Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w78 1/3 blz. 23-27
  • Deuteronomium — Mozes’ liefdevolle afscheidstoespraken

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Deuteronomium — Mozes’ liefdevolle afscheidstoespraken
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • MOZES’ DRINGENDE SMEEKBEDEN
  • MOZES’ EERSTE TOESPRAAK
  • MOZES’ TWEEDE TOESPRAAK
  • DE DERDE EN DE VIERDE TOESPRAAK
  • MOZES’ SLOTWOORDEN
  • Bijbelboek nummer 5 — Deuteronomium
    „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”
  • Deuteronomium, het boek
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Mozes
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Deuteronomium spoort ons aan Jehovah met intense vreugde te dienen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1984
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
w78 1/3 blz. 23-27

Deuteronomium — Mozes’ liefdevolle afscheidstoespraken

TOEN hij veertig jaar oud was, probeerde hij tevergeefs zijn volk te bevrijden. Op tachtigjarige leeftijd werd hij door Jehovah God zelf geroepen om Gods volk Israël metterdaad uit Egyptische dienstbaarheid te bevrijden. Nu, op de leeftijd van 120 jaar, waren hij en zijn volk vergaderd op de vlakten van Moab, aan de grens van het Beloofde Land. Aangezien hij wist dat zijn einde nabij was, stortte deze man Mozes bij zijn volk zijn gemoed uit in een reeks toespraken die als het boek Deuteronomium bekend kwamen te staan. — Deut. 31:2; Hand. 7:23-30, 35, 36.

Dit vijfde boek van de Pentateuch heeft zijn naam, die gebaseerd is op twee Griekse grondwoorden welke „tweede” en „wet” betekenen, ontleend aan de Griekse Septuagintavertaling. De joodse rabbijnen noemen het onder andere Misjneh, wat herhaling betekent. In sommige talen staat het eenvoudig als het „Vijfde boek van Mozes” bekend.

De authenticiteit van het boek Deuteronomium blijkt uit het feit dat Jezus het herhaaldelijk als de geïnspireerde Schrift heeft geciteerd (Matth. 4:4, 7, 10 uit Deut. 8:3; 6:16, 13; Mark. 10:3-5 uit Deut. 24:1-3; Mark. 12:30 uit Deut. 6:5). Deuteronomium wordt zelfs meer dan tachtig maal in de christelijke Griekse Geschriften aangehaald en behoort, samen met Genesis, Psalmen en Jesaja, tot de vier meest geciteerde boeken.

Het boek Deuteronomium is echter niet, wat zijn algemene naam zou doen vermoeden, louter een herhaling van Gods wet aan Israël. Aangezien Mozes wist dat zijn einde nabij was, wilde hij veeleer bij wijze van afscheid vermaningen, raadgevingen, aanmoedigingen, onderwijzingen, alsook waarschuwingen aan Jehovah’s volk geven, waarbij hij alles zei wat hij kon zeggen, en sommige dingen herhaaldelijk zei. Hij schreef als het ware een afscheidsbrief aan hen wegens zijn grote liefde voor hen en zijn verlangen al het mogelijke te doen om zijn volk te helpen in getrouwe gehoorzaamheid aan hun God Jehovah voort te gaan. De negentiende-eeuwse bijbelgeleerde Hengstenberg bracht dit bijzonder goed onder woorden:

„Hij spreekt als een stervende vader tot zijn kinderen. Zijn woorden zijn dringend, geïnspireerd, indrukwekkend. Hij blikt terug op de gehele veertigjarige periode dat zij in de woestijn hebben rondgedoold, herinnert het volk aan alle zegeningen die zij hebben ontvangen, aan de ondankbaarheid waarmee zij deze zo vaak hebben vergolden en aan de oordelen van God, en de liefde die er desondanks steeds weer op volgde; hij geeft bij herhaling een verklaring van de wetten, voegt toe wat noodzakelijk is om ze te voltooien en wordt het nooit moe om op een bijzonder hartelijke en nadrukkelijke wijze tot gehoorzaamheid aan te sporen omdat niets minder dan het leven van de natie hiervan afhing; hij geeft een overzicht van alle stormen en conflicten die zij hebben doorstaan en wanneer hij vanuit het verleden naar de toekomst blikt, beschouwt hij ook de toekomstige geschiedenis van de natie en ziet hij, met gemengde gevoelens van verdriet en vreugde, hoe drie belangrijke kenmerken van het verleden — t.w. afval, straf en vergiffenis — zich in de toekomst blijven herhalen.” — The Pentateuch, Deel 3, blz. 276, Keil en Delitzsch.

MOZES’ DRINGENDE SMEEKBEDEN

Typerend voor Mozes’ geprononceerde mening over de noodzaak dat de Israëlieten Gods eerder bekendgemaakte wetten zouden houden, is de wijze waarop hij in Deuteronomium het verbod inzake het eten van bloed onder woorden brengt: „Wees alleen vastbesloten het bloed niet te eten, want het bloed is de ziel en gij moogt niet de ziel met het vlees eten. Gij moogt het niet eten. . . . Gij moogt het niet eten.” Hij vermeldt dit verbod viermaal. — Deut. 12:23-25.

Aangezien Mozes zo’n geprononceerde mening over de dingen had, bemerken wij dat hij vaak herhaalt wat hij reeds heeft gezegd, evenals de apostel Johannes dit in zijn eerste brief deed, zoals in 1 Johannes 4:8, 16. Bij herhaling dringt Mozes er bijvoorbeeld bij ouders op aan dat zij hun kinderen Gods wet moeten onderwijzen wanneer zij zitten, lopen, neerliggen en opstaan (Deut. 6:7; 11:19), herinnert hij de Israëlieten eraan dat God hun manna gaf om hen te vernederen (Deut. 8:2, 3, 16) en legt hij zijn volk het leven en de dood voor. — Deut. 30:15, 19.

Men zou de toespraken in het boek Deuteronomium Mozes’ „Bergrede” kunnen noemen. Ja, het boek Deuteronomium is inderdaad „ingegeven door een verlangen om te onderrichten zoals wij dit in geen enkel ander boek van de [Hebreeuwse Geschriften] aantreffen”. En als wij Mozes’ hartelijkheid, oprechtheid, innige bezorgdheid en intense belangstelling voor zijn volk opmerken — waarbij hij zowel hun geestelijke als hun stoffelijke welzijn op het oog had — alsook de twee verwijzingen naar zijn spijtgevoelens dat hij niet het Beloofde Land mocht binnengaan, tot welke conclusie komen wij dan? Dat absoluut niemand anders dan Mozes zelf zo’n roerend document geschreven kan hebben, dat eenvoudig niemand al die gevoeligheid geveinsd kan hebben. Ja, de beschuldiging, zoals die door veel theologen in de christenheid wordt geuit, dat Deuteronomium een vroom bedrog is, is niet alleen volkomen ongegrond, maar bovendien onredelijk!

MOZES’ EERSTE TOESPRAAK

Men gaat er gewoonlijk van uit dat Deuteronomium voornamelijk uit vier toespraken bestaat. De eerste wordt in de hoofdstukken één tot en met vier aangetroffen. In deze toespraak bericht Mozes hoe hij rechters aanstelde om hem bij het rechtspreken over het volk te helpen en welke instructies hij hun gaf om zonder partijdigheid te oordelen. Hij vertelt ook over het slechte bericht dat de verspieders uitbrachten en de opstand die hier het gevolg van was.

Vervolgens verhaalt hij Israëls reizen van de berg Sinaï naar de vlakten van Moab en herinnert hij de Israëlieten aan de overwinningen die zij onderweg hebben behaald. In hoofdstuk vier moedigt hij zijn volk aan Gods wetten niet te vergeten en zegt hij dat het onderhouden ervan hen vermaard zal maken wegens hun wijsheid. Hij waarschuwt hen ook geen afgoden te maken, aangezien zij geen gedaante hadden gezien toen Jehovah bij de berg Sinaï tot hen sprak. Hij onderstreept zijn waarschuwing met de woorden: „Jehovah, uw God, is een verterend vuur, een God die exclusieve toewijding eist.” — Deut. 4:24.

MOZES’ TWEEDE TOESPRAAK

Mozes’ tweede toespraak beslaat de hoofdstukken vijf tot en met zesentwintig. Hierin moedigt hij aan tot gehoorzaamheid aan een groot aantal van Gods wetten, waarvan sommige reeds eerder waren gegeven — zoals die betreffende de drie jaarlijkse feesten en de toevluchtssteden — en andere hier voor het eerst worden genoemd. Hij begint met een herhaling van de Tien Geboden. Vervolgens vermeldt hij met klem hoe belangrijk het is Jehovah God en zijn wetten te kennen, aangezien de mens niet van brood alleen leeft. De Israëlieten moesten passages van de wet op hun deurposten aanbrengen en zij moesten hun kinderen te allen tijde Gods wet inscherpen, of zij nu liepen, zaten of neerlagen. De priesters moesten het volk Gods wet onderwijzen en zelfs de koning moest een afschrift van Gods wet maken en er alle dagen van zijn leven in lezen, opdat hij nederig zou blijven en het goede zou blijven doen. — Deut. 6:7-9; 17:14-20.

Achtmaal in deze tweede toespraak spoort Mozes zijn volk tot getrouwheid en gehoorzaamheid aan, opdat het hun goed mocht gaan. Nog vaker dringt Mozes er bij zijn volk op aan hun God Jehovah lief te hebben: „Luister, o Israël: Jehovah, onze God, is één Jehovah. En gij moet Jehovah, uw God, liefhebben met geheel uw hart en geheel uw ziel en geheel uw levenskracht.”a En steeds weer opnieuw herinnert hij zijn volk aan Jehovah’s liefde voor hen, zoals in Deuteronomium 5:29, waar zo prachtig wordt gezegd: „Zouden zij dat hart van hen maar ontwikkelen om altijd mij te vrezen en al mijn geboden te onderhouden, opdat het hun en hun zonen tot onbepaalde tijd goed mocht gaan!b

Mozes had ook zo’n geprononceerde mening over gerechtigheid, dat hij de rechters van Gods volk er heel vaak toe aanspoorde rechtvaardig en onpartijdig te handelen en nooit steekpenningen aan te nemen. — Deut. 1:16, 17 (eerste toespraak); 16:18; 24:17; 25:1.

Bovendien gebiedt Mozes zijn volk herhaaldelijk al hun zegeningen te waarderen en dit te tonen door zich voor het aangezicht van Jehovah te verheugen. Zij moesten „niets anders dan verheugd worden”. Ja, in een volgende toespraak waarschuwt hij zelfs dat zij tot onbepaalde tijd door rampspoed getroffen zouden worden „ten gevolge van het feit dat gij Jehovah, uw God, niet met vreugdebetoon en vreugde des harten hebt gediend”. — Deut. 16:11, 14, 15; 28:47.

Aangezien Mozes hun neiging om andere goden te dienen, opmerkt, wordt hij het nooit moe hen voor afval en valse profeten te waarschuwen. Dit zou met de dood gestraft moeten worden. Men mocht de leden van zijn eigen gezin niet sparen, en zelfs hele steden moesten uitgeroeid worden als ze zich trouweloos tot andere goden zouden keren. — Deut. 5:7; 6:14; 7:4; 8:19; 11:16; 13:1-18; 17:1-7; 18:20-22.

