Vragen van lezers
● In het appendix van de in 1970 herziene uitgave van de New World Translation of the Holy Scriptures (de bladzijden 1455 en 1456) staat dat de Hebreeuwse uitdrukking ha-Adōn beperkt is tot Jehovah God. Waarom vermeldt de voetnoot bij Romeinen 10:9 (in de Engelse uitgave van 1971) dan dat deze uitdrukking daar niet naar Jehovah verwijst?
De voetnoot bij Romeinen 10:9 erkent slechts dat sommige vertalers bij het vertolken van de Griekse Geschriften in het Hebreeuws, deze uitdrukking ha-Adōn (welke letterlijk „de Heer” betekent) hebben gebruikt om het Griekse woord kurios (dat „Heer” betekent) weer te geven.
Het woord „Heer” heeft hier duidelijk betrekking op Jezus, want de schriftplaats luidt als volgt: „Want indien gij dat ’woord in uw eigen mond’, dat Jezus Heer [Kurios] is, in het openbaar bekendmaakt en in uw hart geloof oefent dat God hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij worden gered.” Dat het Griekse woord Kurios in het Hebreeuws met ha-Adōn vertaald zou moeten worden, is slechts de mening van bepaalde vertalers, want in de Griekse tekst komt in dit vers het bepalende lidwoord niet in samenhang met „Heer” voor.
Het woord „heer” is een uitdrukking die in de Schrift van toepassing wordt gebracht op Jehovah, Jezus, engelen, mensen en zelfs valse godheden. De fundamentele betekenis is „meester” of „eigenaar”. Het is ook een titel door middel waarvan respect getoond wordt. In het appendix merken de vertalers van de New World Translation op dat de uitdrukking elke keer dat ze in de Hebreeuwse Geschriften voorkomt, naar Jehovah verwijst. Dit is een feit, en het is ook zeer passend, aangezien het bepalende lidwoord (ha) exclusief naar hem wijst als „Heer” in de hoogste betekenis van het woord.
Christenen verwijzen terecht ook naar Jezus als hun Heer omdat hij hun „Meester” en „Eigenaar” is. Aangezien hij hen door middel van zijn offerandelijke bloed heeft gekocht, is hij het hoofd van de christelijke gemeente (Joh. 13:13, 16; Kol. 3:24; Jud. 4; Openb. 5:9, 10). Paulus erkent dat hoewel er veel „goden” en veel „heren” zijn, er „in werkelijkheid . . . voor ons maar één God, de Vader [is], . . . en er is één Heer, Jezus Christus” (1 Kor. 8:5, 6). Maar Jezus had zijn autoriteit als Heer van de Vader ontvangen (Matth. 28:18; Joh. 3:35; 5:19, 30). Jezus heeft grote autoriteit, heerlijkheid en macht, maar „elke tong [dient] openlijk [te] erkennen dat Jezus Christus Heer is, tot de heerlijkheid van God, de Vader” (Fil. 2:9-11). Alle eer gaat naar de Vader voor wat hij door bemiddeling van zijn eniggeboren Zoon heeft gedaan en zal doen. Wanneer Jezus aan het einde van zijn duizendjarige regering „het koninkrijk aan zijn God en Vader overdraagt”, zal hij zich op zijn beurt „zelf . . . onderwerpen aan Degene die alle dingen aan hem onderwierp, opdat God alles zij voor iedereen.” — 1 Kor. 15:24-28.
Met het bovenstaande in gedachten is het dus duidelijk dat hoewel bepaalde Hebreeuwse vertalingen van de Griekse Geschriften in Romeinen 10:9 de uitdrukking ha-Adōn gebruiken, wij hier niet de conclusie uit moeten trekken dat de „Heer” hier Jehovah is, waardoor Jezus en God een en dezelfde Heer zouden zijn, zoals door trinitariërs wordt beweerd. Wanneer deze uitdrukking in de Hebreeuwse Geschriften voorkomt, heeft ze echter altijd betrekking op Jehovah.