Vrijheid van aanbidding — Wanneer moet men die verlenen?
● De meeste, zo niet alle, regeringen beweren dat zij hun burgers vrijheid van aanbidding verlenen. Toch doet het feit zich voor dat sommige regeringen religies beperken of verbieden waarvan zij de leerstellingen niet goedkeuren. Zo zijn Jehovah’s Getuigen in verscheidene gebieden als organisatie verboden wegens hun schriftuurlijke houding van neutraliteit ten opzichte van politieke aangelegenheden (Joh. 6:15; 17:16; 18:36; Jak. 4:4). Is dit optreden gerechtvaardigd?
Dr. Bryan R. Wilson, verbonden aan de Oxford-universiteit, besprak deze kwestie in een brief aan de Londense Times, afgedrukt in de uitgave van 6 augustus 1976. Hij merkte onder andere op:
„Onvoorwaardelijk inbegrepen bij het begrip religieuze vrijheid is de vrijheid zich niet te mengen in aangelegenheden waarvan men gelooft dat ze in strijd zijn met zijn religie, zolang men daardoor geen inbreuk maakt op de rechten van anderen. Jehovah’s Getuigen geloven dat het deelnemen aan verkiezingen, het zingen van volksliederen en het groeten van de nationale vlag een compromis zouden vormen ten aanzien van hun religieuze principes. Moet hun dan niet de vrijheid geschonken worden daar niet aan mee te doen? De hedendaagse Getuigen staan passief tegenover autoriteit en respecteren deze, en hun neutraliteit ten aanzien van politiek mag in welke democratische maatschappij dan ook geen verontschuldiging voor onverdraagzaamheid en discriminatie vormen. . . .
Er valt inderdaad een vreemde ironie te bespeuren in de kortzichtigheid van sommige Afrikaanse regeringen met betrekking tot dit soort sekten. Onafhankelijke waarnemers wijzen op het feit dat Jehovah’s Getuigen harde werkers zijn en vaak gewetensvoller en ondernemender zijn dan hun gemiddelde medeburgers. Hun leiders schrijven hun voor dat zij prompt hun belasting moeten betalen, zich van geweld moeten onthouden en het moeten vermijden aanstoot te geven. Zij zijn ordelijk, eerlijk en bescheiden. Deze waarden waren erg belangrijk voor de economische en sociale ontwikkeling van de westerse maatschappij, en het zou niet overdreven zijn te zeggen dat Jehovah’s Getuigen tot de oprechtste en ijverigste burgers van de Afrikaanse landen behoren. Als de waarden die zij onderschrijven en die zij zo consequent naleven, in Afrika meer verbreid zouden zijn, zouden heel wat van de ergste sociale problemen waaronder Afrikaanse landen lijden, aanzienlijk worden verkleind.”