Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w77 15/4 blz. 249-252
  • Wij hebben niet getalmd

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wij hebben niet getalmd
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • IN JAPANS BARRE NOORDEN
  • EEN BEZOEK DAT VRUCHTEN AFWIERP
  • DIENST OP OKINAWA
  • JAPANSE CONGRESSEN KENMERKEN VOORUITGANG
  • CONGRESVOORBEREIDINGEN GEZEGEND
  • ONS GEZINSLEVEN IN JAPAN
  • PROBLEMEN IN VERBAND MET HET JAPANSE SCHOOLONDERWIJS
  • EEN LONEND LEVEN
  • De hardwerkende Japanners
    Ontwaakt! 1982
  • Een bijzonder cadeau voor Japan
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2015
  • Van keizeraanbidding tot de ware aanbidding
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1998
  • Omdat zij schipbreuk leden
    Ontwaakt! 1983
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
w77 15/4 blz. 249-252

Wij hebben niet getalmd

Zoals verteld door Leon Pettitt

„HIJ DIE op de wind let, zal niet zaaien; en hij die naar de wolken ziet, zal niet oogsten” (Pred. 11:4). Door dit in gedachten te houden, zijn mijn vrouw Daphne en ik geholpen de „pioniers-dienst” voor Jehovah op ons te nemen, naar Gilead te gaan en een buitenlandse gebiedstoewijzing te aanvaarden — en er te blijven toen wij kinderen kregen. In Engeland had ik na een opleiding van twee jaar mijn betrekking opgezegd om een „pionier”-Getuige te worden en al mijn tijd te gebruiken om anderen over Gods koninkrijk te vertellen. Wegens dezelfde reden had mijn vrouw de hogere onderwijsinstelling waaraan zij studeerde verlaten toen zij nog maar twee jaar voor de boeg had. Wij hadden elkaar in die tijd nog niet ontmoet. In 1951 studeerde ik af van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead en ging ik naar Japan. Daphne kwam vier jaar later en wij trouwden in de zomer van 1957. Het duurde nog tot 1968 voordat ons eerste kind geboren werd. De oudste van onze twee jongens gaat naar een plaatselijke Japanse school.

Gedurende de periode waarin wij beiden de meeste tijd die wij hadden aan de zendingsdienst konden besteden, stelden wij onszelf beschikbaar zodat het Wachttorengenootschap ons daarheen kon zenden waar dit noodzakelijk werd geacht. Wij aanvaardden deze toewijzingen, ongeacht waar ze zich bevonden, en hebben als gevolg hiervan vele rijke zegeningen genoten.

IN JAPANS BARRE NOORDEN

De eerste toewijzing die wij na ons huwelijk ontvingen, bracht ons naar het eiland Hokkaido, waar wij met vier andere zendelingen het werk van de grond af moesten opbouwen. Wij waren heus wel aan koude winters gewend, maar de voortdurende temperaturen onder nul, de gierende sneeuwstormen en de overvloedige sneeuwval gedurende die eerste winter waren nieuw voor ons. Wij ontdekten echter spoedig dat deze lange winters, waarin de mensen betrekkelijk weinig te doen hadden, de weg openden voor vele huisbijbelstudies. Met de komst van het voorjaar waren verscheidene leerlingen van ons gereed om ons in onze van-huis-tot-huisdienst met de bijbel te vergezellen.

Ik richtte een studie op bij een student die de vurige wens koesterde schoolonderwijzer te worden in de een of andere afgelegen plaats waar onderwijzers meestal niet graag naar toe gingen. Slechts zes maanden voordat hij afstudeerde, trof ik er regelingen voor elke dag met hem te studeren. Hij aanvaardde de waarheid heel snel en besloot al zijn tijd aan het onderwijzen van de bijbel te besteden in plaats van schoolonderwijzer te worden. Evenals wij talmde hij niet. Hij ruimde sneeuw, snoeide bomen, deed werk als portier en verrichtte allerlei part-time werkjes om in zijn levensonderhoud te voorzien totdat hij ten slotte de uitnodiging ontving „speciale pionier”-voorrechten te genieten. Op het ogenblik heeft ook hij een gezin en blijft hij in een van Japans 866 gemeenten van Jehovah’s Getuigen getrouw dienst verrichten als een ouderling.

Er zijn reeds negentien jaar verstreken sinds wij op Hokkaido kwamen, om de eerste gemeente in Sapporo op te richten. Nu zijn er in dit noordelijke gebied vijfenzeventig gemeenten. Later kregen wij de toewijzing om weer in het zuiden te werken en Japanse gemeenten in een kring te bezoeken. Na drie jaar in het noorden geweest te zijn, schenen de winters in Tokio ons als het voorjaar toe.

EEN BEZOEK DAT VRUCHTEN AFWIERP

Toen mijn vrouw in het gebied van een van de gemeenten van Tokio getuigenis gaf, ging zij ongeveer twee minuten vóór twaalf een klein restaurant binnen. Tot haar verbazing abonneerde de drukke eigenaar zich op De Wachttoren na slechts een heel korte toelichting ontvangen te hebben. Toen zij vernam dat de restauranteigenaar in de namiddag een rustige periode had, ging zij dezelfde week met een plaatselijke Getuige terug en trof zij er regelingen voor dat er een bijbelstudie bij hem werd gehouden. Deze man bleek het krachtige verlangen te hebben iets ten behoeve van andere mensen te doen, en doordat hij de waarheid leerde kennen, werd hij er beslist bij geholpen dat te doen. Hij kwam nog diezelfde week in zijn witte werkkleding naar de vergadering, en steeds als wij die gemeente vier maanden later bezochten, had hij nieuwe vorderingen gemaakt. Bij een van onze bezoeken mochten wij bij hem logeren. Hij en zijn vrouw dienen Jehovah God nu reeds vele jaren achtereen in de volle-tijddienst. Wij zien hem nog steeds in zijn witte werkkleding op grote congressen als hij toezicht uitoefent op de bereiding van maaltijden in cafetaria’s waar tienduizenden congresgangers van voedsel worden voorzien. Zijn vrouw en kinderen zijn blij dat hij niet heeft getalmd toen mijn vrouw hem voor het eerst ontmoette.

Later kregen wij de toewijzing „districts”-werk te verrichten. Dit betekende dat ik om de week grote vergaderingen van Jehovah’s Getuigen organiseerde en toesprak. Het behoeft geen betoog dat wij tegen deze tijd de Japanse taal behoorlijk meester waren. Ons district omvatte meer dan de helft van Japan en omvatte tevens het eiland Okinawa.

DIENST OP OKINAWA

Het levenstempo was veel langzamer op Okinawa. In veel streken zaten wij, nog voordat wij hadden kunnen uitleggen waarom wij daar waren, op de mat die een gastvrije huisbewoner had aangeboden, terwijl er groene thee en klontjes bruine suiker werden geserveerd. De hartelijke gastvrijheid van de Okinawanen en de liefde van onze broeders aldaar zullen ons altijd als fijne herinneringen bijblijven.

Voordat Okinawa weer een deel werd van Japan, verloor een van onze geestelijke zusters aldaar bijna haar baan als schoolonderwijzeres in verband met de vlaggegroetkwestie. Dit kwam doordat verscheidene kinderen op haar school die samen met haar de bijbel bestudeerden, op grond van hun geweten weigerden de Japanse vlag te groeten. Haar man, zelf leraar aan een middelbare school en destijds een ongelovige, verdedigde haar zaak succesvol tegenover de schoolautoriteiten en werd vervolgens een van Jehovah’s Getuigen als gevolg van het grondige onderzoek dat hij had moeten instellen. Het was werkelijk inspirerend hem in de van-huis-tot-huisactiviteit te vergezellen. Later werd hij een ouderling en leidde hij de bouw van een prachtige Koninkrijkszaal in Koza City.

JAPANSE CONGRESSEN KENMERKEN VOORUITGANG

Door congressen te bezoeken, wordt men geholpen de geest en groei onder Gods volk waar te nemen. In de begintijd, toen slechts enkele honderden personen nationale congressen bezochten, toen wij op bedden sliepen die te kort waren voor buitenlanders met lange benen en toen wij als ontbijt rauwe eieren aten waarvan de inhoud over koude rijst werd uitgegoten, hadden wij ons niet kunnen voorstellen dat Jehovah’s werk in Japan zo hard zou groeien. De congressen zelf hebben ongetwijfeld veel tot deze toename bijgedragen.

Een groot aantal ongelovige echtgenoten bezoekt de congressen. Vaak zijn zij verbaasd zoveel mannen met een drukke werkkring — net als zijzelf — te zamen met hun gezin aanwezig te zien. Japanse mannen zijn gewoonlijk erg toegewijd aan hun werk. De eisen van het bedrijf verdienen voorrang boven iemands gezin en persoonlijke activiteiten. Velen denken dat als zij de bijbel bestuderen, naar vergaderingen gaan, ophouden met gokken en roken en andere veranderingen aanbrengen, zij ten slotte ook gedwongen zullen worden hun baan op te geven. Op congressen ontmoeten zij mannen die deze veranderingen hebben aangebracht zonder van werkkring te veranderen.

Ik hoorde dat een ongelovige aan een Japanse Getuige vroeg: „Maar wat zou u doen als het bedrijf van u zou verlangen dat u het bedrijf op een boeddhistische begrafenis zou vertegenwoordigen?” De broeder legde uit dat dit hem werkelijk was overkomen. In plaats dat hij naar de begrafenis was gegaan en de familie in verlegenheid had gebracht door niet aan de aanbidding deel te nemen, was hij de avond tevoren naar het huis gegaan, alwaar hij zijn naamkaartje en het begrafenisgeschenk van het bedrijf had achtergelaten en had uitgelegd dat hij de begrafenis de volgende dag niet kon bijwonen. Door zulke contacten met de Getuigen gaan ongelovigen beseffen dat zij bijbelse beginselen kunnen volgen zonder noodzakelijkerwijs van werkkring te veranderen.

CONGRESVOORBEREIDINGEN GEZEGEND

Tijdens de congresvoorbereidingen in een stad vroeg een Getuige aan haar ongelovige echtgenoot of zij de vrijwilligers die op het congresbureau werkten, een middagmaal mocht aanbieden. De omliggende gemeenten deden dit om de beurt. De vrijwilligers nodigden hem uit met hen mee te eten en hij raakte al spoedig geïnteresseerd in het gesprek dat werd gevoerd. Het probleem werd besproken hoe er pootjes aan planken bevestigd konden worden om voor 10.000 mensen banken te maken. Iemand opperde het denkbeeld buizen te gebruiken, waarop de vreemdeling uitlegde dat hij in buizen handelde en graag een partij voor dat doel wilde schenken. Deze toevallige ontmoeting met de congreswerkers loste hun probleem op en vormde een keerpunt in zijn eigen leven. Hij is nu zelf een van Jehovah’s Getuigen.

In verband met dit zelfde internationale congres had een „pionierster” een brief geschreven aan de president van Osaka’s grootste elektriciteitsbedrijf om hem in te lichten over het zitplaatsenprobleem dat was ontstaan doordat de plaatselijke schoolautoriteiten weigerden stoelen aan een religieuze organisatie te lenen. De president werd ertoe bewogen een van de functionarissen van het bedrijf opdracht te geven aandacht aan deze kwestie te schenken, met het resultaat dat verscheidene duizenden stoelen gratis aan het congres werden uitgeleend. De brief had deze president de dag vóór zijn aftreden bereikt.

Zo iets doet ons afvragen of de engelen op onze congressen misschien wel veel harder voor ons werken dan wij wellicht denken.

Zo gebeurde het bijvoorbeeld eens dat hardwerkende Getuigen net klaar waren om het Expo-’70-terrein in Osaka voor een nationaal congres schoon te maken toen bekend werd dat er de avond vóór ons congres een pop-festival gehouden zou worden. Wij konden ons voorstellen dat Satan reeds ’in zijn vuistje lachte’ bij het vooruitzicht dat het terrein weer een smeerboel zou worden. Toen kwam er een tyfoonwaarschuwing over de radio. De storm kwam rechtstreeks op Osaka af en zou het tentoonstellingsterrein bereiken net als de muziekfans aan de gang waren. Het festival werd abrupt afgelast. En de tyfoon? Plotseling veranderde hij van richting en bleef waar hij was, ergens op de Grote Oceaan.

ONS GEZINSLEVEN IN JAPAN

Om op onze persoonlijke problemen terug te komen: het was een grote verandering voor ons om ons ergens te moeten vestigen en een gezin groot te brengen. Ik was zonder beroep en mijn vrouw zag er een beetje tegen op haar eerste baby in Japan te krijgen. Een broeder in Engeland was zo vriendelijk mij een baan aan te bieden als wij terugkwamen. Wat zouden wij doen? Een Canadese broeder, die met een Japanse vrouw was getrouwd, was hier goed aan de slag gekomen als leraar Engels. Misschien kon ik dat ook doen. Daphne’s jongere broer en zijn gezin dienden trouwens eveneens waar de behoefte sterker werd gevoeld, namelijk in Uganda. Wij konden dit ook doen door gewoon te blijven waar wij waren. Wij besloten dit te proberen.

Het Wachttorengenootschap opperde dat wij goed werk konden doen in een van de gemeenten van Nagoja. De broeders waren zo vriendelijk ons met de verhuizing te helpen. Met veel geschenken, met inbegrip van tweedehands meubilair en een nieuw matras, namen wij onze intrek in een kleine twee-kamerflat die wij van een „pionierster” huurden. Aangezien wij nog niet eens een mes en een vork hadden om onze huishouding te beginnen, waren wij diep bewogen door de edelmoedigheid en liefde van onze Japanse broeders en zusters.

Nu wij zelf een gezin moesten grootbrengen, begonnen wij de problemen te begrijpen waarmee de plaatselijke Getuigen en hun kinderen te kampen hebben. Onderwijs neemt in de meeste Japanse gezinnen een zeer belangrijke plaats in. Onze buren schenen zich er zorgen over te maken dat ons kind niet naar een kleuterschool ging, welke als de eerste stap op de weg naar de universiteit werd beschouwd. Wij begonnen de bijna onmerkbare druk tot gelijkvormigheid te voelen. Deze belangstelling van onze buren voor onze privé-aangelegenheden schonk mijn vrouw veel gelegenheden getuigenis te geven.

Zij legde dan uit hoe het op de vergaderingen toegaat, hoe kinderen leren met een groep samen te zijn en twee uur stil te zitten, hoe zij hun hand opsteken en vragen beantwoorden (in onze gemeente moeten zij daarbij duidelijk in een microfoon spreken) en hoe zij leren in groepsverband te zingen uit een liederenbundel die in het Japanse fonetische syllabenschrift is geschreven, hetgeen de kinderen gewoonlijk pas in het eerste schooljaar wordt geleerd. Kinderen die dit voorbereidende onderwijs geheel gratis in de Koninkrijkszaal ontvangen, worden er ook tegen beschermd slechte dingen te leren van sommige kinderen die naar de kleuterschool gaan. Een jonge moeder van drie kleine kinderen is er als gevolg van zulk een informeel getuigenis op de kinderspeelplaats tegenover ons huis, net mee begonnen de vergaderingen te bezoeken. Een andere buurvrouw is reeds een geestelijke zuster van ons geworden en leidt nu haar eigen studies.

PROBLEMEN IN VERBAND MET HET JAPANSE SCHOOLONDERWIJS

Later besloten wij onze jongen, Ivan, de plaatselijke Japanse lagere school te laten bezoeken, waar hij goed onderwijs kan ontvangen, vooral in het Japans. De andere jongens schijnen hem nu geaccepteerd te hebben, hoewel zijn blauwe ogen en blonde haar in het begin iets nieuws voor hen vormden. Zijn onderwijzeres schijnt zich ook te hebben neergelegd bij het feit dat er sommige dingen zijn waaraan hij, als gevolg van zijn door de bijbel geoefende geweten, niet kan meedoen.

Het eerste probleem waarmee hij te maken kreeg, hield verband met het eten van walvisvlees — dat gewoonlijk niet op schriftuurlijke wijze is uitgebloed en dat tijdens de middagpauze op school wordt geserveerd — hetgeen hij weigerde (Hand. 15:28, 29). Toen kwam het jongensfeest op de vijfde dag van de vijfde maand. Op deze dag is men in huizen met jongens gewoon grote van stof of plastic gemaakte afbeeldingen van een karper vanaf een hoge paal te laten wapperen. De kinderen moesten op school papieren karpers maken, die zij dan aan een stok bevestigden en mee naar huis namen. Ivan zei dat hij ze niet wilde maken, en zijn moeder moest onmiddellijk op school komen om zijn houding te verklaren.

De schoolautoriteiten gaven toe dat dit feest zijn oorsprong vond in Sjinto-reinigingsriten, maar zij zeiden met klem dat het nu geen religieuze betekenis meer had. De karper, die erom bekend staat tegen watervallen op te kunnen zwemmen, was slechts een symbool van het verlangen van de ouders dat hun jongens tot sterke mannen zouden opgroeien. Zij maakten er bezwaar tegen dit als bijgeloof te classificeren, maar stemden er ten slotte in toe dat Ivan de tijd kon gebruiken om iets anders te tekenen en uit te knippen.

Toen de kersttijd aanbrak, wachtte de onderwijzeres een nieuwe verrassing. Het kerstfeest heeft een krachtige plaats veroverd in het leven van de Japanse boeddhisten, evenals verjaarspartijen, Valentijnsdag, paashazen en andere westerse gewoonten die zich voor exploitatie door de grote zakenwereld lenen. Toen de kinderen in Ivans klas een tekening voor Kerstmis moesten maken, vroeg Ivan, de enige christelijke jongen in de klas, of hij wat anders mocht tekenen. Hij had kunnen uitleggen waarom Kerstmis niets met Jezus Christus te maken heeft, maar zijn onderwijzeres deed er geen moeite voor hem om een verklaring te vragen.

Zij had opgemerkt dat Ivan het Japanse volkslied niet meezong met de andere kinderen en dacht dat dit het geval was omdat hij een buitenlander was. Later merkte zij dat hij ook het Engelse volkslied niet zong. Mijn vrouw kreeg hierdoor de gelegenheid haar over de wereldomvattende neutraliteit en eenheid van Jehovah’s christelijke getuigen te vertellen. Naarmate Ivan ouder wordt, zal hij andere problemen onder de ogen moeten zien, zoals het leren van vechtkunsten — judo en schermkunst — die onder het mom van sport worden onderwezen. Wij vertrouwen dat hij in deze kwesties een juiste beslissing zal nemen, evenals hij dit in andere kwesties heeft gedaan.

Wij geloven dat het boek Naar de Grote Onderwijzer luisteren in dit opzicht een grote hulp voor hem is geweest. De in dit boek gebruikte methode om een beginsel te leren en het dan op problemen toe te passen waarmee kinderen werkelijk te maken hebben, is bijzonder praktisch. Wij zijn Jehovah’s organisatie heel erg dankbaar voor deze juist van pas komende voorziening.

EEN LONEND LEVEN

Heimwee is altijd een van Daphne’s problemen geweest. Ze weet dat ze veel goeds kan doen door hier te blijven, maar toch betekent dit een voortdurende strijd. Na veel jaren naar een oplossing gezocht te hebben, schijnen we er ten slotte een gevonden te hebben. Behalve het reeds aangename werk dat erin bestaat anderen te helpen de bijbelse waarheid te leren kennen, besloot Daphne er één ochtend per week aan te besteden om zich de Japanse schilderkunst eigen te maken. Deze regelmatige verandering in tempo, waarbij zij gedurende slechts een korte tijd in iets heel aangenaams opgaat, heeft het probleem enorm verkleind.

Als ouderling in een van Nagoja’s veertien gemeenten, als vergaderingsopziener voor kringvergaderingen en als broodwinner heb ik ondertussen genoeg voldoening schenkend werk te doen. Ik geniet van de bijbelstudies die ik bij ongelovige echtgenoten leid, wier problemen ik veel beter begrijp nu ik met allerlei soorten van mensen in dezelfde zakenwereld moet omgaan. Wat zijn wij blij dat wij elke nieuwe gelegenheid om heilige dienst voor Jehovah te verrichten, met beide handen hebben aangegrepen en ten volle hebben benut! Ook tot anderen zeggen wij: Talmt niet. Want wie weet welke zegeningen de dag van morgen zal brengen?

[Illustratie van Daphne en Leon Pettitt op blz. 249]

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen