Bijbelse waarheid toont de weg naar zekerheid
— Bericht uit Dominicaanse Republiek
ONGEVEER 960 kilometer ten oosten van Florida, tussen de eilanden Cuba en Porto Rico, ligt het Caribische eiland Hispaniola. Het oostelijke tweederde deel van dit eiland wordt ingenomen door de Dominicaanse Republiek. Het land is rijk aan water, wat gunstig is voor een goede landbouw. Tot de produkten behoren suikerriet, koffie en cacao, alsook vruchten als papaja’s, bananen, manga’s en ananassen.
De bevolking van de Dominicaanse Republiek is vriendelijk en verzot op levendige gesprekken. Zij gebaren met hun handen, hun gezicht en zelfs met hun gehele lichaam. Veel Dominicanen zijn protestants, maar de meesten zijn rooms-katholiek, evenals dit het geval was met de Europese kolonisten die gedurende de vijftiende eeuw uit Spanje naar het eiland Hispaniola kwamen.
Hoe zou de hartelijke en nederige bevolking van dit Caribische land op de bijbelse waarheid reageren? Op 1 april 1945 begonnen zendelingen van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead hier een onderzoek naar in te stellen. Zij namen hun intrek in een hotel in het hartje van Santo Domingo en zochten diezelfde dag een arts op die te kennen had gegeven dat hij de bijbel wilde bestuderen en wiens adres aan hen was gegeven toen zij in New York woonden. De arts nodigde hen binnen en begon de Schrift te bestuderen. Een buurman sloot zich bij deze besprekingen aan. Als gevolg hiervan waren Juan Pedro Green en Moisés Rollins de eerste Dominicanen die Jehovah’s Getuigen werden.
De verbreiding van de bijbelse waarheid onder de Dominicanen bleef niet beperkt tot Santo Domingo, maar strekte zich al gauw uit tot het binnenland. De zendelingen gingen noordwaarts naar Santiago, de op één na grootste stad in de republiek. Daarna trokken zij nog verder naar het noorden, en wel naar Puerto Plata aan de zeekust. In deze plaatsen luisterden velen met grote belangstelling naar bijbelse waarheden die zij in hun kerk nog nooit hadden gehoord.
Kort nadat Jehovah’s Getuigen in de Dominicaanse Republiek met hun predikingsactiviteiten waren begonnen, kregen zij bezoek van N. H. Knorr en F. W. Franz, destijds president en vice-president van het Wachttorengenootschap. Als gevolg van dat bezoek werden meer zendelingen naar het land gestuurd. Na verloop van tijd kwamen er zendelingenhuizen in Santiago, Puerto Plata, San Francisco de Macorís, La Romana en San Pedro de Macorís.
Eind 1946 waren er 28 Getuigen in de republiek. Aangezien de meeste mensen hier nog niet eens op de hoogte waren van de meest fundamentele bijbelse leerstellingen, klonk de boodschap die door dit groepje werd verkondigd, hun vreemd in de oren. Het aantal Getuigen groeide in het begin langzaam. Kort nadat zij met hun werk waren begonnen, ontmoetten zij zelfs hevige tegenstand. Zoals de psalmist David had gezegd, werd Jehovah echter ’hun veilige hoogte in tijden van nood’. — Ps. 9:9.
De volgelingen van Jezus Christus nemen een neutraal standpunt in met betrekking tot menselijke politieke aangelegenheden en conflicten. Op grond hiervan verwachten zij dat zij op sommige plaatsen vervolgd zullen worden (Joh. 15:18-20). De oppositie tegen Jehovah’s Getuigen in de Dominicaanse Republiek begon in 1948. Het land werd destijds door dictator Rafael Trujillo bestuurd. In 1948 aanvaardde een bekend lid van Trujillo’s Partido Dominicano (Dominicaanse Partij) de bijbelse boodschap die door Jehovah’s Getuigen werd verkondigd en bracht belangrijke veranderingen in zijn leven aan. Hij begon de bijbelse boodschap moedig met anderen in zijn woonplaats San Cristobal te delen. Regeringsfunctionarissen aldaar waren niet erg ingenomen met de positieve wijze waarop mensen op die boodschap reageerden. Een katholieke priester en plaatselijke schrijvers verhieven hun stem en veroordeelden de activiteiten van Jehovah’s Getuigen. In juni 1950 kwamen de Getuigen onder een officiële verbodsbepaling. De bepaling werd in 1956 opgeheven maar een jaar later opnieuw opgelegd. Ze bleef tot 1960 van kracht.
Onder de verbodsbepaling dienst verrichten
Had de verbodsbepaling tot gevolg dat de bekendmaking van de bijbelse waarheid door Jehovah’s Getuigen een halt werd toegeroepen? Integendeel, dit werk genoot voorspoed. Zoals hierboven reeds werd opgemerkt, waren er in 1946 28 Getuigen in de Dominicaanse Republiek. Toen de verbodsbepaling in 1960 werd opgeheven, was dit aantal tot 460 gegroeid.
De jaren 1961 en 1962 waren een periode van reorganisatie. Het Wachttorengenootschap trof er regelingen voor dat reizende vertegenwoordigers de gemeenten bezochten en versterkten. In 1961 werden zeventien volle-tijdevangelisten naar gebieden van de republiek gezonden die nog niet eerder met de boodschap waren bereikt. Deze krachtsinspanningen bleken vruchtbaar te zijn, en tegen 1963 toonden meer dan duizend Dominicanen op een actieve wijze dat zij het eens waren met de woorden van de psalmist: „Gij, ja, gij alleen, o Jehovah, doet mij in zekerheid wonen.” — Ps. 4:8.
De afgelegen gebieden bereiken
Tegen 1973 werd het bijbelse opvoedkundige werk in alle steden en grote plaatsen van dit land verricht. In december van dat jaar trof het Genootschap er regelingen voor dat er ook in de geestelijke behoeften werd voorzien van de mensen die in afgelegen gebieden woonden. De gemeenten ontvingen brieven waarin verkondigers ertoe werden uitgenodigd twee maanden naar zulke afgelegen gebieden te gaan om daar te prediken. Negentien „gewone pioniers” (volle-tijdpredikers) boden zich vrijwillig voor deze speciale dienst aan. Tussen december 1973 en januari 1977 werden zes groepen georganiseerd en naar plaatsen gezonden waar voorheen weinig of geen activiteit van Jehovah’s Getuigen was geweest. Hoe gingen deze vrijwilligers te werk? Een van hen vertelt:
„Eerst gingen wij naar een centraal gelegen plaats in het gebied waar wij zouden prediken. Wij huurden een oude ’keuken’ (een hutje met strodak, dat naast de huizen werd gebouwd). Daar namen wij onze intrek, en het enige waarover wij beschikten, was een klein bed, een petroleumstel, een snelkookpan en dergelijke. Elke dag stonden wij vroeg op, nuttigden een goed ontbijt en voorzagen onszelf van een heleboel lectuur waarin fundamentele bijbelse leerstellingen werden uitgelegd. Aan het begin van de dag waren wij zwaar bepakt met lectuur. Dit duurde echter niet lang. De mensen luisterden met grote belangstelling naar het Woord van God. Naarmate wij verder predikten, werden de dozen met publikaties lichter.
Nadat wij een hele dag hadden gewerkt om de bijbelse boodschap bekend te maken en lectuur bij de mensen achter te laten, gebruikten wij de volgende dag om nabezoeken te brengen bij degenen die belangstelling hadden getoond. Aangezien de plattelandsbevolking weinig geld had, ruilden wij bijbelse publikaties voor kippen, eieren en vruchten. Dank zij Jehovah hebben wij nooit honger gehad.”
De reactie van de bewoners in deze afgelegen gebieden was opmerkelijk. Velen hoorden voor de allereerste keer in hun leven uit de bijbel voorlezen. In sommige gevallen hadden religieuze leiders de mensen verteld dat Jehovah de Duivel is. Wat waren zij verbaasd bijbelteksten te lezen als: „Gij, wiens naam Jehovah is, gij alleen [zijt] de Allerhoogste . . . over heel de aarde.” „Jah Jehovah is mijn sterkte en mijn macht, en hij werd mij tot redding”! (Ps. 83:18; Jes. 12:2) In sommige plaatsen was de belangstelling zo groot dat er openbare vergaderingen werden georganiseerd. Een van deze bijeenkomsten werd door 68 personen bijgewoond. Zij wilden zo graag meer over het Woord van God te weten komen dat zij aanboden een huis te huren om „een kerk op te richten”. Zij hunkerden werkelijk naar geestelijke zekerheid. „Sommigen huilden toen wij vertrokken”, vertelt een van de pioniers. Er worden plannen gemaakt om predikingsveldtochten in deze plaatsen te houden.
Bij een zekere gelegenheid zei Jezus tot zijn luisteraars: „Komt allen tot mij die zwoegt en zwaar beladen zijt, en ik zal u verkwikken” (Matth. 11:28). Veel mensen in de Dominicaanse Republiek vinden die verkwikking, te zamen met geestelijke zekerheid, doordat Jehovah’s Getuigen het „goede nieuws” in dit land blijven prediken. — Matth. 24:14.