Een man met de moed vrijuit te spreken
HOEVEEL mensen hebben de moed het op te nemen voor wat juist is wanneer iedereen om hen heen het slechte doet? Zou u dit doen? Veronderstel dat het om een religieuze of geestelijke kwestie gaat. Werpt het voordelen af in zo’n geval vrijuit te spreken?
In het begin van de menselijke geschiedenis leefde er een man die de moed had vrijuit over geestelijke kwesties te spreken. Dit was Henoch, de zoon van Jared. Henoch was de zevende man in de geslachtslijn van Adam, de vader van het menselijke geslacht. — Gen. 5:18; Jud. 14.
’HENOCH WANDELDE MET GOD’
Wat was Henoch voor iemand? Hoewel hij net als wij allen onvolmaakt was, ’bleef Henoch met de ware God wandelen’ (Gen. 5:24). In overeenstemming met Gods geopenbaarde waarheid volgde hij een handelwijze van rechtvaardigheid. Zijn leven was in harmonie met de wil en het voornemen van Jehovah God. En Henoch bezat beslist het geloof dat er door bemiddeling van het zaad van Gods „vrouw” grote zegeningen zouden komen (Gen. 3:15). Er is geen geschreven verklaring voorhanden waaruit blijkt dat er in Henochs tijd nog iemand was die ’met God wandelde’. Hij schijnt in dat opzicht op zijn minst uniek te zijn geweest.
HET RELIGIEUZE KLIMAAT VAN DIE TIJD
Tegen de tijd dat Henoch in het jaar 3404 vóór de gewone tijdrekening werd geboren, was de geestelijke situatie onder de mensheid hard achteruitgegaan. Met het verstrijken van de tijd werden er steeds meer goddeloze daden verricht. Adams zoon Abel had als Gods getuige de naam van Jehovah aangeroepen en was wegens zijn getrouwheid de marteldood gestorven (Gen. 4:4-8; Hebr. 11:4). Meer dan een eeuw later werd Adams zoon Seth vader van een zoon, Enos genaamd. Wat gebeurde er in de dagen van Enos? Wij lezen in de Schrift: „In die tijd werd er een begin mee gemaakt de naam van Jehovah aan te roepen” (Gen. 4:25, 26; 5:3, 6). Vormde dit een herleving van de ware aanbidding?
Neen, dit was niet het geval. Kenners van het Hebreeuws zijn van mening dat deze tekst dient te luiden: „toen begonnen zij op profane wijze” Gods naam aan te roepen of „toen begon de ontheiliging”. In de Palestijnse Targum staat: „Dat was de generatie in wier dagen zij begonnen te zondigen en zich afgoden begonnen te maken, en hun afgoden als bijnaam de naam van het woord van de Heer begonnen te geven”. Zij maakten hierbij klaarblijkelijk misbruik van Jehovah’s naam. Mogelijk pasten mensen deze op zichzelf toe of op bepaalde personen door bemiddeling van wie zij voorgaven Jehovah in aanbidding te naderen. Of misschien hebben zij de goddelijke naam op afgoden van toepassing gebracht.
Dit godslasterlijke ’aanroepen van de naam van Jehovah’ had in ieder geval beslist niet tot gevolg dat men tot de zuivere aanbidding van de ware God terugkeerde. Die mensen wandelden niet met God. Er is geen verslag voorhanden dat iemand met God wandelde totdat Henoch 387 jaar na de geboorte van Enos werd geboren. In Henochs dagen waren schokkende goddeloze daden aan de orde van de dag en had valse aanbidding de overhand. Ondanks de geestelijke verdorvenheid waardoor Henoch werd omringd, bleef hij echter ’met de ware God wandelen’. — Gen. 5:22.
HENOCH DIENDE ALS GODS PROFEET
De getrouwe Henoch zag niet stilzwijgend toe hoe er religieuze zonden en goddeloze praktijken werden bedreven. Als een man met een in het oog springend geloof behoorde hij tot de „grote wolk van getuigen” van Jehovah (Hebr. 11:5; 12:1). Henoch — louter een onvolmaakt mens die zich als een alleenstaande getuige onder kwaaddoeners bevond — had de moed vrijuit te spreken.
„Zie!”, verklaarde Henoch, „Jehovah is met zijn heilige myriaden gekomen om aan allen het oordeel te voltrekken en om alle goddelozen schuldig te verklaren betreffende al hun goddeloze daden die zij op goddeloze wijze bedreven hebben, en betreffende alle ergerlijke dingen die goddeloze zondaars tegen hem hebben gesproken” (Jud. 14, 15). Ja, Henoch sprak moedig als een getrouwe menselijke profeet van God. Zijn profetie werd dan ook waarschijnlijk bekend doordat hij predikte, net zoals Noach later een „prediker” was (2 Petr. 2:5). Henoch zette echter niet op eigen initiatief een campagne op touw. Hij sprak doordat hij hier door Jehovah’s heilige geest of werkzame kracht toe werd aangespoord. Dus hoewel Henoch de moed had om vrijuit te spreken, deed hij dit in de kracht die God verleent. — Fil. 4:13.
Hoe de discipel Judas, die Henochs woorden in de eerste eeuw G.T. optekende, van die profetie op de hoogte is geraakt, wordt niet onthuld. Ze wordt niet aangetroffen in de geschriften van Mozes, die het Genesisverslag samenstelde. Niettemin schreef Judas onder goddelijke inspiratie zodat de opneming van Henochs profetie in zijn brief de echtheid van die woorden bevestigt.
Judas sprak over bepaalde „goddeloze mensen” die de christelijke gemeente waren binnengedrongen (Jud. 4). Met betrekking tot hen haalde hij Henochs profetie aan over Jehovah’s komst om het oordeel aan de goddelozen te voltrekken. Die woorden hebben in de eerste eeuw beslist een krachtige uitwerking gehad.
Maar staat u eens stil bij de uitwerking die Henochs profetische woorden op de goddeloze mensen in zijn tijd gehad moeten hebben! Zouden die kwaaddoeners het prettig gevonden hebben te horen dat ’Jehovah met zijn heilige myriaden zal komen om het oordeel aan de goddelozen te voltrekken’? Klaarblijkelijk niet! Er was beslist moed en steun van Jehovah voor nodig om te midden van die onrechtvaardige beoefenaars van valse religie vrijuit te spreken. Wat zullen zij Henoch graag de mond gesnoerd hebben!
GOD KOMT TUSSENBEIDE
Die goddeloze mensen zullen ongetwijfeld het verlangen gehad hebben degene die door God werd gebruikt om hun valse aanbidding en „goddeloze daden” aan de kaak te stellen, te doden. Maar alle eventuele plannen in die richting werden verijdeld. Hoe? „Toen”, zo wordt ons verteld, „was [Henoch] niet meer, want God nam hem weg” (Gen. 5:24). Jehovah stond niet toe dat Henochs tegenstanders Zijn loyale profeet zouden doden. In plaats daarvan ’nam God hem weg’. Maar wat wordt hier eigenlijk mee bedoeld?
De christelijke apostel Paulus schreef hierover: „Door geloof werd Henoch overgebracht, opdat hij de dood niet zou zien, en hij was nergens te vinden, omdat God hem had overgebracht; want voor zijn overbrenging had hij het getuigenis dat hij God welgevallig was geweest” (Hebr. 11:5). Dr. James Moffatt heeft deze tekst als volgt vertolkt: „Door geloof werd Henoch naar de hemel opgenomen, zodat hij nooit is gestorven (hij werd niet door de dood overvallen, want God had hem weggenomen).” Hoe zou die vertolking echter juist kunnen zijn? In Psalm 89:48 wordt de vraag gesteld: „Welke fysiek sterke man leeft er die de dood niet zal zien?”
Henoch was een onvolmaakt mens. Hij had van zijn voorvader Adam zonde en de dood geërfd. ’Door bemiddeling van één mens is de zonde de wereld binnengekomen’, zo schreef de apostel Paulus, ’en aldus heeft de dood zich tot alle mensen uitgebreid omdat zij allen gezondigd hadden’ (Rom. 5:12). Bovendien verklaarde Jezus Christus: „Geen mens [is] tot in de hemel opgestegen, dan hij die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen” (Joh. 3:13). Henoch is dus gestorven, maar God heeft hem niet naar de hemel overgebracht.
In plaats daarvan ’nam God hem weg’ door Henoch in een vredige dood van het toneel te verwijderen toen deze getrouwe profeet 365 jaar oud was (Gen. 5:23, 24). Dat was ver beneden de levensduur van de meesten van zijn tijdgenoten. Henoch is geen gewelddadige dood gestorven als gevolg van het optreden van zijn vervolgers. Ook is er geen schriftuurlijk bericht voorhanden waaruit blijkt dat hij de gevolgen ondervond van een afnemende gezondheid, hetgeen maar al te vaak tot de dood leidt. Henoch heeft dus klaarblijkelijk niet de smarten van de dood gekend. In dat geval heeft hij ’de dood niet gezien’ doordat hij niet bewust is gestorven.
Nadat deze moedige profeet op een niet bekend geworden plaats was gestorven, heeft Jehovah zich heimelijk van zijn lichaam ontdaan, net zoals dit later met Mozes’ lichaam is gebeurd (Deut. 34:5-7). Henochs vijanden hebben het nooit kunnen vinden ten einde er op een of andere wijze misbruik van te maken.
HENOCHS „OVERBRENGING’
Nadat Henoch „het getuigenis [had ontvangen] dat hij God welgevallig was geweest”, is hij dus op een of andere manier „overgebracht, opdat hij de dood niet zou zien” (Hebr. 11:5). Het Griekse woord dat hier met „overgebracht” is vertaald, betekent „overbrengen”, „vervoeren” of „de plaats veranderen van”. Het doet denken aan wat de apostel Paulus ondervond, die werd overgebracht of weggerukt „naar de derde hemel” of „tot in het paradijs”. In die toestand heeft Paulus klaarblijkelijk van God een visioen van het toekomstige geestelijke paradijs van de christelijke gemeente ontvangen. — 2 Kor. 12:1-4.
Aangezien Henoch een profeet was, heeft God hem mogelijk ’weggenomen’ toen Henoch in een overeenkomstige geestvervoering was. Jehovah heeft hem misschien in de dood doen inslapen toen Henoch in een profetische trancetoestand verkeerde en van een visioen genoot van het paradijs van Gods nieuwe ordening, waarin Jehovah „de dood voor eeuwig [zal] verzwelgen” (Jes. 25:8). In Henochs geval kan de opstanding uit de dood een overbrenging inhouden van een betoverend visioen tot de wonderbaarlijke werkelijkheid. — Hand. 24:15.
VAN WELK NUT IN DEZE TIJD?
Godvruchtige personen in deze tijd kunnen veel voordeel trekken van de ervaringen en het voortreffelijke voorbeeld van Henoch. Evenals hij kunnen zij in geloof ’met God wandelen’ door in overeenstemming met Gods wil en voornemen te leven. Hoewel zij net als Henoch onvolmaakt zijn, kunnen zij evenals hij getrouwe getuigen van Jehovah zijn. — Hebr. 12:1.
Jehovah ’neemt’ godvruchtige personen thans niet van het toneel ’weg’ zoals hij Henoch ’heeft weggenomen’. Maar door middel van de heilige geest ondersteunt God zijn volk als zij ter wille van de rechtvaardigheid vervolging ondergaan. Zij kunnen zich ondanks verscheidene beproevingen verheugen, in het vertrouwen dat God niet zal toelaten dat zij meer ondervinden dan zij kunnen dragen (Matth. 5:10; 1 Kor. 10:13; 1 Petr. 1:6, 7). Mochten zij echter in getrouwheid sterven, dan hebben deze godvruchtige personen net als Henoch de opstandingshoop. — Joh. 5:28, 29.
Hoewel christenen het toekomstige aardse paradijs niet in een visioen hebben gezien, is het heel werkelijk voor hen. Zij weten dat het gegrondvest zal worden (Luk. 23:43). Zelfs thans verheugen zij zich in een geestelijk paradijs.
In overeenstemming met Henochs profetische waarschuwing heeft Jehovah ten tijde van de vloed in Noachs dagen het oordeel aan de goddelozen voltrokken. Die profetie is echter ook aanmoedigend voor christenen in deze tijd, want er wordt door aangetoond dat goddeloze mensen ten tijde van de vernietiging van Babylon de Grote en gedurende Gods oorlog te Har–mágedon vernietigd zullen worden en door Gods heilige myriaden van het leven zullen worden afgesneden. Dat terechtstellingswerk zal onder leiding staan van de Heer Jezus Christus. — Openb. 16:14-16; 18:1-24; 19:11-16.
Evenals Henoch maken christenen in deze tijd derhalve moedig Gods boodschap bekend, of deze nu verband houdt met goddelijke oordelen tegen de goddelozen of met Zijn glorierijke voornemen de mensheid onder de heerschappij van het hemelse Koninkrijk te zegenen. In verband met zulke dingen hebben Jehovah’s Getuigen de moed vrijuit te spreken.