’Als olijfboomstekken rondom mijn tafel’
Zoals verteld door Porfirio Caicedo, in Colombia
VOLGENS de maatstaf die in Psalm honderd achtentwintig, de verzen drie en vier, wordt aangelegd, ben ik zeer gezegend. Daar staat: „Uw vrouw zal zijn als een vruchtdragende wijnstok in de binnenste gedeelten van uw huis. Uw zonen zullen zijn als olijfboomstekken rondom uw tafel. Zie! Zo zal de fysiek sterke man gezegend worden die Jehovah vreest.”
Ik ben namelijk vader van achttien kinderen. Mijn lieve vrouw Belén (Bethlehem), mijn „vruchtdragende wijnstok”, heeft mij twaalf zonen en zes dochters geschonken.
Mijn eigen leven begon vierenzestig jaar geleden in de stad Líbano, Tolima, Colombia. Ik was de jongste van twaalf kinderen. Omdat mijn vader stierf toen ik nog maar een baby was moest ik op twaalfjarige leeftijd in een metaalgieterij werken, om te helpen mijn moeder en jongste zuster te ondersteunen. Toen ik zesentwintig jaar oud was, trouwde ik met Belén, en kort daarna verhuisden wij naar Bogotá, de hoofdstad.
Door schriftelijke lessen te volgen, bekwaamde ik mij als timmerman, waarbij ik mij specialiseerde in het maken van houten modellen voor het vervaardigen van gietvormen. Opdat ik beter toezicht op mijn opgroeiende kinderen kon uitoefenen, zette ik thuis een eigen bedrijfje op. Totdat ik een klantenkring had opgebouwd, moest ik echter op een andere manier de kost zien te verdienen. Als er dus geen modellen te maken waren, maakte ik gitaren, mandolines en violen.
Leren heeft mij altijd gefascineerd. Dat is één reden waarom ik, zolang ik mij kan herinneren, allergisch ben geweest voor de religies van de wereld. Hun ritualistische hocuspocus heeft mijn drang om meer te weten te komen, nooit kunnen bevredigen.
In tegenstelling daarmee ontdekte ik iets wat werkelijke waarde had in twee boeken die ik van een van Jehovah’s Getuigen nam die op een zekere dag in 1950 mijn bedrijfje binnenstapte. Ik wilde graag leren; de Getuigen hadden mij iets te onderwijzen — iets wat duidelijk en eenvoudig was, zonder enige mystiek. Door mijn studie van de bijbel met hen begon ik een fundament te leggen voor de juiste opvoeding van mijn kinderen.
’GELUKKIG IS DE MAN DIE ZIJN PIJLKOKER MET HEN GEVULD HEEFT’
Het is een vreugde kinderen groot te brengen. Ondanks het werk dat ermee gemoeid is, de strijd en de zorgen, is het een vreugde. Ik ben het volledig eens met wat de wijze man Salomo eens heeft gezegd: „Ziet! Zonen zijn een erfdeel van Jehovah. . . . Gelukkig is de fysiek sterke man die zijn pijlkoker ermee heeft gevuld” (Ps. 127:3-5). Men raakt zo aan het jonge volkje gehecht, dat men ze verschrikkelijk mist als men ze niet meer om zich heen heeft.
Ik houd erg veel van kleine kinderen. Hun bijzondere manier van doen, schenkt mij altijd veel vreugde. Een jong kind heeft een bepaalde gratie die moeilijk is te definiëren. Het is zo onschuldig. En het is in staat zich met bijna niets te amuseren. Het is met een stukje papier of een touwtje al gelukkig. Als het kind dan zijn speelgoed verliest, is het verdrietig. Dan wil ik vooral graag bij kleine kinderen zijn, om hen te helpen.
Aangezien mijn vrouw en ik erg veel van onze kinderen hielden, stelden wij er van nature belang in hun de juiste leiding te geven, en dit was helemaal het geval toen wij de waarheid uit Gods Woord leerden kennen. Deze leiding omvatte zowel het geven van onderwijs als het toedienen van streng onderricht. De bijbel toont zelf aan dat „wie zijn roede inhoudt, . . . zijn zoon [haat], maar wie hem liefheeft, die zoekt hem werkelijk met streng onderricht” (Spr. 13:24). Wij hebben nooit nagelaten onze kinderen streng te onderrichten. Het is angstaanjagend te bedenken wat de gevolgen geweest hadden kunnen zijn als wij dit niet hadden gedaan.
DE WAARDE VAN EEN GOED OUDERLIJK VOORBEELD
Wij weten allemaal dat kinderen geboren imitators zijn. Of het nu om taal, manieren of gewoonten gaat — zij volgen alles met het grootste gemak na. Vooral wat hun ouders doen wordt een wet voor hen. Met het oog op dit instinct tot navolgen, geloof ik dat het beste onderwijs dat kinderen thuis kunnen ontvangen, in een goed voorbeeld van de ouders is gelegen. Dit wordt ondersteund door de bijbelse spreuk: „De rechtvaardige wandelt in zijn rechtschapenheid. Gelukkig zijn zijn zonen na hem” (Spr. 20:7). Een oprechte ouder, die zijn rechtschapenheid bewaart, zal iets van grote waarde aan zijn kinderen schenken dat inderdaad hun toekomstige geluk tot gevolg zal hebben.
In dit opzicht is de kennis die ik uit Gods Woord heb verkregen, een grote hulp geweest. Hoe dat zo? Doordat ik hierdoor heb geleerd hoe ik behoor te leven. Ik heb op de bladzijden ervan geleerd hoe belangrijk waarheid en gehoorzaamheid zijn. Ik heb geleerd overeenkomstig welke gedragsregel ik, als echtgenoot en vader, voor het aangezicht van God, en ook derhalve in mijn gezin, moet leven. Ik ben ervan overtuigd dat als men Gods onveranderlijke wetten kent en ernaar leeft, de rest met betrekking tot het leven, met inbegrip van de opvoeding van kinderen, betrekkelijk gemakkelijk is.
Een van de belangrijkste invloeden ten goede in het leven van onze kinderen is de bijzonder goede verhouding geweest die er altijd tussen mijn vrouw en mij heeft bestaan. Wij respecteren elkaar wegens de grote genegenheid die wij voor elkaar hebben. Het zou mij pijn doen als ik zelfs maar mijn stem tegen mijn vrouw zou verheffen. Ik zou het als een grove ongerechtigheid van mijn zijde beschouwen als ik haar zou mishandelen. Ik word in deze houding geholpen doordat er niets in haar manier van doen is dat mij mishaagt. Zij is heel onderdanig, medewerkend en vriendelijk. Zij zet haar ideeën over welke kwestie maar ook uiteen maar laat de beslissing dan aan mij over, en respecteert die ook. Als een van ons niet in een al te best humeur is, doet de ander alles wat hij kan om de bron van ontevredenheid weg te nemen. En als een van ons een kind streng onderricht geeft, zal de ander, in plaats van tussenbeide te komen, er zijn of haar steun aan verlenen.
DE WAARDE VAN WAAKZAAMHEID
Wij hebben onnodige problemen met de kinderen onder andere kunnen vermijden door een liefdevol oog op hen te houden, door waakzaam te zijn. Net als elke jonge plant, hebben zij bescherming nodig. Wij hebben altijd per se willen weten waar zij waren en wat zij deden. Als een van de jonge jongens het huis verliet, moest hij door een ouder lid van het gezin of door een betrouwbaar persoon vergezeld worden. De meisjes moesten, ongeacht hun leeftijd, altijd iemand bij zich hebben.
Er is thans zoveel onzekerheid en zo weinig respect voor anderen dat ik mij altijd gerechtigd heb gevoeld vooral mijn dochters te beschermen. Ik heb hun niet het voorrecht onthouden vrienden te hebben onder degenen die wij kennen en met hen om te gaan. Maar hun toestaan alleen de straat op te gaan — nooit — niet in deze stad.
Aangezien de jongens minder gevaar lopen, heb ik hun meer vrijheid toegestaan dan de meisjes. Maar toch moeten zij, ongeacht hun leeftijd, zolang zij onder mijn zorg staan, op een bepaalde tijd thuis zijn. Het is slechts heel zelden voorgekomen dat een van hen te laat thuis kwam maar als dit gebeurt, treft hij de deur gegrendeld aan. Ik laat hem dan een tijdje in de koude avondlucht buiten staan, voordat ik de deur opendoe. Aangezien zij weten hoe ik mij dan voel, laten zij zelden toe dat dit nog eens gebeurt.
Als men voorzorgsmaatregelen neemt om een waakzaam oog op de kinderen te houden, wordt de noodzaak tot straffen vaak vermeden. Met andere woorden, „voorkomen is beter dan genezen”. Ouders die in dit opzicht laks zijn, zullen hun kinderen misschien moeten kastijden voor kwaaddoen waaraan zijzelf, vanwege hun nalatigheid, in zekere zin medeschuldig zijn.
RUST VOOR MIJN ZIEL VINDEN
Hoe belangrijk een goed ouderlijk voorbeeld en waakzaamheid ook zijn om op succesvolle wijze kinderen op te voeden, toch is er beslist meer nodig. Als er sprake is van moedwillige ongehoorzaamheid doet de letterlijke roede, op passende wijze toegepast, wonderen bij kinderen. Dit heeft op zijn beurt een kalmerende, aangename uitwerking op de ouders, zoals te kennen wordt gegeven in Spreuken 29:17: „Tuchtig uw zoon en hij zal u rust verschaffen en uw ziel veel genot schenken.”
Als ik mijn kind vraag iets te doen en hij het niet prompt doet, herinner ik hem aan mijn vraag. Als hij het dan nog niet doet en ik zie dat de ongehoorzaamheid moedwillig is, tuchtig ik hem. Omdat ik consequent heb getracht deze gedragslijn te volgen, hoef ik iets bijna nooit twee keer tegen mijn kinderen te zeggen.
Voordat ik de letterlijke roede gebruik, neem ik het kind echter eerst terzijde en redeneer onder vier ogen met hem over de noodzaak van het gebruik van de roede. Ik wil dat hij duidelijk begrijpt waarom hij wordt gestraft. Bovendien vermijd ik hierdoor hem louter tot een voorwerp van mijn woede te maken.
Natuurlijk kunnen andere vormen van streng onderricht precies even doeltreffend blijken te zijn; niet allen reageren op dezelfde wijze. Een afkeurende blik kan voor sommigen een ernstige terechtwijzing vormen. Anderen reageren er heel goed op wanneer hun iets wat zij erg prettig vinden, wordt onthouden.
Ik kan me een vorm van straf herinneren die een goede uitwerking had op Horacio, mijn vijfde zoon, toen de letterlijke roede niet mocht baten. Hij was ongeveer acht jaar oud en wilde met alle geweld omgang hebben met een groepje kattekwaad uithalende kwajongens uit de buurt. Ik liet hem daarom een van de jurken van zijn zusje aantrekken. Aangezien hij zich daar niet mee durfde te vertonen, bleef hij thuis en kwam niet op straat.
Toen ik eens merkte dat er in mijn derde en mijn zesde zoon, Efraín en Cicerón, een onbeschaamd trekje ontwikkelde, besloot ik hen naar de boerderij van hun grootvader te sturen. De jongens waren toen ongeveer achttien en vijftien jaar oud. Zodra zij daar arriveerden, begreep mijn schoonvader dat zij werden gestraft. Het vormde voor hem een bron van vreugde zijn kleinkinderen aan het werk te zetten. Aangezien hij zelf een energieke werker was, kon hij zich mateloos ergeren aan iemand die lui was of niets deed. De jongens moesten elke ochtend om vijf uur opstaan en kregen dan te kampen met slangen en wespen en blaren op hun handen als zij in de tropenzon op de velden werkten. Een maand van hard werken bleek heel nuttig te zijn om hun waardering te vergroten voor de wijze waarop zij zich in en rondom het huis dienden te gedragen.
Ik kan me uit recentere tijd herinneren dat ik vier van de jongens vroeg hun haar te laten knippen. Naar mijn idee was hun haar te lang. Efraín, de oudste van de vier, was toen ongeveer twintig jaar oud. Enkele dagen later waren zij nog niet naar de kapper geweest, en daarom zei ik: „Efraín, Rafael, Horacio en Cicerón, vooruit! Jullie gaan met mij mee.” „Oké, papa.” Zij wisten niet wat ik ging doen, totdat wij bij de kapper aankwamen. Ik zei tegen de kapper: „Doe me een plezier en knip het haar van deze jongens alsof u mijn haar zou knippen — kort, goed en kort!”
WERELDS ONDERWIJS EN OPLEIDING
Wegens economische redenen is het schoolonderwijs van mijn zonen beperkt gebleven tot de lagere school. Toch hebben sommigen van hen later een gespecialiseerde cursus gevolgd in een bepaald vak. Ik was bang dat als ik sommigen in staat zou stellen gevorderd onderwijs te genieten, zij opgeblazen zouden worden en de baas zouden trachten te spelen over hun broers die minder onderwijs hadden genoten. Om die mogelijkheid uit te bannen, besloot ik datgene wat ik niet aan allemaal kon geven, aan niemand te geven.
Door mijn omstandigheden heb ik echter het voorbeeld van de Israëlitische ouders uit de oudheid kunnen volgen. Behalve dat zij hun kinderen leerden lezen en schrijven, onderwezen zij hun zonen een vak. Zij waren van mening dat wie in gebreke bleef zijn zoon een vak te leren, hem in werkelijkheid leerde stelen. Het is voor mij een grote vreugde geweest al mijn zonen, zonder uitzondering, bij mij in de werkplaats op te leiden zodra zij van de lagere school af kwamen.
Niet alleen heb ik mijn zonen een gespecialiseerde kunst, een vak, kunnen leren, maar doordat ik hen bij mij had, heb ik hun ook andere belangrijke dingen die met het dagelijkse leven te maken hebben, kunnen leren, zoals hoe te werken, hoe problemen te overwinnen, hoe aan een karwei te blijven werken totdat het af is, hoe te redeneren en hoe beslissingen te nemen.
Onze samenwerking heeft bovendien tot een eenheid, een intieme verbondenheid en een communicatie geleid die veel voor hen en voor mij betekenden. Vanaf de tijd dat mijn zonen bij mij op de werkbank zaten om te kijken hoe ik werkte en om met mij te praten, hebben zij zich vrij gevoeld om mij met welk probleem maar ook te benaderen. Zij zijn mijn voortdurende metgezellen en vrienden. Ik geniet hun respect en zij het mijne. In onze onderlinge verhouding op het werk hoef ik hun nooit bevelen te geven. Vriendelijke suggesties hebben dezelfde resultaten en dragen tot een bijzonder goede atmosfeer in de werkplaats bij.
Wetend dat ’de boog niet altijd gespannen kan zijn’, ben ik blij dat ik iets met mijn kinderen heb kunnen delen dat hun ook afleiding heeft geschonken. Ik heb altijd veel van muziek gehouden. Toen ik nog niet getrouwd was, heb ik geleerd de mandoline, gitaar en sopraangitaar te bespelen. Verscheidenen van de jongens kunnen goed gitaar spelen, en als wij een gezellig avondje hebben, vinden mijn dochters het heerlijk om met onze instrumentale begeleiding te zingen.
HET ONDERWIJS DAT WERKELIJK TELT
Behalve het wereldse onderwijs en de praktische opleiding die mijn kinderen hebben ontvangen, hebben zij nog een ander soort van onderwijs genoten dat veel meer vruchten afwerpt. Ik doel vanzelfsprekend op het geestelijke onderricht dat zij hebben gekregen.
Ook in dit opzicht hebben Belén en ik geprobeerd onze kinderen een waardig voorbeeld te geven. Onze eigen studie van Gods Woord heeft ons duidelijk gemaakt wat Jehovah op het gebied van aanbidding en gehoorzaamheid van ons verwacht. Natuurlijk trachten wij in alle opzichten overeenkomstig zijn wil te leven. Gods wil doen, is geen gecompliceerd ritueel. Het komt er veeleer op neer voortdurend bepaalde fundamentele, logische taken te verrichten en overeenkomstig Zijn rechtvaardige maatstaven te leven.
Tot deze fundamentele verrichtingen behoort een geregelde bestudering van Gods Woord, zowel persoonlijk als in de omgang met andere ware aanbidders van Jehovah op christelijke vergaderingen. Vanaf de tijd dat ik de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen begon bij te wonen, heb ik mijn vrouw en kinderen met me meegenomen. Na verloop van tijd werd ons huis voor de vergaderingen gebruikt, voor de gehele gemeente of voor een deel ervan, en dat is nog altijd het geval. Alle gezinsleden bereiden zich op de vergaderingen voor en nemen eraan deel. Dit is onze gewoonte, die heel veel tot ons geestelijke welzijn heeft bijgedragen. — Hebr. 10:25.
In tegenstelling tot wat in dit deel van de wereld in veel gezinnen gebruikelijk is, hebben wij nog een aangename gewoonte — wij eten gezamenlijk als een gezinseenheid. Als mijn ’olijfstekken’ te talrijk waren om in de eetkamer aan één tafel te zitten, zaten sommigen aan een kleinere tafel in de keuken.
Gezamenlijk eten heeft beslist tot onze eenheid bijgedragen en heeft ons bijvoorbeeld de gelegenheid geschonken gezamenlijk te bidden. Ook heeft het mij in staat gesteld Gods woorden bij mijn kinderen in te prenten ’als ik in mijn huis zat’, zoals Hij dit van mij verlangt (Deut. 6:6, 7). Het heeft mij ook geholpen mijn vinger op de pols van het gezin te leggen ten einde houdingen of neigingen waar te nemen en datgene toe te passen wat ik als het geneesmiddel beschouwde dat voor de geestelijke behoeften van ons allemaal noodzakelijk was.
Natuurlijk zijn de maaltijden niet uitsluitend gelegenheden voor het geven van positieve bijbelse raad. Ze zijn ook tijden voor luchthartig gebabbel en humor, met misschien wat gitaarspel als een vorm van ontspanning na de maaltijd.
Aangezien mijn vrouw en ik ons bewust zijn van het feit dat onze christelijke liefde zich buiten de grenzen van ons eigen huis moet uitstrekken, zijn wij gewoon het goede nieuws van Gods koninkrijk naar de huizen van de mensen te brengen. Al mijn kinderen houden zich druk met deze belangrijke activiteit bezig, terwijl vijf van hen een tijd lang al hun tijd aan dit werk hebben besteed.
Ik kan me in dit verband een incident herinneren waarbij mijn tweede zoon, Raúl, betrokken was toen hij ongeveer zeventien jaar oud was. Op een zekere zondagochtend zei ik tegen hem: „Wel zoon, laten wij in de dienst gaan.” Hij antwoordde: „Nee, ik ga niet.” Verbaasd vroeg ik: „En waarom niet?” „Omdat het niet verplicht is”, was zijn antwoord. Ik zei: „Dat is waar, het is niet verplicht. Oké.” Ik sprak er helemaal niet meer met Raúl over. Ook zei ik niets over de volgende zondag en of hij dan weer zou meegaan. Evenmin was ik boos op hem of somber gestemd. Ik weet niet hoe hij er zelf over dacht, maar de volgende zondag ging hij weer mee, rustig, zonder met een woord over het gebeurde te reppen.
Sinds die episode heeft Raúl zich altijd bereidwillig en ijverig aan Gods Koninkrijksdienst gewijd, waarvoor Jehovah hem rijkelijk heeft gezegend. Hij kreeg het voorrecht de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in de stad New York bij te wonen, om later zijn christelijke broeders in geheel Colombia als hun districtsopziener te dienen. Nu verrichten hij en zijn vrouw dienst op het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Barranquilla, waar hij helpt het opzicht te hebben over het werk van Jehovah’s Getuigen in Colombia.
REDEN OM GELUKKIG TE ZIJN
Hoewel ik thans in materieel opzicht meer bezit dan enkele jaren geleden, vormt dit niet de reden waarom ik nu gelukkig ben. Materiële dingen verschaffen op zichzelf genomen nooit waar geluk. Maar geestelijke zegeningen — ja, die schenken geluk! Als er thuis bijvoorbeeld harmonie heerst en er geen ernstige moeilijkheden in het gezinsleven zijn gerezen, bestaat er reden voor geluk. En als ik zie hoe al mijn kinderen hun Schepper toegewijd dienen en de vier oudste zonen als ouderlingen in de christelijke gemeente dienst verrichten, zijn mijn vreugde en voldoening inderdaad groot. — Spr. 10:22.
Nu tien van onze kinderen zijn getrouwd, de meesten van hen met ’stekjes’ van henzelf, stemt het mij gelukkig te zien dat zij ons vaak bezoeken. Zij vinden het prettig bij ons te zijn. Mijn vrouw en ik vinden het ook prettig met hen samen te zijn. Die intieme band bestaat nog steeds. Natuurlijk hebben wij allen dat ene, uiterst belangrijke ingrediënt gemeen, onze liefde voor onze hemelse Vader, Jehovah, ’aan wie onze familie haar naam’, ja, haar bestaan, ’te danken heeft’. Aan Hem hebben wij ook onze hoop te danken dat onze gezinsverhouding wellicht nooit ten gevolge van de dood zal behoeven te eindigen omdat „er . . . nieuwe hemelen en een nieuwe aarde [zijn], die wij overeenkomstig zijn belofte verwachten, en daarin zal rechtvaardigheid wonen”. — 2 Petr. 3:13; Ef. 3:14, 15.