Geloof is praktisch!
Getuigenis uit de concentratiekampen
CONCENTRATIEKAMPEN — Waar denkt u aan wanneer u dit woord leest?
U herinnert u wellicht beelden van angstige mensen die uit een goederenwagen werden gedreven, de dood tegemoet. Of uitgeputte, half verhongerde gevangenen die gedwongen werden te midden van hun eigen uitwerpselen te leven en die met ziekte te kampen hadden. Of het zouden onmenselijke medische experimenten kunnen zijn of ovens waarin talloze menselijke lichamen werden vernietigd.
Deze dingen vormen een onderdeel van het beeld dat die verschrikkelijke kampen oproepen.
Toch moeten wij nog iets anders in aanmerking nemen. Hoe afschuwelijk de nazi-kampen ook waren, honderdduizenden mannen en vrouwen hebben geprobeerd daar te leven. Zij worstelden dag aan dag om in leven te blijven, ondanks de ziekten, de slaag, de uitputting en het naar willekeur doden. Zij probeerden te eten, warm te blijven en te zorgen dat zij niet ziek werden. Zij moesten met hun medegevangenen werken, slapen en leven.
Daarom vormen de nazi-concentratiekampen, ondanks hun gruwelijkheid — of misschien juist daardoor — voor ons een plaats om naar bewijzen te zoeken waaruit blijkt dat geloof werkelijk praktisch is. Alhoewel wij wellicht nooit in zulke kampen behoeven te verblijven, kunnen wij ons voordeel doen met lessen die wij in verband ermee leren.
VELEN VERLOREN HUN GELOOF
Een in het oog springende uitwerking van de kampen was verlies van geloof. De schrijver Philip Yancy verklaart: „Sommige overlevenden verloren hun geloof in God. Dit overkwam vooral joden: zij waren opgevoed in de overtuiging dat zij het uitverkoren volk waren geweest, en plotseling ontdekten zij dat, zoals een zekere jood het vol bitterheid uitdrukte, ’Hitler de enige is die zich aan zijn beloften heeft gehouden’.”
Elie Wiesel beschrijft welke uitwerking het ophangen van een jonge jongen had op degenen die hier getuige van waren. De SS verzamelde de gevangenen voor de galg. Toen de jongen langzaam stierf, schreeuwde een gevangene: „Waar is God nu?” Wiesel zegt: „En ik hoorde een stem binnen in mij antwoorden: ’Waar is Hij? Hier is Hij — Hij hangt hier aan deze galg . . .’”
Velen die beleden christenen te zijn, verloren hun geloof eveneens. In het boek The Christian Century brengt Harry J. Cargas als volgt onder woorden hoe veel vroegere kerkgangers zich voelden: „Deze ’holocaust’ is naar mijn mening de grootste tragedie voor christenen sinds de kruisiging. Eerst stierf Jezus; en ten slotte, zo zouden wij kunnen zeggen, is het christendom gestorven. . . . Kan iemand in deze tijd een christen zijn wanneer wij de dodenkampen in aanmerking nemen, die grotendeels bedacht, gebouwd en geleid werden door mensen die zich christenen noemden . . .?”
Er was echter een groep wier geloof niet te gronde werd gericht. Jehovah’s Getuigen begrepen uit de bijbel dat God niet de oorzaak was van de ellende in de kampen, noch van het lijden waardoor de mensheid reeds eeuwenlang wordt gekweld. Integendeel, deze dingen doen Hem verdriet en ze bewijzen dat mensen, onafhankelijk van hem, hun schreden niet kunnen richten (Jer. 10:23; Pred. 8:9). Hij heeft in zijn Woord beloofd dat hij op een vastgestelde tijd goddeloosheid van de aarde zal verwijderen. Hij zal ook de schade die gelovige mensen hebben geleden, ongedaan maken, ja, hij is zelfs in staat hen weer tot leven op te wekken. — Openb. 21:4; zie ook het hoofdstuk „Waarom laat God het kwaad toe?” in het boek De weg tot waar geluk.a
GELOOF ONDER VROUWEN
Laten wij bijvoorbeeld eens onderzoeken welke uitwerking de concentratiekampen op vrouwen hadden.
In zijn autobiografie Commandant van Auschwitz merkte Rudolf Höss het volgende op: „Het volgepropte vrouwenkamp betekende voor de vrouwelijke gevangenen de psychische vernietiging en daarop volgde vroeg of laat de fysieke ineenstorting. In het vrouwenkamp waren de omstandigheden in elk opzicht altijd het allerslechtst.”
Natuurlijk varieerden de omstandigheden enigszins van kamp tot kamp en op verschillende tijden gedurende de oorlog. Toch merkte Höss op: „Wanneer de vrouwen eenmaal een bepaald nulpunt bereikt hadden, lieten zij zich volledig gaan. Als volkomen willoze spookgestalten wankelden zij rond, . . . totdat zij op zekere dag stil ontsliepen.” Dit werd nog verergerd door het gedrag van sommige gevangenen die autoriteit hadden gekregen. Volgens Höss „overtroffen [zij] hun mannelijke collega’s verre in onverwoestbaarheid, laagheid, gemeenheid en verachtelijkheid”.
Höss voegt hier echter aan toe: „Een gunstige tegenstelling vormden de vrouwelijke Jehova’s Getuigen, die bijbelbijen of bijbelwormen werden genoemd. Jammer genoeg waren het er te weinig.”
Hoe hielden deze vrouwelijke getuigen van Jehovah zich staande te midden van de verschrikkingen van de nazi-concentratiekampen? Welke invloed onderging hun geloof? In het boek Als Gefangene von Stalin und Hitler (1949) door Margarete Buber, werden inlichtingen uit de eerste hand gepubliceerd.
Zij en haar man waren in het begin van de jaren dertig vooraanstaande leden van de Duitse communistische partij. Nadat zij in Moskou ontboden waren, werden zij gearresteerd wegens „afwijkende politieke opvattingen”. Alhoewel Margarete Buber nog steeds in de theorie van het communisme geloofde, werd zij naar een kamp in Siberië gestuurd. Later werd zij aan de nazi’s overgeleverd en verrichtte zij vijf jaar lang dienst in het beruchte vrouwenkamp Ravensbrück.
Gedurende een gedeelte van die tijd was zij blokoudste, een gevangene die met het toezicht belast was over een blok of barak met andere gevangenen. De meeste gevangenen in haar blok waren Jehovah’s Getuigen (Bijbelonderzoekers). Het boek van Margarete Buber verschaft een ooggetuigeverslag van een politieke gevangene die zelf geen getuige van Jehovah was. Haar verslag wordt bevestigd door Gertrude Pötzinger, een van Jehovah’s Getuigen die meer dan vier jaar een gevangene in Ravensbrück is geweest en die thans samen met haar man dienst verricht op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in Brooklyn (New York). Hier volgt een samenvatting van gedeelten van het boek, in Margarete Bubers eigen woorden en met haar toestemming gebruikt, waarin de schrijfster haar ervaringen vertelt als gevangene onder twee dictators.
ONDER TWEE DICTATORS
Iedere nieuwkomer in een concentratiekamp maakt een verschrikkelijke periode door waarin zij tot in het diepst van haar wezen geschokt wordt, ongeacht hoe sterk zij lichamelijk is en hoe kalm haar zenuwen zijn. En in Ravensbrück werd het lijden van de nieuwkomers ieder jaar erger, waardoor het aantal sterfgevallen onder hen het grootst was. Afhankelijk van het karakter zou het weken, maanden, of zelfs jaren duren voordat een gevangene zich in haar lot schikte en zich aan het leven in een kamp aanpaste. Juist in deze periode ondergaat het karakter van de persoon een verandering. Geleidelijk aan neemt de belangstelling voor de buitenwereld en voor de andere gevangenen af.
Ik denk dat niets demoraliserender is dan lijden, uitzonderlijk lijden gepaard met vernedering, zoals mannen en vrouwen dit in een concentratiekamp ondergaan. Wanneer de SS sloeg, waagde je het niet terug te slaan. Wanneer de SS treiterde en beledigde, moest je je mond houden en nooit iets terugzeggen. Je had alle rechten als mens verloren — letterlijk alle, zonder uitzondering. Je was alleen maar een levend wezen met een nummer om je te onderscheiden van de andere ongelukkigen om je heen.
Ik denk hier niet aan de gevangenen die de een of andere functie bekleedden en die degenen die onder hun bewaking stonden, konden koeioneren en mishandelen. Ik bedoel de gewone vrouwelijke gevangenen. Als er één een klein beetje meer eten scheen te krijgen, een iets groter stuk brood, een iets grotere portie margarine of worst, dan ontstonden er onmiddellijk scènes waarin de vrouwen hun haat, boosheid en wrokgevoelens luchtten.
Vanaf het moment dat wij uit ons bed rolden tot het tijdstip waarop wij ons buiten moesten opstellen voor het appel, hadden wij drie kwartier waarin wij ons moesten wassen, aankleden, onze kast opruimen en „ontbijten”. Dat zou onder de gunstigste omstandigheden al niet zo gemakkelijk zijn, maar bedenk eens wat dit betekende in een barak met honderd andere vrouwen die allemaal rondrenden met hetzelfde doel! Het vloeken en schelden was niet van de lucht.
[Dit is een gedeeltelijke beschrijving van hoe haar leven in Ravensbrück was. Maar toen werd de schrijfster als blokoudste aangesteld in blok 3, waar toentertijd de Bijbelonderzoekers gehuisvest waren.]
Die middag begon ik mijn werkzaamheden in blok 3. Hier heerste een heel andere sfeer. Het was er rustig en het rook er naar schuurpoeder, ontsmettingsmiddelen en koolsoep. Er zaten tweehonderd zeventig vrouwen aan de tafels. Zodra ik het vertrek binnenkwam, stond er een lange blonde vrouw op, leidde me naar een stoel en vulde mijn kom met koolsoep. Ik wist nauwelijks wat ik moest doen.
Waar ik ook keek, overal langs de tafels zag ik dezelfde bescheiden glimlachende gezichten. Zij droegen allemaal hun haar naar achteren in een stevige knot, en zij zaten daar volkomen ordelijk en aten hun voedsel alsof ze allemaal aan hetzelfde draadje vastzaten. De meesten van hen schenen plattelandsvrouwen te zijn, en hun magere gezichten waren bruin en verweerd door de zon en de wind. Velen van deze vrouwen hadden reeds jaren in de gevangenis en het concentratiekamp doorgebracht.
Er waren 275 gevangenen — allen Bijbelonderzoekers. Allemaal waren zij modelgevangenen en allemaal kenden zij de kampregels en -voorschriften uit hun hoofd en volgden ze stipt op. De ene kast zag er precies zo uit als de andere, en alle waren ze toonbeelden van reinheid en netheid. Alle handdoeken hingen op precies dezelfde voorgeschreven wijze aan de kastdeuren; iedere kom, ieder bord, iedere beker, enzovoort, was schoon en glanzend gepoetst. De krukjes werden vlekkeloos schoon geschuurd en altijd netjes opgestapeld wanneer ze niet gebruikt werden. Alles werd afgestoft, zelfs de hanebalken van de barak, want onze barak had geen plafond en wij keken recht tegen het dak aan. Er werd mij verteld dat sommige SS-opzieners rondgingen met witte handschoenen aan en met hun vingers langs richels en langs de bovenkant van de kasten gingen, waarbij zij zelfs op de tafels klommen om na te gaan of er geen stof op de balken lag.
De toiletten en het waslokaal waren net zo schoon. Maar het toppunt van al deze netheid en reinheid waren de slaapzalen, die elk 140 bedden bevatten. Het bouwen [opmaken] van de bedden was hier een verbazingwekkende prestatie. Strozakken en hoofdkussens lagen keurig recht. De dekens waren alle op precies dezelfde wijze en op precies dezelfde maat opgevouwen en in precies hetzelfde patroon op de bedden gelegd. Aan elk stapelbed hing een kaart met de naam en het nummer van de gevangenen die erin sliepen, en aan de deur hing een nauwkeurig getekende plattegrond van de slaapzaal, waarop elk bed stond aangegeven en wie er precies in sliep, zodat iemand die kwam inspecteren meteen kon zien waar iedereen was.
Toen ik kameroudste was onder de asocialenb, had ik het de gehele dag druk met allerlei werkzaamheden, terwijl ik steeds de een of andere nieuwe angst te verwerken kreeg. Bij de Bijbelonderzoekers had ik een heel kalm leventje. Alles verliep als vanzelf. ’s Morgens, wanneer iedereen zijn best deed om vóór het appel met zijn bezigheden klaar te komen, sprak niemand hardop. In andere blokken moesten de blokoudste en de kameroudste zich hees schreeuwen voordat zij hun gevangenen naar buiten en in de rij kregen, maar hier speelde de gehele procedure zich zwijgend af, zonder dat ik een woord hoefde te zeggen, en datzelfde gold voor alles — de verdeling van het voedsel, het uitdoen van de lichten en al het overige wat deel uitmaakt van het dagelijkse leven van een gevangene.
Mijn voornaamste taak bij de Bijbelonderzoekers was, hun leven zo draaglijk mogelijk te maken en hen tegen de haarkloverijen van de SS-blokleider te beschermen.
In blok 3 werd nooit iets gestolen. Er werd niet gelogen en niet verklikt. Elk van de vrouwen was niet alleen persoonlijk erg plichtsgetrouw, maar achtte zich ook verantwoordelijk voor het welzijn van de groep als geheel. Ik was er nog niet lang, of zij beseften dat ik hun vriendin was.
Toen deze relatie eenmaal tot stand was gekomen en ik er vast op vertrouwde dat niemand van hen mij ooit zou verraden, waren er veel dingen die ik voor hen kon doen; ik voorkwam bijvoorbeeld met allerlei uitvluchten en listen dat de oudere en lichamelijk zwakkere gevangenen urenlang op appel moesten staan. Dat had ik bij de asocialen niet kunnen doen, want degenen die beter in staat waren de spanning te verdragen, zouden mij uit wraakzucht, omdat er iemand begunstigd werd, bij de SS verraden hebben.
De Bijbelonderzoekers vormden het enige homogene blok onder de gevangenen in Ravensbrück. Toen ik naar blok 3 ging, wist ik nauwelijks iets over hun religieuze overtuiging en waarom Hitler hen niet mocht. „Niet mocht” is zacht uitgedrukt als beschrijving van zijn houding jegens hen; hij verklaarde hen tot staatsvijanden en vervolgde hen meedogenloos.
Al gauw beseften zij dat ik me niet gemakkelijk zou laten bekeren, maar zij bleven mij hun sympathie tonen en gaven nooit de hoop op dat ik op zekere dag „het licht zou zien”. Voor zover ik het kon begrijpen, geloofden zij dat de gehele mensheid, met uitzondering van Jehovah’s Getuigen, spoedig in eeuwige duisternis geworpen zou worden wanneer er een einde aan de wereld kwam. Het Goede zou uiteindelijk over het Kwade zegevieren. Natie zou tegen natie geen zwaard meer opheffen, de luipaard zou zich neerleggen bij het bokje; en het kalf en de jonge leeuw en het weldoorvoede dier bij elkaar, en niemand zou kwaad doen of vernielingen aanrichten op heel Zijn heilige berg. Er zou geen dood meer zijn en iedereen — de overlevenden — zou voortaan altijd een gelukkig leven leiden en aan hun geluk zou geen einde komen.
Dit eenvoudige en bevredigende geloof verleende hun kracht en stelde hen in staat de lange jaren in het concentratiekamp en alle beledigingen en vernederingen te verduren, en toch nog hun menselijke waardigheid te behouden. Zij kregen reden om te bewijzen — en zij bewezen het ook — dat de dood hun geen enkele schrik aanjoeg. Zij konden zonder bevreesd te zijn voor hun geloof sterven.
Zij namen het Zesde Gebod serieus, en als gevolg daarvan waren zij vastberaden tegenstanders van alle oorlogen en alle militaire dienst. Hun standvastigheid in dit opzicht heeft vele mannelijke Getuigen het leven gekost. Ook de vrouwen van de sekte weigerden enig werk te doen dat naar hun mening de oorlog ten goede kwam.
Hun plichtsbesef en hun verantwoordelijkheidsgevoel waren onwankelbaar; zij waren ijverig, eerlijk en gehoorzaam. De Getuigen waren om zo te zeggen „vrijwillige gevangenen”, want alles wat zij hoefden te doen om onmiddellijk vrijgelaten te worden, was een speciaal formulier voor Bijbelonderzoekers te ondertekenen dat luidde: „Hierbij verklaar ik dat ik mij vanaf vandaag niet langer als een Bijbelonderzoeker beschouw en dat ik niets zal doen ter bevordering van de belangen van de Internationale Vereniging van Bijbelonderzoekers.”
Voordat ik hun blokoudste werd, hadden zij veel te lijden gehad doordat Käthe Knoll [de beruchte vorige blokoudste] haar uiterste best deed hen ervan te weerhouden met elkaar over religie te spreken. Hen te beletten erover te praten en aantekeningen met elkaar te vergelijken — kort gezegd, „de bijbel te bestuderen” — was een soort van Chinese marteling, en Käthe Knoll had deze met boosaardige ijver toegediend.
Ik was al enige tijd hun blokoudste voordat ik ontdekte dat mijn „bijbelwormen”, zoals zij in het kamp bekendstonden, bijbels en lectuur van de Bijbelonderzoekers bezaten. In het begin namen zij deze, verborgen in emmers en dweilen enzovoort, mee naar binnen wanneer zij van het werk terugkwamen. Toen ik dit ontdekte, stelde ik voor dat het minder gevaarlijk zou zijn als zij ze ergens in het blok zouden verbergen, en deze suggestie werd enthousiast aanvaard. Daarna werd er ’s avonds en ’s zondags heel openlijk bijbelstudie gehouden in het blok. En ’s avonds in bed, voordat de SS-vrouwen met hun honden langs kwamen, zongen zij zachtjes hun liederen. Mijn taak was erop toe te zien dat zij ruim van tevoren werden gewaarschuwd en de gelegenheid hadden hun verboden lectuur te verbergen.
Ik liep geen gering risico. Ik was blokoudste en verantwoordelijk voor alles wat er gebeurde. Het was het „Gouden Tijdperk” van mijn leven in het concentratiekamp — nadat ik om zo te zeggen Armageddon had doorgemaakt — maar hoe ik het klaarspeelde om de ene inspectie na de andere, onder leiding van die onmenselijke Kögel, te overleven zonder in het strafblok of in de bunker terecht te komen, weet ik tot op vandaag nog steeds niet.
Ik speelde echter een nog gevaarlijker spel. Wanneer een gevangene zich ziek voelde, moest zij dit via mij aan de medische dienst melden. Het criterium was de thermometer. Afhankelijk van wat deze aangaf, zou de zieke vrouw naar de ziekenboeg gestuurd worden, mocht zij „binnendienst” doen, of werd zij meedogenloos naar haar normale werk gestuurd. Nu bevond zich onder de „Getuigen” een behoorlijk aantal oudere vrouwen die, alhoewel zij geen koorts hadden, gewoon zo zwak waren dat zij werkelijk niet in staat waren te werken. De enige manier waarop ik hen kon sparen en hun van tijd tot tijd een dag rust kon geven, was onjuiste aantallen te melden van de „manschappen” in de kolonnes, en dit deed ik ook. Ik durf er niet aan te denken wat er met mij gebeurd zou zijn wanneer dit ontdekt was. Het werd nog moeilijker gemaakt doordat wij het inspectieblok waren [de barak waar nazi-functionarissen, die op bezoek kwamen, naar toe werden gebracht. De schrijfster geeft de volgende beschrijving van zo’n onaangekondigd bezoek:]
Ik rapporteerde dan op de toon die bij een ondergeschikte past:
„Blokoudste Margarete Buber, no. 4208, meldt gehoorzaam blok no. 3, bewoond door 275 Bijbelonderzoekers en drie politieke gevangenen, van wie 260 aan het werk zijn, acht kamerdienst hebben en zeven toestemming hebben voor binnendienst.”
Kögel staarde me dan aan met zijn waterige blauwe ogen, zijn gladgeschoren wangen gespannen van de zenuwen, en gromde daarna iets. Dan ging ik hun voor op de routine-inspectie, opende de ene deur na de andere, en de eerste drie kasten. En wanneer wij bij de gevangenen kwamen die terecht en met toestemming aanwezig waren, snauwde ik „Achtung!”, waarop ze allemaal als een duiveltje uit een doosje opsprongen. Alle bezoekers, onverschillig of ze nu mannen of vrouwen waren, van de SA of de SS of wat maar ook, waren steeds weer onder de indruk van het glanzende tin en aluminium. Kögel was gewoonlijk de enige die de gevangenen vragen stelde. „Waarom werd je gearresteerd?” en onveranderlijk kwam dan het antwoord: „Omdat ik een Getuige van Jehovah ben.” Meer vroeg Kögel niet, want hij wist uit ervaring dat deze onverbeterlijke Bijbelonderzoekers nooit een gelegenheid voorbij lieten gaan om een demonstratie te geven [van het feit dat zij getuigen waren]. Daarna namen de bezoekers een kijkje in de slaapzaal, en onveranderlijk hoorde je luide uitroepen vanwege de smetteloze orde die zij daar aantroffen.
Alhoewel de hoofdbewaakster, Frau Langefeld, de „Getuigen” begunstigde en beschermde, beschouwde een van de hoofdopzichteressen, een vrouw die Zimmer heette, hen als haar „bête noire”. Frau Zimmer was nergens tevreden mee; zelfs het voorbeeldigste bed kon in haar ogen geen genade vinden, en zij liet geen gelegenheid voorbijgaan om de Getuigen uit te schelden en te treiteren.
[Ten einde de vrede en de christelijke eenheid van de Getuigen te verstoren, brachten de autoriteiten ongeveer honderd asocialen in het blok.]
Het was alsof de wolven de kudde waren binnengevallen. Verraad, diefstal en gekijf werden een integrerend deel van ons dagelijks leven. De asocialen begonnen de „Getuigen” onmiddellijk aan te geven wegens bijbelstudies en religieuze gesprekken; zij stalen alles wat ze maar te pakken konden krijgen; en in de mening dat zij autoriteit vertegenwoordigden, gedroegen zij zich over het algemeen verschrikkelijk agressief en provocerend. En wat was het droevig voor mij! Maar ten gunste van mijn „Getuigen” moet gezegd worden dat zij mij te hulp snelden in mijn moeilijkheden en mij op elke mogelijke manier ondersteunden. Dank zij hen slaagden wij erin ons zes maanden lang — zolang de plaag duurde — zonder ernstige moeilijkheden door dit alles heen te worstelen.