Ondanks zulke krachtige waarschuwingen voor afval, is de liefdevolle consideratie die in de in Deuteronomium opgetekende wetgeving ten toon wordt gespreid, uniek in de annalen van de rechtsgeleerdheid. Wanneer de mannen onder de wapenen werden geroepen, werd een verloofde man, een pasgetrouwde man of een man die een wijngaard had geplant of een huis had gebouwd en nog niet de gelegenheid had gehad om van de vruchten van zijn werk te genieten, een tijdlang van militaire dienst vrijgesteld. In sommige opzichten zou er gezegd kunnen worden dat in Deuteronomium vaak wordt geanticipeerd hoe er onrecht zou kunnen geschieden, terwijl er dan geboden worden gegeven om te voorkomen dat dit gebeurt. — Deut. 20:5-7; 24:5.

Zelfs dieren werden niet over het hoofd gezien. Wanneer een Israëliet een vogel op een nest zag zitten, moest hij het wijfje laten ontkomen, hoewel hij de jongen kon nemen. Een boer mocht een stier die graan dorste, niet muilbanden. Wanneer hij ploegde, kon hij niet een ezel en een stier in een juk spannen, aangezien de zwakkere ezel als gevolg van het verschil in kracht hierdoor te zwaar belast zou worden. — Deut. 22:6-10; 25:4.

Mozes waarschuwt in deze toespraak ook voor het gevaar dat de Israëlieten als gevolg van voorspoed materialistisch zouden kunnen worden en voor de zonde van zelfrechtvaardigheid. Om de zonde van afval te vermijden, mochten zij geen huwelijken met heidenen aangaan (Deut. 7:3, 4). Op een in het oog springende wijze legt Mozes Israël de zegeningen en de vervloekingen voor die afhangen van de handelwijze die zij zullen volgen. Hij voorzegt ook de komst van een profeet gelijk hemzelf, naar wie de mensen op straffe des doods zouden moeten luisteren. De apostel Petrus paste deze profetie op Jezus Christus toe. — Deut. 18:15-19; Hand. 3:22, 23.

DE DERDE EN DE VIERDE TOESPRAAK

In zijn derde toespraak geeft Mozes instructies betreffende de zegeningen en de vervloekingen die de levieten in het openbaar moeten afkondigen wanneer de Israëlieten het Beloofde Land binnengaan. Zes stammen moeten zich vóór de berg Gerizim opstellen en moeten „Amen!” zeggen wanneer de levieten Jehovah’s zegeningen uitspreken over degenen die hem getrouw dienen en zijn wetten gehoorzamen. En de andere zes stammen moeten vóór de berg Ebal staan en „Amen!” zeggen wanneer de levieten vervloekingen uitspreken over degenen die Gods wetten betreffende de aanbidding en de moraal overtreden. Niet tevreden met deze opsomming ontwikkelt Mozes het thema van de zegeningen wegens juist gedrag en de vervloekingen wegens ongehoorzaamheid nog verder. Deze zegeningen en vervloekingen bleken profetisch te zijn. — Deut. 27:1 tot 28:68.

In de vierde dringende toespraak die Mozes in de wildernis houdt, (de hoofdstukken 29 en 30) verhaalt hij opnieuw de wonderen die Jehovah God ten behoeve van hen heeft verricht, met inbegrip van het wonder dat „uw kleren aan u niet [zijn] versleten, en uw sandaal aan uw voet . . . niet [is] versleten” (Deut. 29:5). Mozes sluit dan een verbond tussen Jehovah God en zijn daar bijeengekomen volk en waarschuwt voor de verschrikkelijke gevolgen van ongehoorzaamheid. Hij zegt echter ook dat als zij berouw hebben, Jehovah hen weer in zijn gunst zal herstellen, en op grond van deze profetie stelt hij hen derhalve voor de keus: „Ik neem heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen, dat ik u het leven en de dood heb voorgelegd, de zegen en de vervloeking; en gij moet het leven kiezen, opdat gij moogt blijven leven, gij en uw nageslacht, door Jehovah, uw God, lief te hebben, door naar zijn stem te luisteren en door hem aan te hangen; want hij is uw leven en de lengte uwer dagen.” — Deut. 30:19, 20.

