Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w80 1/2 blz. 9-13
  • Wij gaven het niet op!

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wij gaven het niet op!
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ONZE EERSTE JAREN IN GODS DIENST
  • ONDERGRONDS WERKEN
  • WIJ ONTMOETEN ELKAAR WEER
  • EEN BEPROEVING OP ONS GELOOF
  • HET DAGELIJKS LEVEN IN RAVENSBRÜCK
  • HET ERGSTE JAAR OVERLEVEN
  • WIJ HANDHAVEN ONS VASTE BESLUIT
  • ZENDINGSDIENST
  • WAT ONS HEEFT GEHOLPEN HET NIET OP TE GEVEN
  • „De naam van Jehovah is een sterke toren”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Gemotiveerd door de loyaliteit aan God van mijn familie
    Ontwaakt! 1998
  • Bevrijding van totalitaire inquisitie door geloof in God
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • Gevangenzetting
    De paarse driehoek: ‘Vergeten slachtoffers’ van het naziregime
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
w80 1/2 blz. 9-13

Wij gaven het niet op!

Meer dan 100 jaar in Gods dienst ondanks grote geloofsbeproevingen

Zoals verteld door Ilse Unterdörfer

IN SEPTEMBER 1939 bevonden mijn vriendin Elfriede Löhr en ik ons in het concentratiekamp Ravensbrück in Duitsland. De Tweede Wereldoorlog was net begonnen.

Heinrich Himmler, het hoofd van de Duitse SS, bezocht ons in het concentratiekamp Lichtenberg kort voordat wij naar het pasgebouwde kamp Ravensbrück werden overgebracht. Het was zijn bedoeling Jehovah’s Getuigen ertoe te brengen hun trouw aan God te laten varen en de nazi-oorlog te ondersteunen. Maar wij allen, zonder onderscheid, weigerden. Hierop werd Himmler woedend en schreeuwde: „Als jullie dat willen, mag jullie Jehovah in de hemel regeren, maar hier op aarde regeren wij! We zullen jullie eens laten zien wie het langer uithoudt, jullie of wij!”

Bijna zes lange jaren verduurden Elfriede en ik, te zamen met velen van onze christelijke zusters, de afschuwelijkste toestanden die men zich maar kan indenken. Toch hebben wij Getuigen het overleefd, terwijl Himmler, Hitler en hun horden zijn verdwenen!

Jaren voordien, toen wij nog tieners waren, hadden zowel Elfriede als ik het besluit genomen ons leven in Gods dienst te gebruiken en dat niets ons er ooit toe zou brengen het op te geven! Voordat wij naar het concentratiekamp werden gestuurd, ervoeren wij Gods troostrijke zorg toen wij, ondanks de toenemende nazi-vervolging, het goede nieuws van het Koninkrijk predikten. En thans zijn wij er nog steeds mee bezig, terwijl wij samen zojuist honderd jaar toegewijde dienst hebben voltooid. Maar laat mij u vertellen hoe wij in Ravensbrück terechtkwamen.

ONZE EERSTE JAREN IN GODS DIENST

Elfriede symboliseerde haar opdracht aan God door de waterdoop in 1926, toen zij nog maar zestien jaar oud was. Haar hartewens werd vervuld toen zij in de winter van 1930 in staat was de volle-tijdprediking op zich te nemen. Hoewel een ernstige ziekte haar een tijdlang in haar activiteiten belemmerde, was Elfriede, toen ik haar in maart 1937 voor het eerst ontmoette, actief in het ondergrondse werk. De activiteiten van Jehovah’s Getuigen waren in Duitsland onder het nazi-regime namelijk verboden, en velen van ons riskeerden onze vrijheid en zelfs ons leven om geestelijk voedsel in het gehele land te distribueren.

Ikzelf had mij als jong meisje ten doel gesteld mijn medemensen te helpen; ik wilde lerares aan een middelbare school worden. Maar in 1931 vergezelde ik mijn moeder naar een congres van Jehovah’s Getuigen in Parijs. Wat ik daar leerde en meemaakte, veranderde mijn leven. Het jaar daarop werd ik op negentienjarige leeftijd gedoopt.

Hitler en zijn nazi-partij kwamen in 1933 aan de macht en begonnen bijna onmiddellijk Jehovah’s Getuigen te vervolgen. Ik was erg verheugd toen ik het voorrecht kreeg als koerierster dienst te doen in onze ondergrondse activiteit in Saksen. In augustus 1936 begon de Duitse Gestapo (geheime politie) een gezamenlijke actie tegen onze ondergrondse organisatie. Fritz Winkler, die het opzicht over ons werk had, en de meeste districtsleiders werden gearresteerd en gevangengezet.

In september 1936 speelde ik het klaar om samen met ongeveer 300 anderen uit Duitsland, naar Luzern in Zwitserland te gaan voor een congres. Daar vertrouwde J. F. Rutherford, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, Erich Frost de verantwoordelijkheid toe onze sterk ontwrichte ondergrondse activiteit te reorganiseren, en enkele dagen later werd ik aangesteld om met hem samen te werken.

Een toewijzing van broeder Frost bracht mij naar München om Elfriede Löhr op te sporen. Het enige wat ik van haar wist, was dat haar vader tandarts was. Ik vond haar adres in het telefoonboek en uit voorzorg belde ik eerst op. Toen wij elkaar ontmoetten, vertelde ik Elfriede dat zij was uitgenodigd op volle-tijdbasis met ons samen te werken. Zo begon een hechte vriendschap van ruim 43 jaar. Meer dan 40 jaar hiervan zijn wij lotgenoten in concentratiekampen en partners in de volle-tijdprediking geweest.

ONDERGRONDS WERKEN

De Gestapo zocht ons allemaal. Dus reisden wij gewoonlijk ’s nachts per trein, terwijl wij zo goed en zo kwaad als het ging, probeerden te slapen. Overdag ontmoetten wij de broeders en zusters op verschillende afgesproken plaatsen om hun gestencilde exemplaren van De Wachttoren en andere belangrijke inlichtingen te overhandigen. Zo nu en dan brachten wij de nacht door bij geïnteresseerde personen of in zomerhuisjes van broeders die niet zo goed bij de Gestapo bekend waren.

Wij hadden nooit geschreven adressen of andere notities bij ons. Wij leerden alles van buiten. Op die manier zou de politie, als wij werden gearresteerd, geen bewijzen in handen krijgen die anderen in moeilijkheden zouden brengen. Wij voelden herhaaldelijk Jehovah’s bescherming. Dit was in het bijzonder het geval toen wij de verspreiding organiseerden van de resolutie die op het congres in Luzern was aangenomen. In deze resolutie werd krachtig geprotesteerd tegen de wrede behandeling die Jehovah’s Getuigen in Duitsland door toedoen van de rooms-katholieke hiërarchie en hun bondgenoten ondergingen. Op 12 december 1936, tussen 5 en 7 uur ’s morgens, hadden zo’n 3459 broeders en zusters in heel Duitsland een aandeel aan het verspreiden van honderdduizenden exemplaren van deze krachtige boodschap.

Toen, op 21 maart 1937, nog geen twee weken nadat ik Elfriede voor het eerst had ontmoet, werden broeder Frost en ik gearresteerd. Ongeveer tegelijkertijd vielen bepaalde districtsdienstleiders eveneens in handen van de Gestapo. Broeder Heinrich Dietschi, een districtsdienstleider die nog in vrijheid was, nam tijdens de afwezigheid van broeder Frost het opzicht over het werk op zich.

Toen eind maart noch broeder Frost noch ik op een van tevoren afgesproken vergadering verschenen, wist Elfriede dat er iets niet in orde was. Zij kon niet naar huis terugkeren, want de Gestapo zocht haar. Zij vroeg zich af: „Wie is de opvolger van broeder Frost, en hoe kan ik met hem in contact komen?” Na tot Jehovah gebeden te hebben, kwam het bij haar op contact te zoeken in de stad Leutkirch, ongeveer 150 kilometer van München. Op diezelfde dag ontmoette zij in Leutkirch de broeder die door broeder Dietschi was gestuurd om haar op te sporen. Dit kon niet anders dan het werk van engelen zijn!

Aangezien de nazi’s beweerden dat de inhoud van de resolutie die wij op 12 december hadden verspreid, niet op waarheid berustte, werden er regelingen getroffen om in heel Duitsland een „Open Brief” te verspreiden die specifieke bewijzen bevatte van de vervolging van Jehovah’s Getuigen. Broeder Frost en ik waren tijdens de voorbereidingen van deze grote veldtocht gearresteerd. Nu werkte Elfriede nauw met broeder Dietschi samen in het voltooien van de voorbereidingen, en de veldtocht werd op 20 juni 1937 met succes uitgevoerd. Elfriede zegt in haar verslag in het Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1975:

„Broeder Dietschi organiseerde de veldtocht. Wij waren allen met moed vervuld, alles was schitterend geregeld en elk district had voldoende brieven. Ik haalde een grote koffer voor het gebied rondom Breslau van het station en bracht die naar de broeders in Liegnitz. Ikzelf had ook mijn eigen portie, die ik — net als alle andere broeders — op de vastgestelde tijd verspreidde.”

Maanden vóór deze veldtocht had de Gestapo gepocht dat ze onze organisatie had opgerold. Wat een vernederende verrassing was het dus voor hen toen honderdduizenden exemplaren van deze brief op zo’n georganiseerde wijze in heel Duitsland werden verspreid! Het was werkelijk een schok voor hen.

WIJ ONTMOETEN ELKAAR WEER

Terwijl Elfriede in vrijheid was, bevond ik mij dus in de greep van de Gestapo. Aanvankelijk werd ik slechts tot een jaar en negen maanden veroordeeld. Maar onmiddellijk nadat ik mijn straf had uitgezeten, werd ik begin 1939 opnieuw gearresteerd en naar het concentratiekamp Lichtenberg gezonden. Tot mijn grote verrassing was Elfriede daar toen ik arriveerde.

In de zomer van 1939 werden wij christelijke zusters in Lichtenberg allemaal naar het nieuwe kamp Ravensbrück gebracht. Steeds weer had men ons gedreigd: „Wacht maar tot jullie in Ravensbrück komen. Daar zullen we jullie wel breken.” De omgeving van het nieuwe kamp leek op een zandwoestijn. Zowel de hoge, van prikkeldraad voorziene muren, als de barakken voor de gevangenen en de huizen voor de SS waren klaar. Maar verder lag alles nog woest en wachtte op werkers, namelijk op gevangenen.

EEN BEPROEVING OP ONS GELOOF

In de herfst van 1939 waren wij met ongeveer 500 vrouwen, Jehovah’s Getuigen, in Ravensbrück. Op 19 december weigerden verscheidene zusters munitiegordels op soldatenuniformen te naaien; zij konden volgens hun geweten de oorlog niet op deze wijze ondersteunen. Daarop werden wij allemaal op de binnenplaats van het kamp geroepen en werd ons gevraagd of wij het werk wilden doen. Wij weigerden allemaal. Als gevolg daarvan begon men een campagne om ons te dwingen ons neutrale standpunt als christenen te laten varen en de oorlog op het thuisfront te ondersteunen. — Jes. 2:4.

Eerst lieten zij ons in onze dunne zomerkleren van de morgen tot de avond buiten in de kou staan. En het was een van de koudste winters in Duitsland, met temperaturen van dikwijls vijftien tot twintig graden onder nul! ’s Nachts werden wij in de cellenbunker opgesloten, waar wij zonder dekens op de kale vloer moesten slapen, en met de ramen open, om voor een ijskoude tocht te zorgen. Bovendien kregen wij de eerste dag niets te eten. Tijdens de volgende vier dagen van deze behandeling kregen wij slechts de helft van het voedselrantsoen. Vervolgens werden wij nog eens drie weken in een donkere cel opgesloten, terwijl wij slechts eenmaal in de vier dagen iets warms mochten eten. De andere dagen kregen wij ’s morgens een stuk brood en een kop zwarte koffie. Tijdens hun kerstviering (van 25 tot 27 december) kregen wij helemaal niets.

Daarna werden we naar onze barakken teruggebracht, die voor drie maanden tot strafbarakken werden verklaard. Dit betekende minder en slechter voedsel, en zeven dagen per week van de morgen tot de avond hard werken met houweel en schop. Ook werd ons medische hulp ontzegd. Steeds opnieuw zeiden de SS-commandanten: ’Als jullie de oorlog op het thuisfront niet willen ondersteunen, zullen jullie hier alleen maar door de schoorsteen uitkomen!’

Tegen het voorjaar van 1940 waren wij niets dan geraamten. Wij zouden als ratten zijn gestorven. Maar Jehovah God, die rechtstreeks door Himmler was uitgedaagd, toonde dat Hij Zijn volk onder de ergste omstandigheden kan schragen. Niet één van onze 500 zusters werd ernstig ziek, en niemand stierf. Zelfs een paar SS-ers zeiden: „Dat komt doordat Jehovah jullie heeft geholpen.” En wat nog belangrijker is, niet één zuster had het opgegeven; allen waren loyaal gebleven. Het was een werkelijke overwinning van rechtschapenheid jegens Jehovah!

Ik kan wel zeggen dat zowel Elfriede als ik reeds afscheid van het leven hadden genomen. Wij waren vastbesloten om, wat er ook gebeurde, Jehovah trouw te blijven. Met de apostel Paulus konden wij zeggen: „Want indien wij leven, dan leven wij voor Jehovah, en indien wij sterven, dan sterven wij voor Jehovah. Derhalve behoren wij zowel indien wij leven als indien wij sterven, Jehovah toe.” — Rom. 14:8.

HET DAGELIJKS LEVEN IN RAVENSBRÜCK

Onze omstandigheden verbeterden echter spoedig, Veel landarbeiders werden bij het leger ingelijfd, waardoor er een tekort aan boerenarbeiders ontstond. Daarom werden gevangenen te werk gesteld op boerderijen in de omgeving van Ravensbrück. Daar het risico dat deze werkers zouden ontsnappen, groter was, en aangezien bekend was dat Jehovah’s Getuigen niet zouden proberen te ontsnappen, werden velen van ons op de boerderijen te werk gesteld. Daar kregen wij, naast de schrale kost van het concentratiekamp, ook te eten.

Geestelijk voedsel was echter van het grootste belang voor ons. Wij waren gewoon elkaar geestelijk op te bouwen door de bijbelkennis die wij hadden verworven vóórdat wij waren gevangengezet, met elkaar te delen. Ook vertelden de nieuw-aangekomenen in het kamp wat zij onlangs tijdens hun studie van de bijbel hadden geleerd. Wat waren wij blij toen er verscheidene bijbels het kamp werden binnengesmokkeld! Wanneer het maar mogelijk was, gaven wij getuigenis aan andere gevangenen, en ook aan onze opzichters. Niets kon ons ervan weerhouden onze trouw aan Jehovah te tonen. Wij hadden het vaste besluit genomen: „Liever sterven dan opgeven!”

Elfriede moest voor SS-officieren in de tuin werken, en ik werd samen met andere zusters op een SS-boerderij te werk gesteld. Tegen het einde van 1942 begonnen wij op de boerderij te overnachten in plaats van naar de barakken in het kamp terug te keren; op die manier genoten wij een aanzienlijke vrijheid. In de lente van 1943 slaagde ik erin per brief met broeder Franz Fritsche in contact te komen. Hij was een moedige broeder die actief was in het binnensmokkelen van geestelijk voedsel in de concentratiekampen. Eénmaal was ik in staat hem in een naast de boerderij gelegen bos te ontmoeten. Er werden regelingen getroffen dat wij voortaan geregeld De Wachttoren en andere publikaties zouden ontvangen. Er waren een aantal manieren waarop wij lectuur in het kamp kregen.

Toen veranderden de omstandigheden echter opnieuw. Broeder Fritsche werd gearresteerd. De Gestapo ontdekte ten slotte dat er via georganiseerde kanalen geregeld bijbelse lectuur rechtstreeks de concentratiekampen werd binnengesmokkeld. Wat was deze ontdekking een schok voor hen! En wat een krachtig bewijs dat de geest van Gods volk na 10 jaar boosaardige vervolging niet gebroken was, noch binnen de kampen noch erbuiten! Onmiddellijk gebood Himmler dat alle kampen waarop verdenking rustte, werden onderzocht op bijbelse lectuur.

HET ERGSTE JAAR OVERLEVEN

Op 4 mei 1944 verscheen de Gestapo geheel onverwachts in Ravensbrück. Zij ondernamen een plotselinge, grondige speurtocht naar bijbels en bijbelse lectuur, in het bijzonder De Wachttoren. Zij gingen ook naar de plaats waar Elfriede tuinwerk voor de SS deed en naar de SS-boerderij waar ik te werk was gesteld. Ten slotte werd besloten dat 15 zusters die als verantwoordelijk werden beschouwd, voor allen moesten boeten. Elfriede en ik behoorden daar ook bij.

Eerst werden wij in de beruchte cellenbunker opgesloten. Daar werden wij in kleine donkere cellen gepropt, en zeven weken lang mochten wij niet in de buitenlucht. Vervolgens werden wij naar het „strafblok” gebracht, waar Elfriede en ik opnieuw nauw met elkaar in contact kwamen. Wat wij daar gedurende ons laatste jaar in Ravensbrück doormaakten, kan nauwelijks in woorden worden uitgedrukt. Wij voelden echter altijd Jehovah’s bescherming en liefdevolle zorg. Hij gaf ons de kracht om te volharden. Een geweldige hulp was het geestelijke voedsel dat de zusters die op de boerderij achterbleven, bij ons wisten binnen te smokkelen. De Gestapo had daar de lectuur niet gevonden, omdat wij goede bergplaatsen hadden.

Gedurende de laatste maanden werden de toestanden in het kamp steeds slechter, vooral waar wij waren — in het strafblok. De barakken waren overvol. Ze waren oorspronkelijk voor 100 gevangenen gemaakt, maar uiteindelijk moest het strafblok plaats bieden aan 1200 tot 1500 personen. Zes of zeven personen sliepen in twee bedden, en dus kon niemand werkelijk goed slapen. Als gevolg van het slechte, dikwijls onvoldoende gewassen voedsel waren darmstoornissen aan de orde van de dag. Gevangenen stierven met honderden tegelijk onder ellendige omstandigheden.

Elfriede werd eveneens ernstig ziek. Zij liep longontsteking op en kreeg hoge koorts. Voordat ik het kon verhinderen, werd zij naar een van de ziekenbarakken gebracht, die propvol was met stervende mensen. Niemand mocht het strafblok alleen verlaten. Zo nu en dan lukte het mij echter, met behulp van de blokoudste, naar buiten te gaan om Elfriede iets te drinken te brengen.

Het werd duidelijk dat Elfriede daar niet veel langer zou leven. Er stopten geregeld vrachtwagens vóór de ziekenbarakken, waarop de doden en stervenden dan werden gegooid om naar het crematorium te worden gebracht. Met behulp van de blokoudste gingen twee van ons derhalve naar Elfriede. Haar bed stond vlak bij een raam. Met inspanning van al onze krachten slaagden wij erin haar door het raam naar buiten te krijgen. Vervolgens droegen wij haar terug naar het strafblok. Daar paste een gevangene, een Russische vrouw die arts was, een eenvoudige maar pijnlijke behandeling toe, die de ontsteking in Elfriedes longen deed afnemen. Haar leven was gered.

In het vroege voorjaar van 1945 kwam de Tweede Wereldoorlog snel ten einde. De Duitse SS-troepen hadden het plan het kamp op te blazen. De Russen kwamen echter zo snel dat de nazi’s niet in staat waren hun duivelse plannen uit te voeren. Op 28 april viel Ravensbrück zonder strijd in handen van de Russen. Zo werden wij na bijna zes lange jaren uit die ’vurige oven’ bevrijd. Hierbij kwamen nog de twee jaar gevangenschap vóór de komst naar Ravensbrück.

WIJ HANDHAVEN ONS VASTE BESLUIT

Wij hadden beiden aan Jehovah beloofd dat wij, als wij ooit weer vrij zouden zijn, al onze tijd en krachten aan zijn dienst zouden besteden. Op onze moeilijke tocht naar huis bezochten wij broeder Frost, die dezelfde houding aan de dag legde. Hij nodigde ons uit zo spoedig mogelijk naar Maagdenburg te komen, vanwaar het predikingswerk in Duitsland gereorganiseerd zou worden.

Spoedig nadat ik thuis was gekomen in Olbernhau, bood het plaatselijke bestuur mij een baan aan waarbij ik de leiding zou krijgen over de opsporingsdienst voor misdrijven. Ik heb geen moment over deze baan nagedacht; mijn besluit om de volle-tijddienst in te gaan, was reeds lang voordien genomen. Slechts drie weken later bevonden Elfriede en ik ons onder de eerste vijf Bethelwerkers die naar Maagdenburg zouden terugkeren.

In 1947 bracht broeder N. H. Knorr, de toenmalige president van het Genootschap, een bezoek aan West-Duitsland. Hij moedigde bepaalde broeders en zusters ertoe aan de Wachttoren-Bijbelschool Gilead te bezoeken. Dus dienden Elfriede en ik een aanvraag in voor deze zendingsopleiding. Mettertijd ontvingen wij onze uitnodiging, en in 1949 vertrokken wij naar de Verenigde Staten om de school te bezoeken.

Wat een zegen was het voor ons, om na vele jaren afgesneden te zijn geweest van geregelde vergaderingen en dienstactiviteiten van Jehovah’s organisatie, de geestelijke zegeningen op Gilead in te drinken! Wij beschouwden het als een geweldige beloning en een wonderbaarlijke compensatie voor de vele ontberingen die wij hadden doorstaan. Vervolgens bezochten wij als hoogtepunt in de zomer van 1950 het „Toename der Theocratie”-congres van Jehovah’s Getuigen in het Yankee stadion in de stad New York. Op de openingsdag vond de graduatieplechtigheid van onze vijftiende klas plaats.

ZENDINGSDIENST

Onze eerste toewijzing als zendelingen was Keulen, aan de oevers van de Rijn. Wij begonnen met de plaatselijke gemeente van 35 verkondigers samen te werken en leidden al gauw vele produktieve bijbelstudies en hielpen anderen een aandeel aan de Koninkrijksdienst te hebben. Nadat wij daar drie en een half jaar waren geweest, ontvingen wij een nieuwe toewijzing, Oostenrijk. Maar intussen was de gemeente in Keulen toegenomen tot 214 verkondigers, en wij maakten de inwijding van een nieuwe Koninkrijkszaal mee.

In de afgelopen 24 jaar van onze dienst in Oostenrijk, zijn wij aan vele plaatsen toegewezen, met inbegrip van het dal van Badgastein, Gmunden aan de prachtige Traunsee, Hohenems in Vorarlberg en Telfs in Tirol. Op dit moment werken wij opnieuw in Vorarlberg, in het Bregenzer Wald. In onze verschillende toewijzingen zijn wij behulpzaam geweest bij het verwerven van zeven Koninkrijkszalen. Ook was het in drie van onze toewijzingen zo dat toen wij daar begonnen, er òf helemaal geen Koninkrijksverkondigers waren, òf slechts één of twee. Mettertijd maakten wij echter mee dat er in deze plaatsen nieuwe gemeenten werden opgericht. Hoewel wij zelf geen kinderen hebben, hebben wij vele geestelijke kinderen en kleinkinderen met wie wij in een allesovertreffende band van warme liefde verenigd zijn.

WAT ONS HEEFT GEHOLPEN HET NIET OP TE GEVEN

Zelfs na het overleven van de grote beproevingen op ons geloof in de concentratiekampen, hebben wij beproevingen meegemaakt die ons ertoe hadden kunnen brengen onze volle-tijddienst voor Jehovah op te geven. Er zijn gezondheidsproblemen geweest, te wijten aan ouderdom en de nawerking van de jaren die wij in concentratiekampen hebben doorgebracht. En de laatste jaren is de onverschilligheid van de mensen in gebieden waar het materialisme zo’n krachtige invloed heeft, dikwijls teleurstellend geweest. Aldus is soms de wens bij ons opgekomen om een rustiger leven te gaan leiden, met meer gemak en gerief dan een volle-tijdverkondiger van het Koninkrijk geniet. Wat heeft ons echter geholpen te volharden?

Allereerst hebben wij ons oog gericht gehouden op de voorbeelden van getrouwe dienstknechten van Jehovah die alles achterlieten om hem te dienen — personen zoals Abraham, Sara, Mozes, de apostel Paulus en ons grootste voorbeeld, Jezus Christus. Dit heeft ons geholpen de juiste houding te bewaren en aan werkelijke waarden vast te houden. Wij hebben Jezus’ raad in gedachte gehouden: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken.” Ook hebben wij ons in herinnering gebracht wat Jezus eerder in zijn Bergrede zei: „Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.” — Matth. 6:33, 21.

Dit hebben wij altijd getracht te doen, ons hart gericht te houden op Gods koninkrijk en op het dienen van hem met alles wat wij hebben. Hier als een kostbare schat aan vast te houden, heeft ons in staat gesteld de wrede tirannie van het nazisme te verduren. Het stevig vasthouden aan deze zelfde Koninkrijkshoop heeft ons in de jaren daarna geholpen op volle-tijdbasis in Gods dienst door te gaan zonder het op te geven.

Wij hebben werkelijk een rijk en voldoeningschenkend leven gehad! Steeds weer hebben wij de waarheid van de woorden in Maleachi 3:10 ondervonden: „’Stelt mij alstublieft in dit opzicht op de proef’, heeft Jehovah der legerscharen gezegd, ’of ik voor ulieden niet de sluizen van de hemel zal openen en werkelijk een zegen over u zal uitgieten totdat er geen gebrek meer is.’” Het is onze wens en ons gebed om met Jehovah’s hulp tot in alle eeuwigheid in de volle-tijddienst te blijven, te zamen met Jezus Christus en in de tegenwoordigheid van Jehovah God.

[Illustratie op blz. 9]

Ilse Unterdörfer en Elfriede Löhr zoals zij er nu uitzien

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen