De dood herdenken van de belangrijkste man die ooit op aarde heeft geleefd
„ZIET! De mens!” Die woorden werden niet uitgesproken toen de volmaakte man Adam meer dan 6000 jaar geleden in de hof van Eden werd geschapen. Ze werden ongeveer 4058 jaar later uitgesproken ten aanzien van een man die volledig met Adam overeenkwam. Deze man was door een wonder uit een joodse maagd, Maria, de dochter van Eli van Bethlehem, geboren. Hij heette Jezus en hij was Gods Zoon, wiens leven door Gods macht uit de hemel was overgebracht. Ten einde de weg voor zijn terugkeer naar de hemel te bereiden, was hij door de geest van zijn hemelse Vader verwekt. Dit gebeurde onmiddellijk nadat hij in de herfst van 29 G.T. door Johannes de Doper in de rivier de Jordaan was gedoopt. God sprak daar vanuit de hemel en verklaarde dat de pasgedoopte Jezus zijn Zoon was. Johannes de Doper getuigde van dit feit. — Joh. 1:29-36.
Drie en een half jaar later, op de paschadag van het voorjaar van 33 G.T., stond hij terecht voor de Romeinse bestuurder van de provincie Judéa, Pontius Pilatus. Het joodse hof in de hoofdstad Jeruzalem had hem gedurende de paschanacht berecht en had hem voor een verhoor aan de Romeinse bestuurder overgeleverd, opdat het doodsoordeel dat zij over hem hadden uitgesproken, door het Romeinse gezagsorgaan bevestigd zou worden. Als een vervulling van de bijbelse profetie in Psalm 41:9 was hij door het verraad van een van zijn eigen twaalf apostelen, Judas Iskáriot, in handen van zijn joodse vijanden gevallen. Bestuurder Pilatus verklaarde dat Jezus zich niet schuldig had gemaakt aan datgene wat hem door het joodse hooggerechtshof ten laste werd gelegd. Hij maakte dit aan de schare joden die buiten het paleis van de bestuurder waren vergaderd, kenbaar. Hun vijandige reactie was: „Aan de paal met hem! Aan de paal met hem!” Men had een doornenkroon op Jezus’ hoofd gezet, terwijl zijn Romeinse folteraars hem een purperen mantel hadden omgedaan. In overeenstemming met Jezus’ tooi, de kroon en de purperen mantel, probeerde bestuurder Pilatus een beroep te doen op de gevoelens van de joden, die lang voordien hun koninkrijk waren kwijtgeraakt, door tot hen uit te roepen: „Ziet! Uw koning!” Onder aanvoering van hun overpriesters, schreeuwden de joden huichelachtig terug: „Wij hebben geen andere koning dan caesar.” — Joh. 19:5-15.
Later op diezelfde dag stierf Jezus aan een terechtstellingspaal en werd zijn lichaam in een tuingraf gelegd. Evenals het paschalam dat zijn apostelen de avond voordien hadden gegeten, was hij gestorven zonder dat een been van zijn lichaam was gebroken (Ex. 12:46; Ps. 34:20). De getrouwe apostelen hadden de opdracht gekregen zijn dood jaarlijks op de paschadag te vieren. Onmiddellijk nadat Jezus zich van zijn eigen verplichting onder de joodse wet had gekweten door het paschamaal met zijn apostelen te nuttigen, stelde hij onder hen iets in waardoor zijn dood zou worden herdacht. Het kwam bekend te staan als het Avondmaal, of het Avondmaal des Heren. Het geïnspireerde verslag over de instelling van dit nieuwe avondmaal luidt:
„Terwijl zij verder [het paschamaal] aten, nam Jezus een brood, en na de zegen te hebben uitgesproken, brak hij het en gaf het aan de discipelen en zei: ’Neemt, eet. Dit betekent mijn lichaam.’ Ook nam hij een beker, en na een dankgebed te hebben uitgesproken, gaf hij die aan hen, terwijl hij zei: ’Drinkt allen hieruit; want dit betekent mijn „bloed van het verbond”, dat ten behoeve van velen vergoten zal worden tot vergeving van zonden. Maar ik zeg u: Van nu af zal ik geenszins meer iets van dit produkt van de wijnstok drinken tot op die dag waarop ik het met u nieuw zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.’ Tenslotte gingen zij, na het zingen van lofzangen, naar de Olijfberg.” — Matth. 26:26-30.
Nog tijdens het paschamaal had Jezus de verraderlijke discipel Judas Iskáriot weggestuurd. De volgende woorden van Jezus tot de elf overgebleven discipelen waren dus niet op die ontrouwe discipel van toepassing: „Van nu af zal ik geenszins meer iets van dit produkt van de wijnstok drinken tot op die dag waarop ik het met u nieuw zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader” (Matth. 26:29). Die woorden konden niet betekenen dat zij gedurende de duizendjarige regering van de Messías Jezus als onderdanen van het Koninkrijk in het vlees op aarde zouden zijn. Tegen die tijd zouden zij immers al lang dood zijn en zouden zij na de „oorlog van de grote dag van God de Almachtige” te Har–mágedon een opstanding tot menselijk leven op aarde nodig hebben (Openb. 16:14-16). Dit was echter niet wat Jezus in gedachten had met betrekking tot zulke getrouwe discipelen, zoals deze elf. Hij had in gedachten dat zij door een opstanding uit de doden tot geestelijk leven bij hem in het hemelse koninkrijk zouden zijn.
Gedurende het voorafgaande jaar (32 G.T.), had hij tot deze discipelen gezegd: „Uw Vader weet dat gij deze dingen nodig hebt. Zoekt niettemin voortdurend zijn koninkrijk, en deze dingen zullen u worden toegevoegd. Vreest niet, kleine kudde, want uw Vader heeft het goedgekeurd u het koninkrijk te geven” (Luk. 12:30-32). Met het oog op het feit dat de hemelse Vader hun het hemelse koninkrijk wilde geven, zou er een ’verbond voor het Koninkrijk’ met hen gesloten moeten worden, en hiernaar verwees de Heer Jezus toen hij in verband met het avondmaal ter herdenking van zijn dood tot de elf getrouwe apostelen zei: „Doch gij zijt degenen die in mijn beproevingen steeds bij mij zijt gebleven; en ik sluit een verbond met u, evenals mijn Vader een verbond met mij heeft gesloten, voor een koninkrijk, opdat gij in mijn koninkrijk aan mijn tafel moogt eten en drinken, en op tronen moogt zitten om de twaalf stammen Israëls te oordelen.” — Luk. 22:28-30.
Hieruit blijkt onmiskenbaar duidelijk dat degenen die aan de eerste viering van het Avondmaal des Heren deelnamen, in aanmerking kwamen voor het hemelse koninkrijk met de verheerlijkte Heer Jezus Christus. Evenzo moesten alle latere deelnemers aan de viering van het Avondmaal des Heren personen zijn die de hemelse roeping hebben en die Jezus Christus in het ’verbond voor het Koninkrijk’ brengt.
Aan christenen van deze klasse zond de apostel Paulus ongeveer 22 jaar later (omstreeks 55 G.T.) zijn brief waarin hij zowel het Avondmaal des Heren als de opstanding der doden, dat wil zeggen, „de eerste opstanding” bespreekt. Hij schreef aan hen: „Zo is het ook met de opstanding der doden. Het wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Het wordt gezaaid als een fysiek lichaam, het wordt opgewekt als een geestelijk lichaam. Indien er een fysiek lichaam is, dan is er ook een geestelijk lichaam. . . . Zoals de hemelse is, zo zijn ook zij die hemels zijn. En evenals wij het beeld hebben gedragen van degene die van stof gemaakt is [Adam], zo zullen wij ook het beeld van de hemelse dragen.” — 1 Kor. 15:42-49; Openb. 20:5, 6.
Voordat de apostel Paulus de opstanding besprak, schreef hij echter het volgende over de jaarlijkse viering van het Avondmaal des Heren: „Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik ook aan u heb doorgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin hij overgeleverd zou worden, een brood nam en, na gedankt te hebben, het brak en zei: ’Dit betekent mijn lichaam, dat ten behoeve van u is. Blijft dit tot mijn gedachtenis doen.’ Evenzo deed hij ook met betrekking tot de beker, nadat hij het avondmaal [met het brood] had gebruikt, en hij zei: ’Deze beker betekent het nieuwe verbond krachtens mijn bloed. Blijft dit, zo dikwijls als gij hem drinkt, tot mijn gedachtenis doen.’ Want zo dikwijls als gij dit brood eet en deze beker drinkt, blijft gij de dood des Heren verkondigen totdat hij gekomen zal zijn.” — 1 Kor. 11:23-26.
Het was van groot geestelijk belang dat zij aldus „de dood des Heren [zouden] verkondigen”, want daardoor verschilden zij van de natuurlijke joden. In plaats dat zij jaarlijks het paschamaal gebruikten en hun bevrijding uit het onderdrukkende land Egypte vierden, zouden zij de dood herdenken van degene die door het in Egypte geofferde paschalam werd gesymboliseerd of afgeschaduwd. Dat oude paschalam deed dienst ten behoeve van de bevrijding van de natuurlijke Israëlieten uit de slavernij in Egypte, maar bevrijdde hen niet van de veroordeling als gevolg van zonde. De dood van het „Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt”, schenkt de discipelen van Jezus Christus daarentegen bevrijding van de veroordeling als gevolg van zonde en bewerkt dat zij niet langer deel uitmaken van dit wereldse samenstel van dingen, het tegenbeeldige Egypte. Christus’ dood herinnert de discipelen ook aan de basis voor het nieuwe verbond, Gods regeling door middel waarvan hij uit de wereld een volk voor zijn naam neemt, omdat Jezus Christus, de Grotere Mozes, de middelaar van dit ’nieuwe verbond’ is (Jer. 31:31-33). Zijn dood herinnert hen ook aan het ’verbond voor een koninkrijk’, in welk verbond zij zijn opgenomen. Zij moeten nooit uit het oog verliezen dat zij tot dat hemelse koninkrijk zijn geroepen om medeërfgenamen te zijn met Jezus Christus, de nakomeling van koning David, de „Koning der koningen en Heer der heren”. — Openb. 19:16.
MET SCHAPEN TE VERGELIJKEN TOESCHOUWERS TIJDENS DE VIERING
In deze tijd, vlak voor het einde van dit ten ondergang gedoemde samenstel van dingen, is er slechts een overblijfsel van Christus’ discipelen die te zamen met hem erfgenamen van het hemelse koninkrijk zijn. Hun jaarlijkse Gedachtenisviering is echter van het grootste belang voor een toenemend aantal mensen van alle nationaliteiten. Dezen zijn erg blij met de uitnodiging aanwezig te zijn op de viering van het Avondmaal des Heren, zoals dit wordt gevierd door het overblijfsel van de geestelijke Israëlieten, die zowel in het nieuwe verbond als in het Koninkrijksverbond zijn opgenomen. Ook zij hebben deze door de Duivel beheerste wereld de rug toegekeerd en zijn te zamen met het overblijfsel van de geestelijke Israëlieten op weg naar een beter land, een Beloofd Land, Gods nieuwe samenstel van dingen onder het koninkrijk van Jezus Christus en zijn 144.000 medeërfgenamen. Zij werden afgeschaduwd door het grote gemengde gezelschap van niet-Israëlieten dat op die eerste paschanacht het door demonen beheerste Egypte verliet en dat zich bij de vertrekkende Israëlieten aansloot en Jehovah God ging aanbidden (Ex. 12:38). Dit ’grote gemengde gezelschap’ vond te zamen met de Israëlieten ontkoming door de Rode Zee; zij waren er getuige van hoe Jehovah zijn volk aldaar bevrijdde en zij deelden in die bevrijding. Hier konden zij zich ook over verheugen!
Het hedendaagse ’grote gemengde gezelschap’ metgezellen van het overblijfsel van de geestelijke Israëlieten werd afgeschaduwd door de „grote schare” die niet geteld kon worden en die de apostel Johannes als een vreugdevolle groep heilige dienst in Jehovah’s tempel zag verrichten. Aangezien zij zich van deze verontreinigde oude wereld hebben afgescheiden, werden zij afgebeeld als „gehuld in lange witte gewaden” en met „palmtakken in hun handen”. Evenals het overblijfsel van de geestelijke Israëlieten hebben zij zich onvoorwaardelijk aan Jehovah God opgedragen door bemiddeling van zijn Lam, Jezus Christus, en hebben zij deze opdracht gesymboliseerd door de waterdoop. Zij zien ernaar uit dat zij uit de „grote verdrukking”, die elk moment voor de ten ondergang gedoemde wereld kan aanbreken, te voorschijn zullen komen, waarna zij eigenlijk pas in de ware betekenis vreugdevol kunnen uitroepen: „Redding hebben wij te danken aan onze God, die op de troon is gezeten, en aan het Lam” (Openb. 7:9, 10). Deze „grote schare” heeft derhalve meer dan overvloedige redenen om op de avond van de herdenking van de dood van dat Lam te zamen met het geestelijke overblijfsel bijeen te komen.
Vanaf de Gedachtenisviering in het voorjaar van 1936 hebben de leden van de „grote schare” zich vrij gevoeld om de viering van het Avondmaal des Heren bij te wonen, hoewel zij niet van de symbolen, het brood en de wijn, hebben gebruikt.a Sinds 31 mei 1935, toen op het congres van Jehovah’s Getuigen in Washington D.C. (VS) duidelijk werd gemaakt uit wie de grote schare van Openbaring 7:9-17 bestond, heeft het gezalfde overblijfsel hen speciaal uitgenodigd het Avondmaal als toeschouwers bij te wonen. Zij hebben dit uit een innige waardering voor het loskoopoffer van de Heer Jezus Christus gedaan. Dat zij niet van de symbolen gebruiken, komt niet doordat hun een onnatuurlijke, door mensen ingestelde beperking is opgelegd, maar is in overeenstemming met Gods Woord.
Waarom is dat zo? Omdat degene die het Avondmaal heeft ingesteld, hierbij in gedachten had dat degenen met wie hij een verbond voor het hemelse koninkrijk sloot, deze viering zouden onderhouden. Hoewel de leden van de „grote schare” zich aan God hebben opgedragen en zijn gedoopt, beseffen zij dat zij niet in dat verbond voor het Koninkrijk zijn opgenomen. Zij zijn geen geestelijke Israëlieten, aangezien zij niet zijn opgenomen in het ’nieuwe verbond’, dat via de Middelaar Jezus Christus met geestelijke Israëlieten is gesloten. Zij zijn niet verwekt door de heilige geest, met de uitstorting waarvan een begin werd gemaakt toen de 120 discipelen die op de pinksterdag van het jaar 33 G.T. in Jeruzalem bijeen waren, heilige geest ontvingen. Figuurlijk gesproken zijn zij niet „met Christus . . . gestorven” door alle toekomstige aardse vooruitzichten op leven in een aards Paradijs onder Gods koninkrijk op te geven. Zij verwachten niet met Christus „begraven” te worden, opdat zij „in de gelijkheid van zijn opstanding” met hem verenigd zullen worden. Indien zij dus van het brood en de wijn zouden gebruiken, die allereerst het vleselijke lichaam en het bloed van Jezus Christus symboliseren, zouden zij in strijd handelen met het feit dat zij niet in zulke regelingen met Jezus Christus, het Lam Gods, zijn opgenomen. Daarom hebben zij niet te zamen met het gezalfde overblijfsel deel aan deze symbolen. Dat zij er geen deel aan hebben, belet hen echter niet eeuwig leven te ontvangen, want dat wordt mogelijk gemaakt door geloof in Jezus Christus en de voorziening van het loskoopoffer. — Rom. 6:4, 5; Kol. 2:12, 20; 1 Joh. 2:1, 2.
De Voortreffelijke Herder Jezus Christus heeft hen echter als „andere schapen” bijeengebracht, en zij vormen „één kudde” met het overblijfsel van de geestelijke schapen, die in „deze kooi” zijn, de kooi waarover Jezus in Johannes 10:16 sprak. Zij beseffen dat hun redding tot eeuwig leven op de beloofde paradijsaarde van God afkomstig is en geschonken wordt door bemiddeling van deze Voortreffelijke Herder, tot wiens kudde zij nu behoren. Hoe zouden zij dan ooit kunnen verzuimen Christus eer te betonen door niet als eerbiedige toeschouwers aanwezig te zijn tijdens de viering van het Avondmaal, aangezien Christus deze viering heeft ingesteld ter herdenking van zijn dood, door middel waarvan hun barmhartige redding mogelijk is geworden? Het zou onredelijk zijn zo te handelen! En zij willen ook niet zo handelen. Zolang het overblijfsel van de erfgenamen van Gods hemelse koninkrijk ermee doorgaat het Avondmaal op aarde te vieren, beseffen zij dat zij verplicht zijn het Avondmaal des Heren als toeschouwers bij te wonen. Ook al bevinden zich op veel plaatsen in het geheel geen leden van het overblijfsel die van de symbolen gebruiken, toch zullen Jehovah’s Getuigen regelingen treffen voor de viering, aangezien zij de grootste achting hebben voor wat deze viering inhoudt en om personen onder de aanwezigen die eventueel tot het overblijfsel zouden blijken te behoren, in de gelegenheid te stellen van de symbolen te gebruiken.
Dit jaar zal het Avondmaal des Heren op 19 april 1981 na zonsondergang door Jehovah’s Getuigen worden gevierd. Allen die ter herdenking van de dood van het Lam Gods, Jezus Christus, aanwezig willen zijn, dienen zich in verbinding te stellen met de plaatselijke gemeente van Jehovah’s Getuigen. Eerbiedige personen die het adres van de plaatselijke gemeente niet weten, kunnen voor de nodige inlichtingen naar het Wachttorengenootschap schrijven.
[Voetnoten]
a Zie The Watchtower, 15 april 1936, blz. 123, par. 44, 46.