MOZES’ SLOTWOORDEN

Mozes, die nu 120 jaar oud is, geeft zijn volk, dat op het punt staat de Jordaan over te trekken om het Beloofde Land in bezit te nemen, nog een laatste aanmoediging. „Weest moedig en sterk. Weest niet bevreesd en krimpt niet van angst ineen voor hen, want Jehovah, uw God, zelf trekt met u mee.” Hij moedigt Jozua met overeenkomstige woorden aan en gebiedt dan dat er elk zevende jaar een bijeenkomst gehouden moet worden waarop Gods wet ten aanhoren van de mannen, de vrouwen en de kleinen wordt herhaald. Dan volgt er een profetie waarin met het oog op de wijze waarop de Israëlieten in de wildernis in opstand waren gekomen, Israëls opstandigheid wordt voorzegd: „Want ik — ik ken uw weerspannigheid en uw stijve nek heel goed. Indien gij, terwijl ik heden nog levend bij u ben, al blijk hebt gegeven van een weerspannig gedrag tegenover Jehovah, hoeveel te meer dan na mijn dood!” Zou het een jood, met het oog op die profetie, nog moeten verbazen waarom zijn volk in het algemeen in gebreke is gebleven de grotere Mozes, Jezus Christus, hun Messías, te aanvaarden? — Deut. 31:1-30.

Vervolgens schrijft Mozes in een schitterend lied grootheid aan Jehovah toe: „De Rots, volmaakt is zijn activiteit, want al zijn wegen zijn gerechtigheid. Een God van getrouwheid, bij wie geen onrecht is; rechtvaardig en oprecht is hij.” Hij weidt uitvoerig uit over de eigenzinnige handelwijze van zijn volk, herinnert hen eraan dat Jehovah de wraak toekomt en roept dan uit: „Weest vrolijk, gij natiën, met zijn volk.” Mozes besluit door over alle stammen, met uitzondering van Simeon, een zegen uit te spreken. — Deut. 32:1–33:29.

Het boek besluit met details betreffende de dood van Mozes, welke naar alle waarschijnlijkheid hetzij door Jozua of door de hogepriester Eleazar zijn opgetekend. Mozes’ „oog was niet dof geworden en zijn vitaliteit was niet gevloden”. Zijn volk heeft hem dertig dagen lang intens beweend, want „er is in Israël nog nooit een profeet opgestaan zoals Mozes, dien Jehovah van aangezicht tot aangezicht heeft gekend”. — Deut. 34:1-12.

Op het ogenblik bevindt Jehovah’s opgedragen volk zich in een soortgelijke positie als die van de Israëlieten op de vlakten van Moab. Wij doen er derhalve goed aan de waarheden en vermaningen die Mozes aan de Israëlieten gaf, ter harte te nemen. In de eerste plaats zullen wij altijd moeten beseffen dat de mens niet alleen van brood leeft, maar van elke uitspraak die uit Jehovah’s mond voortkomt. Wij weten heel goed dat onze God Jehovah één Jehovah is en dat wij hem moeten liefhebben met geheel ons hart, onze ziel en onze levenskracht, aangezien hij een God is die exclusieve toewijding eist. Bovendien is hij een God die een verterend vuur is en aan wie alleen de wraak toekomt. Wij kunnen ook troost putten uit het feit dat al zijn activiteiten volmaakt en rechtvaardig zijn. Het onderhouden van zijn voorschriften betekent beslist leven, terwijl ongehoorzaamheid de dood betekent.

Met grote blijdschap verheugen wij ons wegens Jehovah’s goedheid jegens ons in alles wat wij ondernemen, en doen wij een beroep op mensen van alle natiën zich met ons te verheugen. Er is terecht opgemerkt: „Pas wanneer de twintigste-eeuwse mens zich in elk aspect van zijn leven onder de soevereiniteit van God stelt, zal hij de strekking van het boek Deuteronomium beginnen te begrijpen.”

[Voetnoten]

a Deut. 6:4, 5; 10:12; 11:1, 13, 22; 13:3; 19:9; 30:6, 16, 20.

b Zie ook Deuteronomium 7:8; 10:15; 23:5.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen