Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w77 1/10 blz. 607-608
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
w77 1/10 blz. 607-608

Vragen van lezers

● In Johannes 2:20 lezen wij: „Deze tempel werd in zesenveertig jaar gebouwd, en zult gij hem in drie dagen oprichten?” Hoe berekent men deze zesenveertig jaar?

Uit de context van deze verklaring blijkt dat Jezus toen in Jeruzalem was om het eerste pascha na zijn doop te vieren (Joh. 1:29-33; 2:13). Volgens de profetie van de „zeventig weken” in Daniël 9:24-27 zou de Messías in het najaar van 29 G.T. in het openbaar verschijnen.a Het eerstvolgende pascha viel derhalve in het voorjaar van 30 G.T.

Met betrekking tot de zesenveertig jaar blijkt een passage in de geschriften van de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus nuttig te zijn. In Joodsche Oudheden lezen wij: „Nadat nu Herodes de reeds genoemde werken volbracht had, begon hij in het achttiende jaar zijner regeering een werk van buitengewonen omvang. Hij stelde zich namelijk voor, den bouw van den tempel Gods te voleindigen, door hem een grooten omvang te geven en tot eene zijner waardige hoogte op te trekken.” — Boek 15, hoofdstuk 11, deel 1 (volgens de bewerking van Dr. W. A. Terwogt).

Josephus verklaart dat Jeruzalem zevenentwintig jaar nadat de stad in handen viel van Pompejus (hetgeen in 63 v.G.T. gebeurde) door Herodes werd veroverd. Dit zou Herodes’ verovering van Jeruzalem in 36 v.G.T. plaatsen, in juli of misschien oktober, volgens sommige geleerden. Josephus beschouwde de tussenliggende periode tussen Herodes’ troonsbestijging en de volgende voorjaarsmaand Nisan waarschijnlijk als een „opvolgingsjaar”. Herodes’ eerste regeringsjaar zou derhalve pas in het volgende voorjaar beginnen en zou van 35-34 v.G.T. lopen. Rekenen wij zeventien jaar verder, dan liep Herodes’ achttiende jaar (waarin hij het tempelwerk begon) van 18-17 v.G.T. Nog eens zesenveertig jaar verder brengt ons in 29-30 G.T.

● Wat bedoelde Jezus toen hij tot zijn apostelen zei dat sommigen van hen hem in zijn koninkrijk zouden zien komen voordat zij zouden sterven?

In het meest noordelijke deel van de Golan-hoogten bevindt zich thans het dorpje Baniyas. Dat is de ligging van het oude Cesaréa Filippi, waar Jezus zich bevond toen hij een opmerking maakte die klaarblijkelijk betrekking had op de transfiguratie, die enkele dagen later plaatsvond.

Jezus zei: „Voorwaar, ik zeg u dat sommigen van hen die hier staan, geenszins de dood zullen smaken voordat zij eerst de Zoon des mensen in zijn koninkrijk zien komen.” — Matth. 16:28.

Door de vervulling van de bijbelse profetieën in onze tijd wordt te kennen gegeven dat Jezus’ tegenwoordigheid in Koninkrijksmacht in 1914 G.T. is begonnen (Matth. 24:3-14; 25:31-33). Het is duidelijk dat Matthéüs 16:28 geen betrekking kon hebben op die gebeurtenis, want Jezus sprak daar over iets wat zou gebeuren voordat de apostelen allen waren gestorven. Wat kan Jezus dan hebben bedoeld?

In de Hebreeuwse Geschriften was voorzegd dat de Messías een eeuwige koning zou zijn (Gen. 49:10; 2 Sam. 7:12-16; Jes. 9:6, 7). Vooral op grond van Daniëls visioen hadden de joden reden te verwachten dat de regering van de Messías glorierijk, krachtig en schitterend zou zijn (Dan. 2:44; 7:13, 14). Maar wie zou deze Messiaanse koning eigenlijk zijn, en zou hij vanaf een aardse troon regeren? Zelfs Jezus’ discipelen, die hem als de Messías aanvaardden, konden hun voordeel doen met de verzekering dat hij met macht en heerlijkheid vanuit de hemel zou regeren. — Matth. 16:16-22; Hand. 1:6.

Vandaar dat Jezus minder dan een jaar voordat hij stierf, uitlegde dat sommigen van de apostelen „de Zoon des mensen in zijn koninkrijk [zouden] zien komen”, of, zoals Markus het uitdrukte, „het reeds in kracht gekomen koninkrijk Gods [zouden] zien” (Matth. 16:28; Mark. 9:1). Nadat Jezus niet langer onder hen aanwezig was, zouden de discipelen kracht kunnen putten uit het feit dat zij ooggetuigen waren geweest van zijn toekomstige hemelse tegenwoordigheid in Koninkrijksmacht.

Hoe gingen Jezus’ woorden in Matthéüs 16:28 echter in vervulling? Vaak kan de betekenis van een vers uit de context worden opgemaakt. In dit geval worden alle drie de evangelieverslagen over het zien van hem in zijn koninkrijk onmiddellijk gevolgd door het verslag over de transfiguratie.

Ongeveer een week nadat Jezus de in Matthéüs 16:28 opgetekende woorden uitsprak, nam hij „sommigen” van de apostelen (Petrus, Jakobus en Johannes) met zich mee een hoge berg op, waarschijnlijk de berg Hermon. Daar onderging hij een transfiguratie ten einde in een visioen met Mozes en Elia te verschijnen. En God zei: „Dit is mijn Zoon, degene die is uitverkoren. Luistert naar hem.” — Luk. 9:28-35; Matth. 17:1-15; Mark. 9:2-6.

De transfiguratie was een visioen van Jezus in Koninkrijksmacht en hemelse heerlijkheid, zoals Petrus later bevestigde. Toen Petrus naar de transfiguratie verwees, legde hij uit dat zij aldus „ooggetuigen van zijn luister” waren geworden. Hij voegde hieraan toe dat Jezus in de transfiguratie „van God, de Vader, eer en heerlijkheid” had ontvangen (2 Petr. 1:16-18). Toen Jezus zei dat sommigen van de apostelen hem vóór hun dood in zijn koninkrijk zouden zien, verwees hij dus klaarblijkelijk naar het transfiguratietafereel waarvan sommigen van hen kort daarna getuige waren.

[Voetnoten]

a Zie het artikel „Seventy Weeks” („Zeventig weken”) in Aid to Bible Understanding, blz. 1473.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen