Psalmen
De kortste psalm — Een aanmoediging om Jehovah te loven
VAN de honderdvijftig geïnspireerde psalmen is Psalm 117 de kortste. Deze luidt als volgt: „Looft Jehovah, al gij natiën; prijst hem, al gij clans. Want tegenover ons [de Israëlieten] is zijn liefderijke goedheid machtig gebleken; en de trouw van Jehovah duurt tot onbepaalde tijd. Looft Jah!”
Deze lofzang is een uitnodiging aan alle natiën om Jehovah te loven omdat ze getuige zijn geweest van de grootse wijze waarop hij met zijn volk Israël heeft gehandeld. Zijn handelingen onthullen dat hij een God is die het waard is geloofd en geprezen te worden.
Ondanks de zondigheid en het herhaalde falen van de Israëlieten, was Jehovah barmhartig en mededogend. Hij hield zich loyaal aan zijn belofte aan Abraham dat ’door bemiddeling van zijn zaad alle natiën der aarde zich zouden zegenen’ (Gen. 22:18). Gedurende al de eeuwen totdat dat beloofde zaad uiteindelijk kwam, heeft Jehovah God Israël niet als zijn volk verstoten. Aldus betoonde hij zich een God van liefderijke goedheid. Ook bewees hij zijn trouw door zijn woord van belofte te vervullen. Jozua herinnerde de Israëlieten hier bijvoorbeeld aan met de woorden: „Gij weet zeer goed met geheel uw hart en met geheel uw ziel dat niet één woord van alle goede woorden die Jehovah, uw God, tot u gesproken heeft, onvervuld is gebleven. Alles is voor u uitgekomen.” — Joz. 23:14.
In het bijzonder met de komst van Jezus Christus als het beloofde zaad, was voor mensen van alle natiën de tijd aangebroken om Jehovah te loven. Dit beklemtoonde de apostel Paulus toen hij aan christenen te Rome schreef: „Christus [is] in werkelijkheid ten behoeve van Gods waarheidsgetrouwheid een dienaar van de besnedenen . . . geworden, ten einde de beloften die Hij aan hun voorvaders had gedaan, waar te maken, en opdat de natiën God vanwege zijn barmhartigheid zouden verheerlijken. Zoals er staat geschreven: ’Daarom zal ik u openlijk erkennen onder de natiën en voor uw naam zal ik melodieën spelen.’ En wederom zegt hij: ’Weest vrolijk, gij natiën, met zijn volk.’ En wederom: ’Looft Jehovah, al gij natiën, en laten alle volken hem loven.’” — Rom. 15:8-11.
Hoewel Jehovah God zich eeuwenlang exclusief met de Israëlieten inliet, was hij in werkelijkheid bezig de aangelegenheden zo te regelen dat uiteindelijk de gehele mensheid door bemiddeling van Abrahams zaad, waarvan Jezus Christus de voornaamste is, gezegend zou worden. Op basis van het feit dat Jezus zijn leven als slachtoffer heeft gegeven, kunnen mensen van alle natiën vergeving van hun zonden verkrijgen en een goedgekeurde positie voor het aangezicht van de Allerhoogste verwerven. Daarom hebben mensen van alle natiën werkelijk reden om Jehovah te danken voor zijn liefderijke goedheid en trouw doordat hij het beloofde zaad als een natuurlijke afstammeling van Abraham heeft voortgebracht.