Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w77 1/10 blz. 588-591
  • Van straatvechter tot christelijke bedienaar

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Van straatvechter tot christelijke bedienaar
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • TWEE JONGELUI DIE IK NOOIT ZAL VERGETEN
  • HET HUWELIJK VERANDERDE MIJ NIET
  • HOE IK BEGON TE VERANDEREN
  • IN HET OPENBAAR GETUIGENIS GEVEN
  • RADICALE VERANDERINGEN AANGEBRACHT
  • GELEGENHEDEN VOOR DIENST
  • Mijn strijd om de beste te zijn — Was het de moeite waard?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Door dicht tot God te naderen kon ik mijn problemen aan
    Ontwaakt! 1993
  • Een gelukkig gezinsleven — Hoe wij dit bereiken
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Waarom worden alle soorten van mensen Jehovah’s getuigen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
w77 1/10 blz. 588-591

Van straatvechter tot christelijke bedienaar

Zoals verteld door Harry S. Yoshikawa

ONZE buren in de kleine gemeenschap waar ik bijna vijftig jaar geleden opgroeide, waren gokkers, vechtersbazen en dieven. Mijn vader was een ruige, sterke visser — een expert in de vechtsporten.

Vader leerde mijn broer en mij toen wij nog heel jong waren, hoe wij onszelf moesten verdedigen. Wij kwamen uit op vechtsportwedstrijden, waar wij gewoonlijk òf wonnen òf tweede werden. Toen ik dertien jaar was, gingen wij voor 6 maanden naar Japan, waar wij een verdere opleiding ontvingen in de vechtsporten. Bovendien heb ik van een middengewicht-bokskampioen op Hawaii de knepen van de bokskunst geleerd.

Vechten werd mijn wekelijkse activiteit. Tiny the Bruiser (Kleintje de Vermorzelaar) was mijn bijnaam, en ik was niet klein. Vrienden haalden mij vaak midden in de nacht op om tegen iemand in Honolulu of Waikiki te vechten.

In 1944 ging ik in het leger en werd ik naar Europa gezonden. De Tweede Wereldoorlog was aan de gang, en het was verschrikkelijk dit mee te maken. Na de oorlog vormde ik een muzikale groep, de „Beach Combers” genaamd, en ook een Hawaiiaans boksteam. Wij reisden door Europa en traden voor zowel militairen als burgers op. Er werden enkele grammofoonplaten van onze groep gemaakt en wij traden ook op voor de radio.

TWEE JONGELUI DIE IK NOOIT ZAL VERGETEN

Tijdens de oorlog in België, in het begin van 1945, hoorde ik voor het eerst iets wat niet al te veel voor mij te betekenen had. Ik was eerste sergeant, en elke week kwam een jongen van een jaar of achttien bij mij op kantoor. Hij vertelde me dat God een regering zal oprichten die vrede op aarde tot stand zal brengen. Toen ik hem vroeg waarom hij geen militair was, zei hij dat hij reeds in een leger diende — Christus’ leger. Het was een onduidelijk antwoord voor mij.

Nadat ik in 1946 van het Europese oorlogstoneel was teruggekeerd, sprak een andere tiener met mij over de bijbel. In het begin dacht ik dat hij dit deed wegens het soort van leven dat ik leidde — altijd vechten, dronken worden en andere slechte dingen doen. Ik herinnerde me wat de Belgische jongen had gezegd en tot mijn verbazing merkte ik dat dit dezelfde boodschap was.

Deze jongeman verspreidde vlak bij een bioscoop tijdschriften op straat. Aangezien ik met hem te doen had en me een beetje voor hem schaamde, bood ik aan al zijn tijdschriften te kopen, zodat hij naar huis kon gaan of met mij naar de bioscoop kon. Hij weigerde echter altijd. Ik vond dit heel bijzonder voor een jongen van zijn leeftijd.

HET HUWELIJK VERANDERDE MIJ NIET

Af en toe nam ik er tussen de vechtpartijen door de tijd voor om de meisjes het hof te maken, en ten slotte trouwde ik. Het huwelijk maakte echter geen einde aan mijn wekelijkse vechtpartijen.

Als ik thuiskwam, wachtte mij soms een ander gevecht. Mijn vrouw was dan kwaad dat ik haar en de kinderen alleen thuis had gelaten. Toen ik eens, na een straatgevecht gewonnen te hebben, om 6 uur in de ochtend in een overwinningsroes thuiskwam, wachtte mijn vrouw mij op. Ik probeerde via het souterrain binnen te komen en gaf voor dronken te zijn, maar ik kon haar niet om de tuin leiden. Ze stond klaar en gaf me een klap met een geta, een houten sandaal.

HOE IK BEGON TE VERANDEREN

Het jaar 1954 kenmerkte een keerpunt in mijn leven. Een collega van de busmaatschappij waar ik werkte, gaf me twee brochures, Basis voor geloof in een nieuwe wereld en Na Armageddon — Gods nieuwe wereld. Ik pakte ze aan en bleef de hele nacht op om ze te lezen en te herlezen. Ik besefte dat deze religie beslist anders was dan de religies die ik had leren kennen.

Er werd mij verteld dat er ergens in hetzelfde blok waar ik woonde een gezin van deze mensen was. Ik ging daarom van huis tot huis om hen te zoeken. Het was dinsdagavond en toen ik bij dit gezin aanbelde, was er een bijbelstudie aan de gang. Toen ik informeerde of zij Jehovah’s Getuigen waren, aarzelden zij hier antwoord op te geven, misschien omdat ik op een norse, ruwe manier sprak en oude werkkleren aan had. Misschien dachten zij wel dat ik was gekomen om herrie te schoppen.

Ik werd echter binnengenodigd en op een bijzonder vriendelijke en gastvrije wijze behandeld, waardoor ik me volledig thuis voelde. Als gevolg hiervan begonnen de karaktertrekken die mij eigen waren te verdwijnen. Ik schaamde me voor mijn gedrag en spraak. De aanwezigen namen er de tijd voor om mij veel punten uit de bijbel duidelijk te maken en zij moedigden mij ertoe aan de bijbel te gaan bestuderen en al hun bijbelvergaderingen te bezoeken. Toen ik wegging, had ik het gevoel dat deze mensen de waarheid moesten hebben.

Ik kreeg de raad met een collega van de busmaatschappij waar ik werkte, te studeren; hij was een van Jehovah’s Getuigen. En nu moet u weten dat hij iemand was die ik eens een flink pak slaag wilde geven omdat zijn gezicht me niet aanstond! Ik wilde echter meer te weten komen, en daarom vernederde ik mijzelf en besloot ik hem te vragen de bijbel met mij te bestuderen.

Toen ik naar zijn huis toe liep, zag hij me aankomen. Hij was ervan overtuigd dat ik was gekomen om herrie te schoppen. Zijn vrouw begroette me en bejegende me met grote christelijke vriendelijkheid. Haar man verloor al gauw zijn vrees en er werd een bijbelstudie begonnen. Binnen twee maanden begon ik mijn vrienden en familieleden dingen te vertellen die ik leerde, hoewel ik dit erg ontactvol aanpakte.

Ik zei mijn vrouw ronduit dat wij niet langer boeddhisten waren en dat wij geen Kerstmis of andere heidense feestdagen zouden vieren. Ik maakte haar duidelijk dat zij dit besluit moest accepteren, want anders zou er wat zwaaien. Aangezien zij geloofde dat ik gek was geworden, smeekte zij mijn ouders om raad wat zij moest doen, omdat ’hun zoon’ zo vreemd deed. Mijn moeder stelde haar gerust door te zeggen: „Maak je geen zorgen, mijn zoon is nooit ergens al te lang in geïnteresseerd. Geef hem drie maanden en hij zal alles over deze malle religie en Jehovah vergeten.”

IN HET OPENBAAR GETUIGENIS GEVEN

Deze keer had mijn moeder het echter bij het verkeerde eind. Het duurde niet lang of ik sloot me bij anderen aan in het geven van getuigenis. De eerste keer was gedenkwaardig, bijna rampzalig. De presiderende opziener nam mij met zich mee om op straat bijbelse tijdschriften te verspreiden.

Ik riep tot voorbijgangers: „Lees de Ontwaakt!” Eén persoon antwoordde op een hatelijke manier: „Ik ben klaarwakker en heb dat rottijdschrift niet nodig.” Onmiddellijk stak mijn oude persoonlijkheid weer de kop op.

„Zo, dus jij bent klaarwakker?! Nou, dat zal dan niet lang duren. Ik stamp je zo direct in slaap.” Ik deed een uithaal naar hem en joeg hem twee blokken achterna. Ondertussen haalde de verschrikte opziener me in en zei hij hoe blij hij was dat ik die man niet te pakken had gekregen. Hij legde uit dat als ik hem had afgetuigd, dit smaad op Gods naam zou hebben geworpen. Ik zei op mijn beurt dat als de politie mij gearresteerd zou hebben, ik niet zou zeggen dat ik een van Jehovah’s Getuigen was maar bij de Pinkstergemeente behoorde.

Geduldig corrigeerde de opziener mij en legde uit dat ik dan zou liegen. Daarna bleef hij vlak bij me staan. Ik schaamde me werkelijk, en toen ik naar huis ging, bad ik Jehovah of hij me wilde vergeven.

Mijn eerste ervaring in het van-huis-tot-huiswerk was ook weer een verhaal apart. Aan de eerste deur ontmoette ik een vriendelijke vrouw. Zij luisterde naar mijn toespraakje en stelde vragen, maar niet over de bijbel. Ze vroeg: „Bent u getrouwd? Hoeveel kinderen hebt u? Wie kookt bij u thuis?”

Haar man, die zich afvroeg wie met haar praatte, kwam naar de deur. Hij zei me dat ik mijn tijd verspilde, aangezien zij geestesziek en dus niet goed bij haar verstand was. Ze bleef me echter vragen stellen en ik hield mijn hele bijbelse toespraakje. Dit schonk me vertrouwen om naar het volgende huis te gaan. En bij de volgende deur nam een geïnteresseerde huisbewoner maar liefst drie bijbelse studiehulpmiddelen van me! Tegen het einde van de dag had ik er nog zeven verspreid.

RADICALE VERANDERINGEN AANGEBRACHT

Ik was zo onder de invloed van nicotine geraakt dat ik eens, toen ik geen sigaretten meer had, mijn vrouw wakker maakte en haar een paar sigaretten bij de buren liet halen. Uit mijn studie van Gods Woord leerde ik echter dat roken niet in het leven van een christen thuis hoort. Drie maanden nadat ik met de studie was begonnen, hield ik derhalve met roken op.

Ik besloot mijn opdracht aan Jehovah door de waterdoop te symboliseren en werd op 17 juli 1954 gedoopt. Mijn grote verlangen was nu dat mijn gezin zich in de ware aanbidding bij mij zou aansluiten.

De Oosterse gewoonte is dat de vrouw alle huishoudelijke werkzaamheden verricht zonder dat haar man haar hierbij helpt. Ik ben altijd een krachtige voorstander van deze gewoonte geweest. Maar aangezien mijn verlangen dat mijn vrouw de bijbel zou gaan bestuderen, groter was, duurde het niet lang of ik waste de vaat, spoelde vuile luiers en hielp met het koken en de zorg voor de kinderen. Eens picknickten wij met onze vrienden aan het strand, maar in plaats dat ik van de branding genoot of over alledaagse dingen praatte, begon ik hun de bijbel voor te lezen. Zij besloten te gaan wandelen, om van mijn volhardende gepredik af te zijn. Maar tot hun ontzetting liep ik met de bijbel in de hand vlak achter hen aan. Ten slotte stemden mijn vrouw en onze vriend en zijn vrouw erin toe een geregelde bijbelstudie te hebben.

Mijn moeder merkte dat ik mijn belangstelling om Jehovah te dienen niet had verloren, zoals zij had verwacht. Het werd haar duidelijk dat de nieuwe persoonlijkheid die ik ontwikkelde geen tijdelijke gril was. Daarom stemde ook zij erin toe de bijbel te bestuderen ten einde te weten te komen wat mij tot een ander mens had gemaakt.

25 juni 1955 was een van de gelukkigste dagen van mijn leven. Op die dag was er tijdens een congres van Jehovah’s Getuigen een doopdienst, en wie denkt u dat er als doopkandidaten vooraan zaten? Mijn vrouw, mijn moeder en onze vriend en zijn vrouw — alle vier gereed om hun opdracht aan Jehovah te symboliseren.

Ik heb sindsdien de vreugde gehad te zien dat een aantal van mijn collega’s onder de buschauffeurs de bijbelse waarheden aanvaardden en Jehovah’s Getuigen werden. Onder hen bevindt zich een chauffeur die ik eens tegen de muur had gedrukt met de bedreiging dat ik hem in elkaar zou timmeren. Hij is nu een reizende opziener.

GELEGENHEDEN VOOR DIENST

In het jaar na mijn doop begon men mij in de gemeente in verschillende hoedanigheden te gebruiken. In 1958 werd ik vervolgens tot presiderend opziener en ook tot stadsopziener voor Honolulu aangesteld.

Wegens mijn gezinsverplichtingen leek de volle-tijdpredikingsdienst als „pionier” beslist niet voor mij weggelegd. Mijn vier kinderen waren allen nog op school. Als gezin gingen wij echter zo vaak als wij konden in de tijdelijke pioniersdienst. In 1963 werd mijn vrouw vervolgens een gewone pionierster.

Onze gemeente was pioniersgezind. Gedurende sommige maanden was meer dan de helft van de gemeente in de tijdelijke pioniersdienst; eens hebben tweeënzeventig van ons dit gedaan. Met zoveel pioniers in één gemeente, moest er wel een goed schema worden aangehouden en veel wederzijdse hulp worden geboden. Voor babysitten, vervoer en gebiedstoewijzingen werden zorgvuldig regelingen getroffen. Wat hadden wij samen een vreugdevolle maand!

In 1967 kreeg ik de uitnodiging aan het kringwerk deel te nemen en een aantal gemeenten op de Hawaiiaanse eilanden te bezoeken ten einde hen geestelijk aan te moedigen. Dit was een prachtgelegenheid, die ik echter niet kon aanvaarden zonder eerst met mijn gezin gesproken te hebben, aangezien drie van onze kinderen nog op school waren.

Mijn fijne kinderen waren bereid part-timewerk te gaan doen en op elke andere manier hulp te bieden die maar mogelijk was, opdat ik deze nieuwe toewijzing op mij kon nemen. Eén dochter zei: „Vader, u hebt ons altijd aangemoedigd te pionieren, maar hoe staat het met u? Dit is voor u dè gelegenheid om al uw tijd aan Jehovah te schenken.”

In het kringwerk maakten wij veel verschillende en soms ook amusante situaties mee. Een ervan staat mij nog duidelijk voor de geest. Twee buren stonden op gespannen voet met elkaar, aangezien een van hen de mangoboom van zijn buurman die over een deel van zijn tuin hing, had omgehakt. Er waren harde woorden gevallen en bedreigingen geuit. Toen ik aan de deur kwam van de man die de boom had omgehakt, dacht hij dat ik een rechercheur was die de zaak onderzocht, en daarom liet hij mij binnen.

Toen ik begon te praten, dacht de man: ’Wat een vreemde aanpak heeft deze rechercheur, om te proberen mij met de bijbel terecht te wijzen!’ Na enkele minuten ontdekte hij echter dat ik een Getuige was en lichtte hij me in dat hij Jehovah’s Getuigen nog nooit eerder had binnengelaten. Hij stemde in een huisbijbelstudie toe en maakte goede vorderingen. Na verloop van tijd werden tien van zijn familieleden en vrienden Getuigen.

Onze kinderen zijn nu allen volwassen. Eén zoon heeft vier jaar op Brooklyn-Bethel, het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen, gewerkt. Te zamen met zijn vrouw verricht hij nu dienst als districts- en kringopziener in Amerikaans Samoa. Twee dochters zijn speciale pioniersters, en onze andere zoon en zijn vrouw, die nu een dochtertje hebben, zijn ook actieve predikers van het goede nieuws. En mijn vrouw en ik zijn nog steeds in de kringdienst.

Slechts weinigen kunnen zich thans mijn reputatie als straatvechter herinneren. Sommigen vinden het zelfs moeilijk mijn verleden te geloven. Thans sta ik op de eilanden namelijk algemeen bekend als een vreedzame christelijke bedienaar, en wat is het een vreugde onze grote God, Jehovah, op zulk een wijze te vertegenwoordigen!

[Illustratie op blz. 590]

In tegenstelling tot de Oosterse gewoonte, begon ik mijn vrouw met huishoudelijke karweitjes te helpen

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen