voortreffelijke vruchten” voortbrengt (Matth. 7:17). De enige andere keus die voor de mensen openstaat, is zich te verbinden met Satans politieke „wilde beest” en „Babylon de Grote”, het wereldrijk van valse religie (Openb. 13:1; 17:5). Geen enkele opgedragen christen zou daarnaar willen terugkeren! — 2 Petr. 2:22; Joh. 14:6.

20. (a) Waarom kunnen wij thans meer vertrouwen hebben dan ooit in ’het licht dat is opgegaan’? (b) Welke gelukkige toekomst ligt er in het verschiet voor allen die het pad van het toenemende licht kiezen?

20 Ja, er is „licht . . . opgegaan voor de rechtvaardige” (Ps. 97:11). Spreuken 4:18 gaat in vervulling doordat „het pad van de rechtvaardigen” als een licht is dat steeds helderder schijnt. Indien er soms wat wijzigingen moeten worden aangebracht, draagt dit onveranderlijk tot een verbeterde positie bij. Het zuiverder inzicht is niet tevergeefs. Nu Christus regeert, is de verlichting waarin Jehovah’s volk zich verheugt, „als het morgenlicht, wanneer de zon gaat schijnen” (2 Sam. 23:3, 4; Matth. 25:31). Hoe bevoorrecht zijn allen die loyaal dienst verrichten met de „getrouwe en beleidvolle slaaf”-organisatie, Jehovah’s zichtbare communicatiekanaal! Zij hebben een verstandige keus gedaan, want hun pad leidt naar het kostbare doel van eeuwig leven in de nieuwe ordening die door Jehovah wordt geschapen. — Jes. 65:17, 18; 66:22.

[Voetnoten]

a Alleen al in het boek Ezechiël ongeveer zestig maal; ook in Exodus 6:7; Deuteronomium 29:6; Jesaja 49:23; Joël 3:17 en andere teksten.

b Dit wordt aangeduid met de woorden these (stelling), antithese (tegenstelling) en synthese (een combinatie van de twee).

[Kader op blz. 31]

Door middel van studie en ervaring hebben Jehovah’s dienstknechten nu de juiste evenwichtige kijk op de volgende punten:

Dat de rechtvaardiging van Jehovah’s naam belangrijker is dan de redding van schepselen.

Dat het tonen van ijver in het geven van getuigenis en het aankweken van de vruchten van de geest even belangrijk zijn.

Dat de onderworpenheid van een christen aan wereldse autoriteiten een relatieve onderworpenheid is.

Welke eervolle positie zij innemen als bedienaren die Jehovah werkelijk vertegenwoordigen, ongeacht hoe anderen hen bezien.

[Diagram/Illustratie op blz. 27]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

Tegen de wind op laveren

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen