Wat was de taak van de profeten?
ALS er over de Hebreeuwse profeten uit de oudheid wordt gesproken, welke gedachte komt u dan voor de geest? Denkt u aan mannen die voorzeggingen deden met betrekking tot de toekomst? Of denkt u in de eerste plaats aan mannen die mensen ertoe aanspoorden Gods wil te doen?
De Hebreeuwse profeten uit de oudheid hebben natuurlijk bepaalde gebeurtenissen voorzegd. Toch waren hun profetieën beslist niet tot het doen van voorzeggingen beperkt. Dit blijkt uit het Hebreeuwse woord voor profeet, nabi. Op zichzelf genomen, drukt dat woord niet de gedachte uit van het doen van voorzeggingen. Nabi betekent ’iemand die op overvloedige wijze woorden uitstort’ of ’iemand wiens spraak voortvloeit’. Door het werkelijke gebruik van het woord wordt aangetoond dat ware profeten woordvoerders voor God waren, met bruisende geïnspireerde boodschappen. Wat er precies bij de zending van Gods profeten betrokken was, kan beter begrepen worden door hun gedrag te vergelijken met het gedrag van degenen die er ten onrechte aanspraak op maakten dat profetische ambt te bekleden.
Beschouwt u bijvoorbeeld eens de situatie in de tijd van de Hebreeuwse profeet Micha. Er had zich in Israël en Juda een verschrikkelijke morele ineenstorting voorgedaan. De leiders onderdrukten de mensen, in het bijzonder de armen en behoeftigen. De rechters en priesters hadden een onverzadelijke zucht naar geld. Bloedvergieting en allerlei corruptie waren aan de orde van de dag. Men kon zelfs geen vrienden of intieme familieleden vertrouwen.
Dit was beslist een tijd waarin de dwaling van de Israëlieten aan de kaak gesteld moest worden en er op hen een beroep gedaan moest worden hun wegen te veranderen. Deden degenen die het profetische ambt ten onrechte beweerden te bekleden, dit ook werkelijk? Neen. In Micha 3:5 worden deze profeten beschreven als personen die de Israëlieten „misleiden: Wanneer ze met hun tanden iets te bijten krijgen, verkondigen zij vrede. Maar degene die hun niets in de mond steekt, hem verklaren zij de oorlog” (Willibrordvertaling). De aard van de boodschap die door deze valse profeten werd verkondigd, hing dus af van de betaling die zij ontvingen. Zolang zij hun loon ontvingen, waren zij bereid zelfs aan moreel ontaarde personen voorspoed en vrede te verkondigen. Deze valse profeten gaven de mensen niet de minste aansporing hun goddeloze wegen te verlaten. Het gevolg was dat het volk zich zeker voelde en met zijn wetteloze daden voortging. Mocht iemand echter de moed hebben hun niet iets te geven, dan waren deze valse profeten er snel bij ’de gramschap van de Heer over zo iemand af te smeken’.
Jehovah’s ware profeten waren echter niet op enig persoonlijk gewin uit. Zij beseften dat zij door God waren aangesteld en trachtten derhalve geen mensen te behagen. Zijn eigen handelwijze met die van de valse profeten vergelijkend, verklaarde Micha: „Ikzelf daarentegen ben vol van kracht geworden, met de geest van Jehovah, en van gerechtigheid en macht, om Jakob zijn opstandigheid aan te zeggen en Israël zijn zonde” (Micha 3:8). Moedig legde Micha de zonden van de Israëlieten bloot — hun afgoderij, frauduleuze praktijken, meedogenloze onderdrukking en ongerechtigheden. Deze ontmaskering ging gepaard met voorzeggingen over de voltrekking van Gods oordeel aan Juda en Israël. Hij voorzei de komende verwoesting van Samaria, de hoofdstad van het tien-stammenkoninkrijk, en van Jeruzalem, de hoofdstad van het twee-stammenkoninkrijk.
De profetieën met betrekking tot de komende oordeelsvoltrekking aan het ontrouwe Samaria en Jeruzalem dienden een dubbel doel. Aan de ene kant beklemtoonden ze opnieuw de slechtheid van wat de mensen deden. Aan de andere kant moedigden ze de Israëlieten ertoe aan berouw te hebben, ten einde voor Gods barmhartigheid in aanmerking te komen. Dat de profetieën die rampspoed beduidden, ook de gelegenheid tot berouw inhielden, blijkt uit Jeremia 18:7-10: „Op welk moment maar ook ik een uitspraak doe over een natie en over een koninkrijk om ze uit te rukken en af te breken en te verdelgen, en die natie keert zich werkelijk af van haar slechtheid waarover ik afkeurend gesproken heb, dan zal ik stellig spijt gevoelen over de rampspoed die ik gedacht had haar aan te doen.”
NIET SLECHTS ONHEILSPROFETEN
Wil het feit dat Gods profeten de verantwoordelijkheid hadden de mensen ertoe aan te sporen hun verkeerde wegen te verlaten, soms zeggen dat zij alleen maar onheil en verderf voorzeiden? Nee, hun bekendmakingen omvatten vaak opwekkende boodschappen van hoop. Hoewel de Israëlieten als groep zich misschien doof hielden voor de bekendmaking van Jehovah’s komende oordeel, konden afzonderlijke personen er blijk van geven dat zij het niet met de gewelddaad en wetteloosheid die destijds de overhand hadden, eens waren. In hun geval zou de voltrekking van het oordeel aan de goddelozen een welkome verlichting van onrecht tot resultaat hebben.
Aangezien Jehovah een rechtvaardige en barmhartige God is, konden rechtgeaarde personen bovendien het vertrouwen hebben dat uitingen van goddelijk misnoegen niet tot onbeperkte tijd zouden voortduren. Dit punt wordt in Klaagliederen 3:31, 32 beklemtoond: „Niet tot onbepaalde tijd zal Jehovah blijven verstoten. Want hoewel hij droefheid heeft veroorzaakt, zal hij ook stellig barmhartigheid betonen.”
In overeenstemming met zijn barmhartigheid en liefderijke goedheid, bewoog Jehovah God zijn profeten ertoe een boodschap van hoop te prediken. Micha voorzei bijvoorbeeld dat de verwoesting van het land dat door de Israëlieten werd bewoond, door een herstel gevolgd zou worden. Hij haalde Jehovah’s woord als volgt aan: „Ik zal Jakob voorzeker vergaderen, u allen; ik zal de overgeblevenen van Israël zonder mankeren bijeenbrengen. In eenheid zal ik hen stellen, als schapen in de kooi, als een kudde midden in haar weide; het zal er gonzen van mensen” (Micha 2:12). Na de verwoesting meegemaakt te hebben, konden berouwvolle Israëlieten derhalve troost putten uit deze herstellingshoop.
De profeten dienden dus voornamelijk als Jehovah’s vertegenwoordigers onder de Israëlieten. Zij hadden er belangstelling voor hun landgenoten te helpen een door God goedgekeurde handelwijze te volgen en daardoor rampspoed te vermijden. Zij predikten alleen onheil voor degenen die weigerden Gods wil te doen. Voor rechtgeaarde personen waren de profeten daarentegen boodschappers van bevrijding en hoop. Een basisthema dat door de verschillende profetieën loopt, wordt tot uitdrukking gebracht in de woorden van Ezechiël 33:11: „’Zo waar ik leef,’ is de uitspraak van de Heer Jehovah, ’ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar daarin dat een goddeloze zich afkeert van zijn weg en werkelijk blijft leven. Keert u af, keert u af van uw slechte wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis van Israël?’”
DE PROFETISCHE BOODSCHAP IN DEZE TIJD
De hoofdinhoud van de boodschap van de Hebreeuwse profeten uit de oudheid is zelfs thans van toepassing. Evenals in het verleden ziet Jehovah God niet met goedkeuring neer op de wetteloosheid, het geweld, het onrecht en de onderdrukking die in verscheidene delen van de aarde blijven voortduren. Jehovah God heeft in zijn Woord te kennen gegeven dat hij aan alle goddeloosheid een eind zal maken. Wij lezen: „Gods gramschap wordt van de hemel uit geopenbaard tegen alle goddeloosheid en onrechtvaardigheid van mensen die de waarheid op onrechtvaardige wijze onderdrukken” (Rom. 1:18). Voordat de dag van gramschap aanbreekt, ontvangen mensen echter de gelegenheid hun wegen te veranderen, zodat zij voor overleving in aanmerking komen mocht die oordeelsvoltrekking tijdens hun leven komen. Bovendien is de grootse hoop voor allen die deze vernietiging overleven, eeuwig leven in een rechtvaardige nieuwe ordening (2 Petr. 3:9, 13). Het wonderbaarlijke nieuws voor onze tijd is, dat de verwezenlijking van die hoop heel nabij is.
Is dit nieuws niet iets wat thans bekendgemaakt moet worden? Wie moeten het echter bekendmaken? Zou u van de bekendmakers niet verwachten dat zij zich in grote trekken net zo gedragen als de Hebreeuwse profeten uit de oudheid? Zij dienen personen te zijn die zelf de rechtvaardige maatstaven van Gods Woord hooghouden en anderen ertoe aansporen dit eveneens te doen. Zij dienen voor de komende oordeelsvoltrekking aan goddeloosheid te waarschuwen en op een glorierijke toekomst in een rechtvaardige nieuwe ordening te wijzen.
Kan er, te oordelen naar wat u hebt gezien, van de kerken der christenheid worden gezegd dat zij er werkelijk naar streven mensen te helpen hun wegen te veranderen? Of hebt u niet veeleer gemerkt dat geestelijken vaak allerlei verkeerde dingen onder hun kerklidmaten toelaten zolang zij maar betaald worden?
Hoe staat het met de groep die als Jehovah’s christelijke getuigen bekendstaat? Veel mensen zijn gaan inzien dat er een opvallend verschil bestaat tussen Jehovah’s Getuigen en de kerken van de christenheid. Zij hebben gemerkt dat de Getuigen erop staan dat degenen die zich actief met hen verbinden, overeenkomstig de bijbel leven. Hebt u dit ook bij Jehovah’s Getuigen opgemerkt? Indien ja, handelt u dan in overeenstemming met wat u hebt gezien door er met hen een aandeel aan te hebben anderen te helpen in overeenstemming met Gods wegen te leven?