Zendelingen uitgezonden — door wie?
’ALS vertegenwoordigers van wie worden jullie uitgezonden?’ luidde de vraag die Milton Henschel aan de vijfentwintig zendelingen van de 60ste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead stelde toen zij op zondag, 7 maart, in de stad New York afstudeerden.
Henschel, de derde van zes sprekers die op het programma stonden, beantwoordde zijn eigen vraag ten behoeve van de afgestudeerden en hun honderden welmenende vrienden die aanwezig waren. Hij wees op het voorbeeld van de Voornaamste Zendeling Jezus Christus, die zei: „Ik ken [God], omdat ik een vertegenwoordiger van hem ben, en Hij heeft mij uitgezonden.” — Joh. 7:29.
De spreker vestigde er de aandacht op dat Jezus uit het hemelse rijk was gezonden. Hij kwam naar de aarde om te midden van onvolmaakte mensen te leven, wier denk- en handelwijze afweken van Gods denkwijze (Jes. 55:8). Jezus klaagde nooit, en ook verhoogde hij zichzelf niet als Gods zendeling, maar hij verheerlijkte Degene die hem had gezonden.
Theodore Jaracz, voorzitter van deze bijeenkomst, opende de plechtigheid met te zeggen dat verscheidene familieleden van de afgestudeerden van overzee waren gekomen. Hij merkte op dat deze klas jong was, met een gemiddelde leeftijd van ongeveer achtentwintig jaar, maar dat de studenten dertien jaar, bijna de helft van hun leven, als getuigen van Jehovah hadden gediend.
Jaracz vroeg toen of U. V. Glass, een van de leraren van de Gileadschool, enkele afscheidswoorden tot de studenten wilde richten. Glass vestigde de aandacht op het menselijke oor, met zijn vermogen om zelfs kleine verschillen in de klank en de kwaliteit van een geluid op te merken. Een christen, zo zette hij uiteen, kent het „geluid”, de precieze „klank” van de waarheid uit Gods Woord — de stem van de Voortreffelijke Herder (Joh. 10:2-5). Hij gaf de studenten de raad waakzaam valse of namaak-„klanken” op te merken, die hen van hun ware doel als zendelingen zouden kunnen weglokken.
John C. Booth, de volgende spreker, was in de gelegenheid geweest bijna allen van de meer dan 5000 afgestudeerden van Gilead, vanaf het begin van de school in 1943, te leren kennen. Booth moedigde de studenten aan door eerst te vragen: „Bezitten jullie de bekwaamheid om als zendelingen uitgezonden te worden?” Hij vestigde de aandacht op de negenenvijftig voorgaande klassen. Vormt de toename in het aantal lofprijzers van God in landen waarheen zendelingen zijn gezonden, niet een levend bewijs van het feit dat zij bekwaam zijn?
Na deze lezing konden de aanwezigen gaan staan en zich ontspannen terwijl het hoofd van de school, E. A. Dunlap, telegrammen van ver en nabij voorlas waarin waardering voor de school tot uitdrukking werd gebracht en de afgestudeerden de beste wensen kregen voor het werk in hun toewijzingen.
„Pas op dat je geen uitvaller wordt”, was het thema dat Lyman Swingle ontwikkelde. Terwijl hij de afgestudeerden eraan herinnerde dat zij bijbelstudenten waren geweest voordat zij naar de Gileadschool waren gekomen, voegde hij hieraan toe dat zij op de school zelf nog veel meer hadden geleerd. In werkelijkheid waren zij echter pas met leren begonnen. Zouden zij dit niet geloven, dan zou dit tot het verlies van hun geestelijke gezindheid leiden, waarna zij ten slotte de zendingsdienst zouden opgeven. Ja, zelfs onwenselijke omstandigheden, die men als een excuus zou kunnen gebruiken om een uitvaller te worden, zouden in werkelijkheid nòg een les kunnen worden waaruit kracht kon worden geput.
„Niets wat wij kunnen doen, zal Jehovah God verrijken. Toch nodigt hij ons ertoe uit hem onze gaven te schenken.” Met deze woorden leidde Leo Greenlees een beschrijving in van Gods regelingen voor het brengen van slachtoffers aan Hem in de tempel van het Jeruzalem uit de oudheid. Alleen gezonde, gave slachtoffers waren aanvaardbaar. Dus ook als wij een „slachtoffer van lof brengen, namelijk de vrucht der lippen”, moet dit offer oprecht zijn, van ganser harte worden geschonken en vergezeld gaan van onze gebeden. — Hebr. 13:15; Ps. 141:2.
Als de laatste spreker van het twee uur durende ochtendprogramma, ontwikkelde N. H. Knorr het thema „Waar denk je aan?” De juiste denkwijze van degenen die zendingswerk in het buitenland gaan verrichten, zou beïnvloed kunnen worden door de verandering van taal, gewoonten en levensomstandigheden. Zij zouden erover kunnen gaan denken hun zendingstoewijzing op te geven. Alleen door getrouw vast te houden aan de denkwijze die in Gods Woord wordt aangetroffen, kunnen zij standvastig blijven. Hij vervolgde met het incident aan te halen waarbij de apostel Petrus, oprecht maar toch de gedachten van mensen denkend, Jezus ervan trachtte af te brengen zijn offerandelijke loopbaan te volbrengen. Maar Jezus, die Gods gedachten dacht, verwierp onmiddellijk Petrus’ denkwijze en hield vast aan zijn juiste handelwijze. — Matth. 16:21-23.
Na de lezingen ontvingen de nieuwe zendelingen hun diploma en toewijzing voor twaalf landen, onder meer IJsland, de Seychellen, Spanje en India.
Het middagprogramma werd door de studenten verzorgd. Er waren in deze klas groepen Schotse, Engelse, Amerikaanse, Duitse, Spaanse en Hawaiiaanse studenten. Elke kleine groep had de hulp van anderen ingeroepen, die zij speciaal hadden onderricht, om een programma te brengen waarmee zij de aanwezigen aangenaam bezighielden. Vervolgens werden er drie op de bijbel gebaseerde drama’s opgevoerd.
Ten slotte besloot broeder Jaracz de vreugdevolle bijeenkomst met de woorden die de apostel Paulus tot de ouderlingen in de oude stad Éfeze richtte: „En nu draag ik u op aan God en aan het woord van zijn onverdiende goedheid, welk woord u kan opbouwen en u de erfenis kan geven onder alle geheiligden.” — