Jehovah — een veilige hoogte
In een Zuidamerikaans land studeerde een voormalig vakbondsbestuurslid met Jehovah’s Getuigen, aanvaardde de bijbelse waarheid en werd gedoopt. In diezelfde maand werd hij, toen hij van zijn werk naar huis ging, door de militaire politie aangehouden, die hem om zijn identificatiekaart vroeg. Toen hij deze gaf, werd hem bevolen in een legerwagen te stappen. Hij vroeg aan de dienstdoende commandant of hij zijn vrouw kon inlichten, maar kreeg te horen dat dit onmogelijk was. Hij scheen wegens zijn vroegere vakbondconnecties voor een communist te worden aangezien.
Hij werd geblinddoekt en naar een met prikkeldraad omsloten ruimte gereden, waar ongeveer honderd mannen waren die, eveneens voor communisten werden gehouden, alsook enkele geharde misdadigers, met inbegrip van iemand die van zesvoudige moord werd beschuldigd. ’s Avonds begon het koud te worden, maar de mannen kregen geen beddegoed, zodat zij hun benen optrokken en als dieren op de grond sliepen. De volgende ochtend vroeg zette een van de bevelvoerende officiers hen op een rij en gaf hun bevel het nationale volkslied te zingen en de vlag te groeten. De Getuige weigerde deze dingen te doen, waarvoor de officier hem bespotte.
De gevangenen kregen ’s middags één maal. De anderen merkten op dat de Getuige vóór het eten in stilte bad, en begonnen hem te bespotten en zelfs zijn gebed te verstoren. Op de derde dag dat dit gebeurde, ging de moordenaar naar hen toe en zei: „Ik heb nu drie dagen naar jullie geluisterd. De volgende die iets slechts over deze man zegt, zal de zevende zijn die ik vermoord. Geloof maar dat ik een manier zal vinden om jullie voorgoed de mond te snoeren!” Diezelfde dag riep een andere man alle gevangenen bijeen en vroeg de Getuige of hij voor hen wilde bidden, en de volgende dag vroegen zij hem vóór de maaltijd een gebed uit te spreken. Mettertijd kon hij aan alle mannen getuigenis geven.
Elke middag werd een aantal gevangenen weggeleid om ondervraagd te worden. Sommigen zagen zij nooit meer terug. De negende dag was de Getuige aan de beurt. Hij werd geblinddoekt naar de plaats van verhoor gebracht, waar hij wreed werd geslagen en acht uur achtereen werd ondervraagd. In antwoord op hun vragen vertelde hij hun over Jehovah en christelijke neutraliteit.
Ten slotte werd hem verteld dat hij opgehangen zou worden. Zij vroegen hem wat hij als laatste nog wilde zeggen. Hij verzocht hun zijn vrouw te vertellen wat hem was overkomen. Toen werd hem gevraagd of hij niet bang was om zo jong te sterven. Hij antwoordde: „Als dit enkele maanden geleden was gebeurd, geloof ik dat ik heel erg bang zou zijn geweest om te sterven. Maar de bijbel zegt dat de dood als een slaap is. En ik geloof vast dat Jehovah de doden zal opwekken. Op zekere dag zult ook u de dood onder de ogen moeten zien.”
Zij leidden hem toen naar de galg, terwijl de Getuige bad of Jehovah hem de kracht wilde geven getrouw te blijven en of God voor zijn vrouw en kinderen wilde zorgen. Zij hingen de lus om zijn nek. Het bevel werd gegeven het valluik te openen, maar hij viel alleen maar op zijn voeten. Het was een truc geweest. Daarna werden hij en enkele anderen geblinddoekt, geboeid en naar de plaats gereden waar hij negen dagen voordien was opgepakt. Het was zondag, en daarom ging hij naar de Koninkrijkszaal, waar hij zijn vrouw en kinderen aantrof. Het was alsof hij uit de doden was opgestaan.
Jehovah had gedurende die beproevingsvolle dagen inderdaad bewezen een „veilige hoogte” voor deze pasgedoopte Getuige te zijn. — Ps. 144:1, 2.