Ik deed mijn best de onruststokers te isoleren. Ik hield de „Getuigen” aan aparte tafels, zodat zij hun aangelegenheden tijdens de maaltijden konden bespreken zonder het gevaar verraden te worden, en ’s nachts liet ik de asocialen in de bovenste bedden liggen en de „Getuigen” beneden. Nu bleek echter dat de autoriteiten — de aanstichtster van het plan was Frau Zimmer — alle beruchte bedplassers in het kamp voor ons hadden uitgezocht, en iedere nacht regende het neer op de onschuldigen in de bedden beneden.
Op zekere dag kwam onze oude vijandin, Frau Zimmer, binnen om haar werk te inspecteren. Zij ontdekte onmiddellijk dat ik de schapen van de bokken had gescheiden en wendde zich verontwaardigd tot mij.
„Je hoeft niet te denken dat ik blind ben”, verklaarde zij. „Ik weet heel goed dat je die Bijbelonderzoekers hier beschermt en de hand boven het hoofd houdt. Waag het niet de bijbelwormen en de asocialen apart te zetten, begrepen?”
Welnu, dat was het; ik moest hen allemaal door elkaar gooien en er het beste maar van hopen. Op dat moment kwam Jehovah tussenbeide. De Bijbelonderzoekers accepteerden de asocialen als zusters die ze jarenlang niet hadden gezien: Hadden ze honger? Nou en of! Zouden ze een extra stuk brood lusten? Natuurlijk! En zo ging het door. Ik bekeek deze christelijke liefdadigheid in actie met gemengde gevoelens, maar de tactiek werkte. De asocialen werden met goedheid en vriendelijkheid murw gemaakt, en vervolgens begon er een campagne om hen het licht te laten zien. Binnen niet al te lange tijd waren er heel wat asocialen — een zigeunerin, een Poolse, een jodin en een politieke gevangene — die zich bij het kantoor van de SS meldden en verklaarden dat zij voortaan als Jehovah’s Getuigen beschouwd wilden worden, en die de paarse driehoek voor hun mouw vroegen. Toen het te erg werd, begon de SS alleen maar te razen en te tieren tegen de bekeerlingen en gooide hen eruit. Ten slotte kreeg de SS er zo schoon genoeg van dat zij de asocialen uit ons blok weghaalden, en de vrede keerde weer terug. Ik slaakte een zucht van verlichting, en de „Getuigen” hielden een gebedsbijeenkomst om Jehovah te danken.
GELOOF IS PRAKTISCH VOOR U
Het is tragisch dat mensen, om welke reden maar ook, de verschrikkingen van de nazi-concentratiekampen hebben moeten meemaken. Toch is dit gebeurd. Wat kunnen wij hieruit leren?
Het verslag in „Onder twee dictators” getuigt van het geloof dat die christelijke vrouwen bezaten. Het was beslist niet een geloof dat zij voor het gemak bezaten. Toch moet het ons ook opvallen dat het veel praktische voordelen voor hen afwierp om overeenkomstig zo’n krachtig geloof in God te leven, ondertussen geduldig wachtend op de tijd waarin God alle goddeloosheid van de aarde zal verwijderen.
Hun geloof schonk hun maatstaven. Het hielp hen hun mentale en morele evenwicht te bewaren. Hun gezondheid werd niet ondermijnd door gepieker en hun kracht ebde niet weg door wanhoop. Aldus hielp hun geloof hen om van dag tot dag inleven te blijven.
De psycholoog Bruno Bettelheim heeft Jehovah’s Getuigen persoonlijk in de kampen gadegeslagen. Hij schreef dat zij „niet alleen ongewone hoogten van menselijke waardigheid en moreel gedrag te zien gaven, maar beschermd schenen te zijn tegen dezelfde kampervaring die binnen korte tijd mensen te gronde richtte die door mijn psychoanalytische vrienden en mijzelf als goed geïntegreerde persoonlijkheden werden beschouwd”. — The Informed Heart (wij cursiveren).
The Dungeon Democracy voegt hieraan toe: „Zij waren voor sommigen een voorwerp van spot, maar zij negeerden dit en bewaarden hun menselijke waardigheid, terwijl de anderen deze vol minachting verkwanselden ten einde in de verbeten strijd om in leven te blijven, een machtspositie te veroveren.”
Ook al zult u nooit in die mate lijden ondergaan, gelooft u dan niet dat zo’n geloof u kan helpen? Evenals alle andere mensen in deze tijd, moet ook u dagelijks problemen en druk onder de ogen zien. Maar geloof in God zal u helpen een rustiger leven te leiden.
Geloof in God en zijn Woord zal ook praktisch blijken te zijn in uw omgang met andere mensen. Wanneer u bijvoorbeeld overeenkomstig een diep geloof leeft, zullen anderen u waarschijnlijk met meer eerlijkheid en respect bejegenen. Klinkt dat onwaarschijnlijk in de zelfzuchtige, meedogenloze wereld waarin wij leven? Welnu, beschouw dan Bettelheims opmerkingen over de Getuigen in het kamp: „Ook al waren zij de enige groep gevangenen die andere gevangenen nooit uitscholden of mishandelden (integendeel, zij waren gewoonlijk bijzonder hoffelijk jegens medegevangenen), gaven SS-officieren er de voorkeur aan hen als opzichters aan te stellen wegens hun werkgewoonten, vaardigheden en bescheiden houding.”
In deze tijd gebeurt hetzelfde. Wegens hun geloof en Gods geest streven Jehovah’s Getuigen er nog altijd naar vriendelijk, zachtaardig, eerlijk en ijverig te zijn (Gal. 5:23; Rom. 12:16-18, 21; Jak. 3:13; Ef. 4:28). Daarom worden zij vaak als werknemers gewaardeerd. Vaak hebben zij het betrekkelijk gemakkelijk gevonden een baan te krijgen, terwijl men hen in dienst houdt wanneer anderen worden ontslagen, en ook maken zij vaak promotie en verwerven vertrouwensposities.
Geloof kan ook op veel andere manieren praktisch blijken te zijn. Het kan jongeren helpen gelukkiger te zijn, doordat zij een werkelijk doel in het leven hebben. Het is praktisch in verband met het gezinsleven en kwesties die met seks verband houden. Het kan u een betere gezondheid en een langer leven schenken.
Wat velen echter als het belangrijkste bewijs beschouwen dat geloof werkelijk praktisch is, wordt beklemtoond door de woorden in Hebreeën 11:6. De apostel Paulus schreef daar: „Bovendien is het zonder geloof onmogelijk [God] welgevallig te zijn, want wie tot God nadert, moet geloven dat hij bestaat en dat hij de beloner wordt van wie hem ernstig zoeken.”
Miljoenen getuigen van Jehovah zien in geloof uit naar Gods beloofde beloning van leven in vrede, rechtvaardigheid en geluk op aarde (2 Petr. 3:13). Wij sporen u ertoe aan via hen meer te weten te komen over die beloning en over de wijze waarop geloof thans, en tot in alle eeuwigheid, praktisch kan zijn in uw leven.
[Voetnoten]
a Uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society of New York, Inc. (1981).
b De asocialen waren prostituées, daklozen, zakkenrolsters, alcoholistes en andere „nutteloze elementen”.
[Illustratie op blz. 8]
Gertrude Pötzinger in 1944. Zij was een van de 275 getuigen van Jehovah die in Ravensbrück gevangen zaten
[Illustratie op blz. 9]
Gertrude Pötzinger zoals zij er thans uitziet. Zij is werkzaam op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen