Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w76 15/11 blz. 675-681
  • Mijn strijd om de beste te zijn — Was het de moeite waard?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn strijd om de beste te zijn — Was het de moeite waard?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Ik kom in aanzien
  • DE ONRECHTVAARDIGE WERKELIJKHEID
  • DE UITSLAG
  • De harde werkelijkheid — De gevolgen
  • EEN MISLUKKELING
  • Mijn leven wordt de moeite waard
  • IETS OM OVER NA TE DENKEN
  • GEHOLPEN EEN JUISTE BESLISSING TE NEMEN
  • HOE ER VERANDERINGEN KWAMEN
  • IN STOFFELIJK OPZICHT ARMER, EN TOCH RIJK
  • WAT DE MOEITE WAARD IS
  • Iets ergers dan AIDS
    Ontwaakt! 1989
  • Hoe een popartiest iets veel beters vond
    Ontwaakt! 1978
  • Van straatvechter tot christelijke bedienaar
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Mijn echtscheiding — Een tweede kans in het leven?
    Ontwaakt! 1978
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
w76 15/11 blz. 675-681

Mijn strijd om de beste te zijn — Was het de moeite waard?

Overpeinzingen van een olympisch kampioen hardlopen

AL JAREN had ik van dit moment gedroomd, deelnemen aan de Olympische Spelen. Het was zaterdag, 17 oktober 1964, de achtste dag van de Spelen in Tokio, Japan.

Alle 75.000 zitplaatsen in het Nationaal Stadion waren bezet. De straten van Tokio maakten een verlaten indruk — praktisch iedereen zat voor de televisie. Het tijdstip was aangebroken voor de finale van de 200 meter hardlopen.

Samen met zeven andere sprinters nam ik mijn plaats bij de startblokken in. Elk van ons was door de op vorige dagen gelopen voorronden heengekomen. Op deze afstand waren wij de snelste mensen ter wereld.

De spanning was bijna ondraaglijk, en dat kwam niet alleen door de miljoenen toeschouwers. Het nationalisme speelde een rol. De Spelen ontpopten zich als één grote wedstrijd tussen Russen en Amerikanen. Over de gehele wereld werden dagelijks de vergelijkingen van de door elk land gewonnen medailles bekendgemaakt. Onze scholen, burgemeesters, gouverneurs, en zelfs de president, hadden telegrammen gezonden waarin ons werd gezegd eraan te denken dat wij streden voor ons land, en dat ons land het beste was.

Ook de kranten oefenden druk op ons uit door de medailles te tellen die wij geacht werden te winnen. Ze lieten het voorkomen alsof winnen een kwestie van leven of dood was, alsof het land zijn eer zou verliezen als wij verloren. Kokitsji Tsoeboeraja, de Japanse marathonloper, pleegde inderdaad zelfmoord toen hij verloren had. Hij liet een briefje na waarin hij zich verontschuldigde dat hij tegenover zijn land ’in gebreke was gebleven’.

Ik begon dus te denken: ’Ik kan mijn land niet teleurstellen. Ik zou ze thuis niet meer onder de ogen durven komen als ik verlies.’ Ik was wereldrecordhouder op de 200 meter, dus er werd van mij verwacht dat ik zou winnen.

Negers, op zoek naar hun identiteit, oefenden ook druk uit. Vaak werd mij verteld hoe andere zwarten hadden verloren en ons volk hadden teleurgesteld. Vandaar dat ik moest winnen voor de zwarten van Amerika. Toch oefenden andere zwarten druk uit om de Spelen te boycotten, om Amerika te laten zien dat het zonder ons negers niet kon winnen.

Maar het meest dacht ik nog aan mijn familie en vrienden. Ik wilde hen niet in verlegenheid brengen. Ik was hun held. Zij stonden achter me; zij juichten voor me. Won ik, dan wonnen zij. Verloor ik, dan verloren zij. Misschien zult u dit beter begrijpen als ik u een idee geef van mijn achtergrond.

Ik kom in aanzien

Ik groeide op in Detroit, Michigan, als negende van elf kinderen. Ik kan me niet anders herinneren dan dat vader en moeder gescheiden leefden. Moeder maakte lange dagen met thuiswerk in een poging in ons onderhoud te voorzien.

Ik had me altijd al met sport beziggehouden. Daar lezen en schrijven me moeilijk vielen, wilde het heel wat zeggen de snelste knaap van de buurt of de beste speler te zijn; het gaf zin aan het leven.

Op de middelbare school ging de sport mij bijna onmiddellijk heel goed af. Drie jaar lang — in 1959, 1960 en 1961 — maakte ik deel uit van het Amerikaanse atletiekteam voor middelbare scholieren. De 220-yards sprint was mijn specialiteit. Ook werd ik tweemaal uitgekozen om een jaar lang mee te spelen in het rugby- en het basketballteam van de staat Michigan.

Normaal gesproken zou er geen sprake zijn geweest van hoger onderwijs. Maar nu begonnen universiteiten om mijn diensten te smeken. Ik reisde verscheidene campussen in de Verenigde Staten af en de universiteiten probeerden me te strikken met geschenken. Daardoor kon ik ondanks de armoede van mijn familie, geld op zak hebben, en zelfs in een Cadillac rijden! Ik kreeg mijn rijbewijs in de eetzaal van een bar, zonder ook maar examen gedaan te hebben! Een van de nabijgelegen universiteiten die trachtte me aan te trekken, had dit zo geregeld.

Ik verkoos echter naar de universiteit van de staat Arizona te gaan, en al snel kreeg ik internationale bekendheid in de atletiekwereld. Als 2de-jaarsstudent brak ik het wereldrecord op de 220-yards. Wereldleiders wilden mij ontmoeten en me de hand schudden. In Moskou ontmoette ik Nikita Chroesjtsjov. Maar alle roem en de wereldreizen om in atletiekontmoetingen mee te dingen, schenen me onwezenlijk toe.

Weer in de staat Arizona terug, genoot ik bijzondere gunsten, eenvoudig omdat ik een snel hardloper was. Mensen overlaadden me met geschenken — ’suikerdaddies’ noemden atleten hen. Ik had dus altijd geld, nieuwe kleren en een wagen. Vaak stuurde ik geld naar huis om leden van mijn familie te helpen. Zeker, die gunsten en de aandacht bevielen me wel, maar ik wist dat het niet juist was; we werden geacht onbetaalde amateurs te zijn. Toch ging het zo toe.

DE ONRECHTVAARDIGE WERKELIJKHEID

Alhoewel mijn bekwaamheden mij lof brachten, was ik slechts één maand voordat ik in Tokio kwam, nog uit een motel in het zuiden van de Verenigde Staten gejaagd omdat ik zwart was. De eigenares schreeuwde me toe: „Jouw soort is hier niet welkom.” Het was laat en het enige wat ik wilde, was een plaats om te slapen.

Omstreeks diezelfde tijd vermoordden blanken drie werkers voor burgerrechten in Mississippi. Honden werden in het Zuiden op zwarten afgestuurd, alleen omdat zij naar beter onderwijs streefden. Mijn wereldreizen overtuigden mij er echter van dat er overal onrechtvaardigheden bestaan. In andere landen werden persoonlijke vrijheden die ik in de Verenigde Staten als vanzelfsprekend beschouwde, vaak ernstig beknot.

Ik was diep begaan met de lijdende mensen. Maar wat kon ik doen? Ik realiseerde me dat het probleem in de Verenigde Staten niet slechts in het rassenvlak lag. Als er zwarten de baas waren, behandelden zij andere zwarten soms net zo slecht als de blanken dit deden. Mijn gezonde verstand zei me dat ik werkelijk niets kon doen, en daarom besloot ik dat ik mijn vooruitzichten niet in gevaar zou brengen door me ergens mee te bemoeien.

Voor mij ging destijds alles goed. Toen ik nog klein was, waren we zo arm dat ik ’s avonds met honger naar bed ging, en dat wilde ik niet meer. Dus leerde ik het goedgemanierde, zachtaardige soort mens te zijn waarvan het systeem hield. Vaak zeiden mensen tegen me: ’Als je nu de grote prijs in de Olympische Spelen wint, hoef je je nergens meer zorgen over te maken. De een of andere grote maatschappij zal je in dienst nemen omdat je een olympische held bent.’ En dus wilde ik gewoon moeilijkheden vermijden en in Tokio winnen.

Sommigen zeggen dat ik een ’geboren’ hardloper was, ’de soepelste sprinter sinds Jesse Owens in zijn bloeitijd’. Ik wil u echter wel zeggen dat ik hard werkte om mijn bekwaamheid te ontwikkelen. Het was een strijd om de beste te worden. Als ik door op de Olympische Spelen te winnen, echter zou bereiken wat de mensen zeiden, dan was het naar mijn mening de moeite waard.

Nooit in mijn leven heb ik mij zo gespannen gevoeld als toen wij onze plaats bij de startblokken innamen voor de olympische finale.

DE UITSLAG

Ik knielde in de startblokken in Baan Zeven. Mijn strategie was, een voorsprong te nemen voordat we bij de bocht kwamen, en de anderen achter me aan te laten jagen, om hen wat harder te laten zwoegen. Want als iemand niet ontspannen loopt, is hij niet op z’n best.

De official kondigde aan: „Op uw plaatsen. Klaar!” Toen ging het schot af: „BENG!” Ik had een goede start. Toen ik in de bocht kwam, waren mijn gedachten: ’Het is gelukt! Ik lig voor! Ik ga winnen.’ Het enige wat ik kon zien, was de eindstreep. Ik trok mijn benen hoog op en strekte ze uit, en daar was ze. Ik had gewonnen!

Ik bevond mij in een andere wereld. Het was alsof niets zich bewoog; ik was emotioneel ’high’. Het was een nieuw olympisch record, en er werd gezegd dat ik waarschijnlijk mijn eigen wereldrecord gebroken zou hebben als er geen tegenwind had gestaan.

Bovenop de hoogste tree van het erepodium, onder het spelen van „The Star-Spangled Banner”, wilde ik trots zijn op wat ik voor mijn land had gedaan. En ik genoot beslist van het gejuich van de duizenden. Maar tegelijkertijd besefte ik dat het onecht was. Want dezelfde onrechtvaardigheden waaronder mensen gebukt waren gegaan voordat ik daar op het erepodium stond, heersten nog steeds.

Ik vroeg me af: ’Wat zal er met me gaan gebeuren nu het allemaal voorbij is? Wat zullen m’n ondersteuners doen? Zullen ze me in de steek laten? Wat voor baan zal ik krijgen?’ Ik was gelukkig, bang en ook kwaad — allemaal tegelijk.

Toen ik terugreed naar de Olympische Dorpen, keek ik voor de eerste maal eens goed naar de gouden medaille. Het was niet wat ik verwacht had; het was net een wat groot uitgevallen zilveren dollar. Ik vroeg me zowaar af: ’In ’s hemelsnaam, heb ik al die jaren hard gewerkt om dit te krijgen?’ Ik was woedend, terwijl ik gelukkig had moeten zijn. Het was een enorme teleurstelling.

Enkele dagen later liep ik de laatste 400 meter van de 1600-meter estafette. We vestigden een nieuw olympisch en wereldrecord en ik kreeg nog een gouden medaille. Na een reis naar Australië om in enkele ontmoetingen uit te komen, keerde ik naar huis terug.

De harde werkelijkheid — De gevolgen

Tijdens de terugreis concentreerde ik me op de nieuwe fase van mijn leven die nu begon — een baan krijgen en een gezin stichten. Eerst ging ik echter, samen met andere leden van het olympisch team, naar het Witte Huis en nam de felicitaties van president Johnson in ontvangst.

Ik verwachtte verscheidene aanbiedingen voor een baan te moeten overwegen en dan de baan te kiezen die ik wilde. Jarenlang hadden mensen me verteld dat het zo zou gaan als ik bij de Olympische Spelen voor mijn land zou winnen. Maar het was niet waar. Overal waar ik heenging, scheen het de mensen niet te interesseren dat ik olympisch kampioen was. O ja, zij wilden er wel graag over praten. Maar als het eropaan kwam mij in dienst te nemen, beschouwden ze me gewoon als weer zo’n zwarte, iemand die niet in hun plannen paste. Natuurlijk begon ik verbitterd te raken.

Nadat er enkele maanden verstreken waren, kreeg ik een telefoontje en werd me gevraagd of ik er belangstelling voor had beroepsrugbyspeler te worden. Ik had in geen twee jaar rugby gespeeld, omdat ik me op hardlopen had geconcentreerd. Maar ik had een baan broodnodig en zei dus „ja”. Ik kreeg een contract bij de New York Giants, in de veronderstelling dat ik met mijn snelheid nuttig zou kunnen zijn.

In mijn vertwijfeling werkte ik echt hard en hielp het team vooruit. Drie jaar lang ging het heel goed en enige tijd was ik aanvoerder van de verdediging. Een sportjournalist zei: „Carr, die bij de New York Giants is gaan spelen, is een van de beste backs in de bond geworden.”

Met nog maar drie wedstrijden te spelen in mijn derde seizoen, blesseerde ik mijn knie, en de trainer zei me dat het voor dat jaar bekeken was. Maar later belde de dokter op en zei dat de coaches wilden dat ik zou spelen. Er ontstond een meningsverschil over de ernst van de blessure want eerder dat jaar was ik betrokken geweest bij een rassengeschil in het team.

Het gevolg was dat ik aan het eind van het seizoen verkocht werd. Het gerucht ging dat ik een onruststoker was en niet kon spelen als ik gekrenkt was. Het team waaraan ik werd verkocht, behandelde me op dezelfde manier. Daarom besloot ik ermee op te houden, alhoewel ik het jaar daarvoor $27.000 had verdiend.

EEN MISLUKKELING

Ik deed m’n best, maar ik kon geen behoorlijke baan vinden. Ten slotte investeerde ik geld in een quick-hamburger filiaalbedrijf en verloor geld. Ik werd gemelijk en verbitterd. Ik had het gevoel dat de mensen me begonnen te beschouwen als een knaap die een kans had om succes te hebben maar deze niet benutte.

Dit beïnvloedde me mentaal. Ik had geen vat meer op het leven. Ik begon dagelijks marihuana te roken, dromend hoe ik weer de top kon bereiken. Mijn vrouw wilde me helpen maar kon het niet. Ik vond dat mijn gezin (we hadden nu twee kinderen) beter af zou zijn zonder mij. Dus vertrok ik.

Na verloop van tijd kwam ik als mens moreel aan de grond te zitten; ik had contact met prostituées en handelaars in drugs. Ik begon te gokken en cocaïne te snuiven. Doordat ik in een getto in Detroit was opgegroeid, kende ik veel van de mensen met wie ik nu optrok. Al spoedig begonnen zij me als een van de ’boys’ te beschouwen en zorgden zij ervoor dat ik als drughandelaar ging optreden.

Na verscheidene maanden stopte ik hiermee en onderzocht ik mijzelf eens goed. Ik was verwikkeld geraakt in dingen die ik altijd gehaat had. Alles was negatief; er was niets dat in mijn voordeel telde. Wat ik moest doen of tot wie ik me moest wenden, wist ik niet. Ik had een bijbel en begon erin te lezen, maar ik kon er geen wijs uit worden. Ik besloot naar huis terug te gaan.

Mijn leven wordt de moeite waard

Mijn vrouw was vol begrip. En dat de kinderen me werkelijk hadden gemist, bleek duidelijk uit de blik in hun ogen. Ik nam een baan aan bij de plaatselijke overheid en werkte met jeugdige delinquenten. Maar spoedig werd er aangekondigd dat er op het budget bezuinigd moest worden, wat betekende dat ik ontslagen zou worden. Doordat ik zo trots was, voelde ik me weer wanhopig.

Met toestemming van mijn vrouw verkocht ik wat van onze onroerende goederen en gebruikte het geld om een reclamebureau op te richten. Mijn partner was een zeer begaafd commercieel tekenaar, en ik deed het public-relationswerk. De mensen kenden en herkenden me, en spoedig reisde ik op en neer naar New York om klanten te bezoeken. De zaak floreerde.

Toen ik op een dag van mijn werk thuiskwam, vroeg mijn vrouw me of ik het goed vond dat ze de bijbel met Jehovah’s Getuigen ging bestuderen. Ik vroeg: „Waarom?” Ze zei dat de ouders van een van haar leerlingen (ze gaf les op een lagere school) haar het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt hadden gegeven. En een andere onderwijzer had haar verteld dat als zij iets over de bijbel wilde weten, ze het aan Jehovah’s Getuigen moest vragen.

Nog niet zo lang geleden hadden we over verschillende godsdiensten gesproken, omdat onze zoon bijna de leeftijd had bereikt dat hij naar school moest en we het belangrijk vonden dat hij een religieuze opvoeding kreeg. In ons gesprek waren Jehovah’s Getuigen echter niet ter sprake gekomen. Ik wist alleen dat zij als een soort van religieuze fanatici werden beschouwd. Maar als zij met hen wilde studeren, was het mij best.

Ik werkte de klok rond, maar zo af en toe vertelde mijn vrouw mij dingen die zij leerde. Ongeveer een week later bracht de man van de vrouw met wie zij studeerde mij een bezoek.

IETS OM OVER NA TE DENKEN

Hij sprak erover wat een prachtige plaats de aarde kon zijn als de mensen maar in vrede met elkaar leefden. Dat was ik met hem eens. Toen zei hij: „Is het niet overduidelijk dat de Almachtige God niet verantwoordelijk is voor de huidige wereldtoestanden?”

Dit verbaasde me. „Als God daar niet verantwoordelijk voor is, wie dan wel?” wilde ik weten.

„Satan de Duivel”, zei hij. En wat me verwonderde was, dat hij de bijbel opsloeg en het me liet zien. In Twee Korinthiërs 4:4 staat dat „de god van dit samenstel van dingen de geest van de ongelovigen heeft verblind opdat het verlichtende licht van het glorierijke goede nieuws over de Christus, die het beeld van God is, niet zou doorschijnen”.

De Getuige legde uit dat Satan „de god van dit samenstel van dingen” is. En dat was werkelijk aannemelijk toen hij de aandacht vestigde op de verschrikkelijke onrechtvaardigheden die wereldwijd bedreven worden. Dit is Satans wereld en hij beïnvloedt de bewoners, beklemtoonde de Getuige. En dit hielp mij nog een schriftplaats te begrijpen die mij werd getoond. Jezus Christus zei: „Nu zal de heerser van deze wereld worden buitengeworpen.” — Joh. 12:31.

Het is duidelijk dat mensen die machtige geestelijke persoonlijkheid, Satan de Duivel, niet kunnen uitschakelen. God kan dit echter wel, legde de Getuige uit. En hij zal het doen, zodat zijn voornemen om een vreedzame aarde onder zijn Koninkrijksheerschappij te scheppen, verwezenlijkt kan worden. Dit leek redelijk. Het was werkelijk iets om over na te denken.

GEHOLPEN EEN JUISTE BESLISSING TE NEMEN

De Getuige kwam een aantal keren terug, en als hij me thuistrof, hadden we weer een gesprek over de bijbel. Ik begon werkelijk te geloven wat ik leerde, daar het uit Gods Woord kwam. Zo wist ik bijvoorbeeld niet dat God een naam had. Toch staat daar werkelijk in de bijbel in Psalm 83:18 dat zijn naam JEHOVAH is.a Ik vond het fijn zulke dingen te leren.

Dat de bijbel zegt dat Satan de god van deze wereld is, was echter iets waarover ik me zorgen begon te maken. En vooral wanneer er staat dat Christus’ volgelingen geen deel van de wereld zijn (Joh. 17:14-16). Een van de redenen daarvoor was, dat ik in de politiek verwikkeld was, doordat een belangrijke klant van het reclamebureau de voornaamste zwarte kandidaat voor het burgemeestersambt van Detroit was.

Daarom zei ik de Getuige op zekere dag: „Ik weet dat je het ernstig met me meent, je probeert me te helpen. Maar ik zit gewoon met handen en voeten gebonden aan mijn nieuwe reclamebureau, en ik wil je niet de last aandoen dat je hierheen komt terwijl ik misschien niet thuis ben.”

Wel, kort daarna bezeerde ik mijn rug en ik was er niet zo best aan toe; uiteindelijk kwam ik in het ziekenhuis te liggen. In die tijd kwamen de Getuigen me bezoeken, en zij toonden werkelijk belangstelling. Ik dacht: ’Deze mensen weten niets van me. Ze weten alleen dat ik de man van Glenda ben, en ze behandelen me zó.’ Maar ik vond het heerlijk.

Ondertussen had ik veranderingen in mijn vrouw waargenomen. Om een voorbeeld te geven: Het dochtertje van een van de Getuigen was gestorven en mijn vrouw bekommerde zich werkelijk om de moeder. Ik keek naar haar en dacht: ’Zo iets heeft ze nog nooit gedaan. Waarom vindt ze het zo belangrijk eten voor die vrouw te koken en erheen te gaan om haar te helpen?’ Deze dingen schoten mij te binnen terwijl ik daar in het ziekenhuis lag.

Met ons reclamebureau ging het intussen slecht. Het was uitgegroeid tot een viermanszaak, en ik was nodig om het geheel draaiende te houden. Tegen de tijd dat ik uit het ziekenhuis kwam, was de zaak zo achteruitgelopen dat iedereen het opgegeven had. Weer was ik er financieel minder op geworden.

Ik wist wat voor type mens ik wilde zijn — in staat om lief te hebben en bemind te worden, en gelukkig te zijn. Ik zag de veranderingen in mijn vrouw, en besloot dat ik dat ook wilde. En wat mij vast voor ogen stond was, dat Satan de god van dit samenstel is, en dat ik hulp nodig had om weerstand te bieden aan zijn invloed. Dus toen ik uit het ziekenhuis kwam, belde ik de Getuige op en zei hem dat ik een bijbelstudie wilde.

HOE ER VERANDERINGEN KWAMEN

Na mijn eerste studie in december 1972, ging ik naar de Koninkrijkszaal. Iedereen was belangstellend en blij me te zien. En ik kon het gezicht van mijn vrouw zien oplichten, gelukkig dat ik er was. Ik herinner me dat een van de sprekers vermeldde hoe de echtgenoot het hoofd van zijn gezin is en de leiding dient te nemen. En ik dacht: ’Mijn vrouw heeft dat gedaan, ze heeft met de kinderen gestudeerd, hen meegenomen naar de vergaderingen, met hen gebeden, en ik heb niets gedaan.’

De week daarop waren de kinderen ziek, en mijn vrouw zei: „Als jij nu bij de kinderen blijft, ga ik naar de vergadering.” Ze dacht niet dat ik wilde gaan. Maar ik keek haar aan en zei: „Van mij wordt verwacht dat ik de leiding neem. Dus jij blijft thuis bij de kinderen.”

Ze keek me alleen maar aan, verrast — maar ik denk dat ze blij was. Ik voelde me ook voldaan, een beetje trots dat ik begonnen was de leiding te nemen. Ik kan de keren tellen dat ik sindsdien een vergadering heb gemist. Ze hebben me werkelijk geholpen veranderingen aan te brengen die ons gezin gelukkig hebben gemaakt.

Ondertussen lukte het me de soort van baan te vinden die ik altijd had gewild, als reclame-manager voor een krant. Ik had het druk — altijd op pad — mensen kenden me en ik kende mensen, en ik begon in te zien hoe ik vooruit kon komen. Er werden mij zelfs nog verscheidene andere banen aangeboden. Maar ik bleef de vergaderingen bezoeken, en dat was maar goed ook, want wat ik daar leerde, was werkelijk van invloed op mijn leven.

Zo wist ik bijvoorbeeld wat een gevaar er in hard drugs school. En die gebruikte ik niet meer. Maar ik rookte nog wel marihuana. Het was nog niet bij me opgekomen dat dit werkelijk verkeerd was, daar het gebruik ervan zo algemeen is. Op een vergadering werd echter aangetoond dat roken onschriftuurlijk is. De bijbel zegt dat wij ons dienen te „reinigen van elke verontreiniging van vlees en geest”. Voor mij was het duidelijk dat dit betekende dat ik de marihuana moest opgeven als ik Jehovah God werkelijk wilde behagen. — 2 Kor. 7:1.

Op een andere vergadering werd beklemtoond dat overspel verkeerd is. De bijbel zegt: „Het huwelijk zij eerbaar onder allen en het huwelijksbed zonder verontreiniging, want God zal hoereerders en overspelers oordelen” (Hebr. 13:4). Ik zag dus in dat ik nog wat diepgaander veranderingen moest aanbrengen.

Ik wilde God behagen en daarom ging ik tot hem in gebed in verband met deze kwesties. Maar toen las ik iets in De Wachttoren over de noodzaak altijd eerlijk tegenover Jehovah te zijn. Daarom vertelde ik hem uit de grond van mijn hart dat ik van die slechte dingen genoot — en er zelfs naar had uitgezien — maar dat ik nu, bovenal, werkelijk hem wilde behagen. Door zo eerlijk tegenover God te zijn en erop te vertrouwen dat hij mij zou helpen, maakte ik mij los van die slechte gewoonten. Zelfs het roken van marihuana was niet zo moeilijk op te geven als ik had gedacht.

Het was verbazingwekkend hoeveel gelukkiger ik was. Ik begon een doel in mijn leven te krijgen, er kwam lijn in. Mijn kinderen begonnen voor leiding naar mij op te zien. Wij hadden allemaal waardering voor Jehovah en de vergaderingen die wij met elkaar bijwoonden. Het was werkelijk heerlijk! Ik genoot van die gebeurtenissen en van de veranderingen die zich in mij en mijn gezin voltrokken, meer dan van wat ter wereld ook.

Ik was ervan overtuigd dat we de waarheid hadden gevonden. En ik dacht dat al mijn vrienden — die gefrustreerd waren, met problemen worstelden en in immoraliteit verwikkeld waren — daar beslist over wilden horen. Maar geen van hen wilde er iets van weten, niet één. In werkelijkheid begonnen ze de spot met me te drijven ze noemden me „de preker”. „Daar komt de preker”, zeiden ze dan.

Ik zag dus in dat deze mensen in de wereld niet echt mijn vrienden waren. Ik wilde mensen tot vriend hebben die God liefhadden. En om te symboliseren dat wij ons leven hadden opgedragen om Jehovah God te dienen, werden mijn vrouw en ik dus op 20 mei 1973 gedoopt.

Boven al het andere ging ik nu het goede dat mij ten deel viel op prijs stellen — mijn goede verhouding tot God, tot mijn gezin en tot medechristenen. Alhoewel ik een interessante, goedbetaalde baan had, was mijn belangstelling verdeeld en deze baan ging met slechte omgang en verleidingen gepaard. Steeds dacht ik aan de schriftplaats: „Slechte omgang bederft nuttige gewoonten” (1 Kor. 15:33). Daarom liet ik mijn baan als reclame-manager varen, ook al was het de soort van baan die ik lang gewenst had.

IN STOFFELIJK OPZICHT ARMER, EN TOCH RIJK

Een Getuige in de gemeente nam mij in dienst als schildersknecht. Ik verdiende niet veel geld, maar ik was gelukkig. Ik bekommerde mij er niet om een „image” op te houden. Het enige wat ik wilde, was Jehovah dienen. Ik wist dat hij een werkelijke persoon is, de enige Persoon die alle onrechtvaardigheden recht kan zetten. De bijbelse bewijzen — de vervulling van profetieën en het vermogen van de bijbel om levens in het reine te brengen — hadden mij daarvan overtuigd.

Na in 1973 van een groot congres van Jehovah’s Getuigen teruggekeerd te zijn, zei ik tot mijn vrouw: „Ik zou eigenlijk moeten pionieren (een volle-tijdprediker moeten zijn).” Daar wij nog meer onroerende goederen hadden die wij konden verkopen, was er niets wat mij tegenhield. En dus begon ik te pionieren.

Na enige tijd dacht ik: ’Wij zouden ons verdienstelijker kunnen maken waar de behoefte aan Koninkrijkspredikers groter is.’ Bij toeval belde Fred Cooper, iemand met wie ik op de middelbare school had gezeten, me op uit Georgia. Hij is daar ouderling in een gemeente en hij had gehoord dat ik een Getuige was geworden. Ik vertelde hem dat ik eraan dacht te verhuizen naar gebied waar de behoefte groter was. Dus verkochten we ten slotte ons huis en verhuisden naar Georgia.

Het pionieren was werkelijk iets vreugdevols, maar door de problemen met mijn rug en de noodzaak een baan te zoeken om in het onderhoud van mijn gezin te voorzien, moest ik de pioniersdienst ten slotte in mei 1975 opgeven. In september werd ik echter aangesteld als ouderling in de plaatselijke gemeente. Sedertdien hebben zowel mijn vrouw als ik wat les gegeven aan lagere scholen om onze onkosten te bestrijden. Nee, we hebben niet veel op stoffelijk gebied, maar we zijn rijk in belangrijker opzichten.

Om een voorbeeld te noemen: mijn zoon interesseert zich voor geestelijke zaken — hij leest de bijbel en onze hulpmiddelen voor bijbelstudie. Ongeveer anderhalf jaar geleden, toen hij zeven was, vroeg hij me of hij voor de Theocratische School van de gemeente ingeschreven kon worden. Innerlijk liep ik gewoon over van vreugde. Toen ik zijn leeftijd had, was sport het enige waar ik ooit aan dacht, hoe ik een groot sportheld zou worden. En ik wist dat Peyton me ook had kunnen smeken lid van een voetbalclub of zo te mogen worden.

WAT DE MOEITE WAARD IS

Ik vind dat sport goed is — binnen de perken. Maar zo gauw je ermee begint, heb je met misleiding te maken. Atleten worden verafgood als bijzondere mensen — terwijl ze in feite net als ieder ander slechts mensen van vlees en bloed zijn. En kinderen worden „gepushed” om in sporten uit te blinken — in feite is het een „business”, geen sport. En kijk eens naar de schade die jongeren wordt berokkend die onder druk worden gezet om de beste te zijn, terwijl de meesten van hen dat gewoon niet kunnen.

En zelfs als iemand de beste wordt, is het nog een kwestie van misleiding. Waarom? Omdat het niet blijvend is, niet werkelijk voldoening schenkend. Sterren worden spoedig vervangen en over het algemeen vergeten. Dan volgen er vaak teleurstelling, neerslachtigheid en fysieke problemen. Wat is dan wel de moeite waard?

In plaats van met anderen te wedijveren om de beste te zijn, is veeleer het helpen en dienen van anderen iets wat ware voldoening schenkt. Dat deed Christus. Hij kwam ’om te dienen, niet om gediend te worden’ (Matth. 20:28). Ja, de warme eenheid die deze geest van onzelfzuchtigheid en liefde in een gezin en een gemeente brengt, is dat wat het leven werkelijk de moeite waard maakt — en niet de strijd om de beste te zijn. — Ingezonden.

[Voetnoten]

a Zie de voetnoot in de Pieter-Keuruitgave van de bijbel bij Genesis 2:4, waarin wordt opgemerkt dat overal waar het woord HEERE met hoofdletters geschreven staat, in het Hebreeuws Jehovah staat.

[Illustratie op blz. 677]

„Ik kreeg nog een gouden medaille”

[Illustratie op blz. 678]

„Ik kreeg een contract bij de New York Giants”

[Illustratie op blz. 680]

’Ik begon de bijbel te bestuderen met mijn gezin’

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen