Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w81 15/1 blz. 25-30
  • Een soldaat die een prediker werd

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een soldaat die een prediker werd
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • AAN DE KONINKRIJKSPREDIKING DEELNEMEN
  • EEN BELANGRIJK VERLOF
  • HULP VAN EISENHOWERS MOEDER
  • EEN KRACHTIG STANDPUNT BLIJVEN INNEMEN
  • IN FRANKRIJK PREDIKEN
  • WEIGERING OM TE SCHIPPEREN
  • BEWIJS VAN JEHOVAH’S LEIDING
  • TERUG NAAR AMERIKA
  • Hoe groot is het getuigenis?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
  • Een samenzwering tegen . . . Jehovah’s naam?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1957
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Jaarboek van Jehovah’s getuigen 1976
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1976
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1981
w81 15/1 blz. 25-30

Een soldaat die een prediker werd

Zoals verteld door Richard A. Boeckel

TOEN ik gedurende de Tweede Wereldoorlog in het leger was, begon ik wat bijbelse lectuur te bestuderen. Terwijl ik al lezend naar een verklaring zocht, kwam de vraag in mij op: Hoe denkt God over de moeilijke situaties die wij thans in het leven meemaken?

Ik overlegde bij mezelf dat er in 1776, toen de Verenigde Staten werden geboren, dappere mannen waren geweest die hun leven voor hun land hadden gegeven, ja, van wie velen het jammer vonden dat zij slechts één leven te geven hadden. Maar toch vroeg ik me af welke eeuwige voordelen er eigenlijk uit hun edele offer waren voortgesproten. ’s Mensen grootste vijanden, ziekte en de dood, zijn er beslist niet door overwonnen, want alle mensen die toen leefden, liggen al lang in het graf.

De droeve waarheid is dat geen enkele menselijke regering de dood, of zelfs ziekte of ouderdom, kan overwinnen. Nu kwam ik echter meer te weten over de regering van Jehovah God, die deze vijanden kon en zou overwinnen. In een profetie over Gods koning, Jezus Christus, zegt de bijbel: „Want een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven: en de regering zal op zijn schouder zijn . . . Aan de toename van zijn regering en vrede zal geen einde zijn.” — Jes. 9:6, 7, Authorized Version.

Jezus leerde zijn volgelingen om deze regering van God te bidden. „Gij dan moet aldus bidden”, zei hij. „Onze Vader in de hemelen, uw naam worde geheiligd. Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde.” Deze Koninkrijksregering, die volgens de bijbel een eind zal maken aan ’dood, verdriet, geschreeuw en pijn’, is beslist superieur aan welke menselijke regering maar ook. En aangezien Jezus de aansporing gaf: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken”, begreep ik dat gehoorzaamheid aan Gods wetten de eerste plaats diende in te nemen in het leven van degenen die Zijn regering ondersteunen. — Matth. 6:9, 10, 33; Openb. 21:3, 4.

Toen ik hiervan overtuigd raakte, vroeg ik om ontslag; maar ik kreeg het niet.

AAN DE KONINKRIJKSPREDIKING DEELNEMEN

Wat ik leerde, doordrong mij van de christelijke verantwoordelijkheid het „goede nieuws van het koninkrijk” met anderen te delen (Matth. 24:14). Toen ik in Fort Francis E. Warren (Wyoming, VS) in garnizoen lag, begon ik in het nabijgelegen Cheyenne de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen bij te wonen en sloeg ik lectuur in. In de daaropvolgende weken verspreidde ik honderden boeken en brochures in het kamphospitaal en de slaapvertrekken. De kampautoriteiten kregen al gauw de lucht van deze predikingscampagne en probeerden erachter te komen wie hiervoor verantwoordelijk was. De mannen hielpen mij er echter bij dat ik niet werd ontdekt.

Ik ging van brits tot brits en sprak rustig met afzonderlijke personen of kleine groepjes. Ondertussen stonden soldaten bij de voor- en achterdeur van de slaapzaal op wacht. Als officieren mij zochten, waarschuwden de mannen mij en verdween ik via de andere deur. Ik ging dan naar slaapzalen in een ander gedeelte van het kamp en begon daar getuigenis te geven. Toen kreeg ik nog altijd niet mijn congé.

EEN BELANGRIJK VERLOF

In augustus 1944 kreeg ik verlof om het theocratische Verenigde Bekendmakers-​congres in Denver (Colorado, VS) te bezoeken. Ik geloof beslist dat het Jehovah’s leiding was dat dit verlof mij werd toegestaan, vooral met het oog op hetgeen er op het congres gebeurde.

Gedurende een van de zittingen zat ik naast Lotta Thayer, een Getuige uit Abilene (Kansas, VS). In de loop van ons gesprek kwam zij te weten welke problemen ik had om God in een militaire omgeving te dienen, waardoor ik in conflict kwam met hetgeen ik uit Jesaja 2:4 en verwante schriftplaatsen had geleerd.

„Weet u wie mijn buurvrouw is?” vroeg ze. „Generaal Eisenhowers moeder! Zij is een van Jehovah’s Getuigen. Zou u willen dat zij u schreef?”

„Nou, heel graag!”, riep ik uit.

HULP VAN EISENHOWERS MOEDER

Tegen het einde van augustus waren wij op manoeuvre in Colorado (VS). Ik weigerde wacht te lopen en werd in de tent van het hoofdkwartier ontboden. Toen ik de helft van de weg had afgelegd, kreeg ik de opdracht onder een jeneverbesstruik te wachten totdat ik werd geroepen. Ik zat nog niet lang of een soldaat riep: „Er is post!” en iemand bracht mij een brief. Ik had hem net uit toen ik opdracht kreeg mij te melden.

Toen ik de tent van het hoofdkwartier binnenkwam, waar alle stafofficieren bijeen waren, salueerde ik niet. Een van de officieren zei: „Salueer je je superieuren niet?”

„Nee, kapitein.”

„Waarom niet?”

Respectvol vermeldde ik mijn redenen, gebaseerd op mijn begrip van de bijbel. Hierop zei de kapitein: „Generaal Eisenhower moest jullie, Jehovah’s Getuigen, op een rij zetten en allemaal doodschieten!”

„Zou u denken dat hij zijn eigen moeder zou doodschieten, kapitein?” vroeg ik.

„Wat bedoel je daarmee?” kaatste hij terug.

Ik pakte zuster Eisenhowers brief uit mijn zak en gaf deze aan hem. „Ik heb net deze brief van de moeder van de generaal ontvangen terwijl ik wachtte totdat u mij zou roepen.”

Toen hij de briefa las, gingen de andere officieren om hem heen staan om ook mee te lezen. Nadenkend, en met een heel andere houding, gaf hij de brief aan mij terug. „Ga terug in de gelederen”, zei hij, „ik wil geen narigheid met de moeder van de generaal.”

Ida Eisenhower, wier zoon later president van de Verenigde Staten werd was destijds 82 jaar oud. Uit zuster Eisenhowers brief blijkt dat zij het grootste deel van haar leven een van Jehovah’s Getuigen is geweest. Haar brief had niet op een beter moment kunnen aankomen! Haar aanmoediging was precies wat ik nodig had.

EEN KRACHTIG STANDPUNT BLIJVEN INNEMEN

Hoewel ik moeite bleef doen om uit de dienst ontslagen te worden, werd mij dit niet toegestaan. Ik weigerde echter aan welke activiteit maar ook deel te nemen waarvan ik meende dat die rechtstreeks in strijd was met bijbelse beginselen. Bij een zekere gelegenheid ontstond hierdoor een komische situatie. Ongeveer zestig van ons hadden onze britsen in de slaapzaal in een enorme cirkel geplaatst om naar instructies van een bezoekende majoor te luisteren. Terwijl hij in het midden van de cirkel stond, draaide hij rond en wees met zijn vinger naar mij. „Jij daar — demonstreer eens hoe een handgranaat wordt geworpen.”

„Liever niet, majoor”, antwoordde ik.

„En waarom niet?”

„Omdat iemand gewond zou kunnen raken.”

Wel, de jongens, die allen mijn op de bijbel gebaseerde overtuiging kenden, rolden achterover op hun brits van het lachen, zodat de majoor in de verwarring die hierop volgde, mij niet meer kon terugvinden. Hij wendde zich daarom tot iemand anders.

IN FRANKRIJK PREDIKEN

Later, terwijl ik nog steeds mijn best deed om uit het leger te kunnen gaan, werd ik naar Frankrijk gestuurd. Ik aanvaardde de keer in de gebeurtenissen als Jehovah’s wil en besloot Hem te dienen, wat er ook zou gebeuren. Aldus openden zich in Frankrijk schitterende gelegenheden van Koninkrijksdienst voor mij. Het Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1981 vertelt hier kort iets over onder het opschrift „Een Amerikaanse soldaat maakt discipelen”.

Toen ik begin oktober 1944 in Frankrijk aankwam, maakte ik mijn soldij aan het Wachttorengenootschap in New York over met het verzoek wat Franse lectuur te zenden. Maandenlang hoorde ik er niets van.

Aangezien ik in de zomer van 1933 aan de Universiteit van Grenoble had gestudeerd, kende ik wat Frans. Ik kon dus overal waar wij waren — in Nancy, Dijon, Le Mans en Vittel — aan de plaatselijke bevolking getuigenis geven. Vaak kwam ik pas tegen middernacht weer in de kazerne terug, na vijf tot tien uur met de Koninkrijksboodschap van huis tot huis gewerkt te hebben.

Toen ik in Parijs was, ontmoette ik Henri Geiger, die destijds de activiteiten van Jehovah’s Getuigen in Frankrijk leidde. Via hem kreeg ik wat Franse lectuur. Maar aangezien de hoeveelheid zo klein was, gaf ik een huisbewoner drie of vier dagen een brochure te leen, waarna ik terugkeerde en de brochure ophaalde om die weer aan iemand anders uit te lenen. Mijn prediking, alsook mijn weigering om wapens te dragen of superieuren te salueren, trok veel aandacht. Maar nog altijd werd ik niet uit de dienst ontslagen!

WEIGERING OM TE SCHIPPEREN

Omstreeks de tijd dat de Duitsers in het Ardennenoffensief hun laatste grote aanval uitvoerden, werd ik bij het plaatselijke legerhoofdkwartier ontboden. Wegens het tekort aan frontsoldaten wilden zij dat ik de wapens zou opnemen. Ook gaven zij mij het bevel superieuren te salueren en met prediken op te houden. „Ik verwacht van jou dat je het werk van een goede soldaat doet”, zei de kolonel.

Ik legde aan de kolonel uit: „Als iedereen mijn op de bijbel gebaseerde morele raad zou aanvaarden, zouden de soldaten geen problemen hebben met dronkenschap of zou het niet nodig zijn hen voor geslachtsziekten te behandelen.”

De kolonel antwoordde hierop: „Amerika zou zijn soldaten niet het genoegen van seksuele gemeenschap onthouden, want Amerika is op dat beginsel gebouwd.”

Ik corrigeerde de kolonel en zei hem dat ik had begrepen dat Amerika gebouwd was op het beginsel van de eerbaarheid van het huwelijk en dat het geen overspel en hoererij voorstond. Hierop werd mij het volgende ultimatum gesteld: ’Ik moest met prediken ophouden of ik zou de volgende ochtend de kogel krijgen.’ Terwijl ik de woorden van de apostelen in Handelingen 4:19, 20 en 5:29 gebruikte, zei ik hun dat ik God meer moest gehoorzamen dan hen, en dat ik er daarom niet mee kon ophouden over Gods koninkrijk te spreken.

In plaats dat ik de kogel kreeg, werd ik gearresteerd en werd ik te werk gesteld om een latrine te graven. Zo gebeurde het dat ik bijna twee meter diep in een kuil aan het graven was, terwijl sergeant Randy Tarbell mij van bovenaf bewaakte. Na de oorlog studeerde Randy met John Booth, nu een lid van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen, en thans is Randy een christelijke ouderling.

BEWIJS VAN JEHOVAH’S LEIDING

Aangezien de behoefte aan frontsoldaten nog steeds groot was, werd een jonge soldaat uit Vittel overgeplaatst en werd ik daarheen gestuurd om hem te vervangen. Nu was ik dus niet langer onder arrest. En in plaats dat ik in een provisorische tent woonde, had ik nu een kamer met een echt bed in Vittels luxe Hôtel des Grandes Sources!

De eerste dag na aankomst ontving ik een grote doos met ongeveer zestig boeken — de lectuur die ik bijna vijf maanden voordien bij het Wachttorengenootschap had besteld. De doos was mij steeds nagestuurd, maar had mij iedere keer net niet bereikt. Ik verborg hem onder mijn bed. Het was de eerste plaats tijdens mijn rondreizen waar ik veilig bijbelse lectuur kon bewaren. Dit moet beslist Jehovah’s leiding zijn geweest. Maar behalve Franse boeken had het Genootschap ook boeken in het Italiaans, Russisch en Duits gestuurd. „Waarom?” dacht ik bij mijzelf. „Weten zij niet dat ik in Frankrijk ben?”

Welnu, de volgende ochtend ging ik naar beneden naar de eetzaal, en wat zag ik daar? Ik was dolenthousiast! Er waren ongeveer vijftig Italiaanse soldaten! Tegen deze tijd, in februari 1945, hadden zij zich bij de geallieerden aangesloten in de strijd tegen de nazi’s. Dat was echter nog niet alles. Er bevonden zich ook ongeveer vijftig Russische soldaten in het hotel. Terwijl ik gedurende de volgende paar dagen in de kantine met hen at, kon ik in talen die wij gemeenschappelijk spraken, met hen van gedachten wisselen en verspreidde ik alle Italiaanse en Russische boeken.

Maar hoe stond het met de Duitse boeken? Toen ik later in Nancy was, ontmoette ik zestig Duitse gevangenen. Aangezien ik Duits sprak, kon ik getuigenis aan hen geven. Wat waren zij blij iets te lezen te hebben! En wat werd het mij duidelijk dat Jehovah de Koninkrijksprediking leidt! Ik ben ervan overtuigd dat dit alles nooit door toeval had kunnen gebeuren.

Gedurende de weken dat ik in Vittel was, bezocht ik elk huis in de stad met de Koninkrijksboodschap. Eén bezoek zal ik nooit vergeten. Het was bij André en Suzanne Perrin. Wij schaarden ons te zamen met hun kinderen rondom de tafel en studeerden tot middernacht. Toen ik de volgende ochtend voorbijkwam, riep Suzanne mij toe: „Monsieur Richard, weet u wat ik heb gedaan nadat u gisternacht was weggegaan? Ik heb mijn kruisen, mijn beelden, heilige maagden, rozenkransen allemaal verbrand — ze zijn allemaal het vuur in gegaan!”

Niet lang geleden schreef Suzanne mij dat ongeveer vijftig personen met de gemeente in Vittel verbonden zijn. Hoewel haar man is gestorven, zijn zij, haar zoon en andere familieleden actieve Getuigen. Ik acht het een groot voorrecht dat ik in de tijd dat ik op mijn ontslag uit het leger wachtte, zaadjes van Koninkrijkswaarheid in Frankrijk mocht zaaien en heb kunnen zien dat sommige ervan vruchten voortbrachten.

TERUG NAAR AMERIKA

De oorlog in Europa eindigde enkele weken later, in het begin van mei. Kort daarna gingen wij terug naar Amerika.

Wij werden naar Camp Lee (Virginia) gestuurd, waar wij in garnizoen gingen totdat wij uit de dienst werden ontslagen. Ik nam contact op met de plaatselijke groep van Jehovah’s Getuigen en besteedde bijna al mijn tijd aan de prediking, zowel bij de huizen van de plaatselijke bevolking als in het enorme legerkamp. Elke dag ging ik met een boodschappentas vol met ongeveer 25 bijbelverklarende boeken op stap en verspreidde ze allemaal. De broeders moesten voortdurend speciale reizen naar Richmond ondernemen om hun lectuurvoorraden aan te vullen.

Toen kwam het laatste weekend vóór ons ontslag. Ik had nog drie dagen dat ik in het leger kon prediken. Er was geen lectuur meer overgebleven. Wat nu te doen? Ik ging de barakken in waar alle mannen op hun ontslag uit de dienst wachtten. Terwijl ik in de deuropening stond, riep ik met luide stem: „Mannen, mag ik jullie aandacht! Ik heb een boodschap voor jullie en iets dat jullie mee naar huis kunnen nemen en waarvan jullie een jaar lang kunnen genieten.”

Hierop schaarden zij zich om mij heen en gaf ik getuigenis, waarbij ik beklemtoonde dat Gods koninkrijk de enige hoop voor de mensheid is. Ik bood de tijdschriften De Wachttoren en Vertroosting (nu Ontwaakt!) aan en sloot abonnementen bij hen af. Soms kon ik in één barak wel twaalf abonnementen afsluiten. Het laatste abonnement sloot ik om 2 uur ’s nachts af, in de bus naar New York. Ik kwam met $203 thuis voor 203 abonnementen. Mijn dienst in het leger eindigde met een eervol ontslag.

In de bijna 35 jaar die sindsdien zijn verstreken, is mijn overtuiging betreffende Gods koninkrijk in het geheel niet verzwakt. Nadat ik uit het leger was gekomen, kon ik mijn doel nastreven om God als een evangelist te dienen. Ik heb in de loop der jaren veel voorrechten in de christelijke gemeente genoten en verricht op het ogenblik dienst als een ouderling. Ook ben ik nu reeds dertien jaar actief in de volle-tijddienst, ten einde het goede nieuws bekend te maken over Gods koninkrijk, de enige regering die blijvende vrede op aarde kan bewerkstelligen.

[Voetnoten]

a Wij citeren hier een gedeelte van zuster Eisenhowers brief aan de heer Richard Boeckel:

„Geachte Heer, Een vriendin die het Verenigde Bekendmakers-​congres van Jehovah’s Getuigen heeft bijgewoond, vertelde me u daar ontmoet te hebben. Ik verheug me met u in uw voorrecht zo’n congres te kunnen bijwonen. . . . Mijn vriendin vertelde me over uw wens een brief te ontvangen van generaal Eisenhowers moeder, van wie u had gehoord dat zij een van de getuigen van Jehovah is. Dat ben ik inderdaad, en wat is het een glorierijk voorrecht dit te mogen zijn, te zamen met de Getuigen in deze tijd en degenen die helemaal vanaf Abel via de annalen van de bijbelse geschiedenis aan ons bekend zijn geworden . . .”

[Inzet op blz. 26]

’Mijn buurvrouw is Eisenhowers moeder’, zei de vrouw. ’Zij is een van Jehovah’s Getuigen’

[Inzet op blz. 27]

„Ga terug in de gelederen”, zei de kapitein, „ik wil geen narigheid met de moeder van de generaal”

[Inzet op blz. 28]

In plaats dat ik de kogel kreeg, werd ik gearresteerd en werd ik te werk gesteld om een latrine te graven

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen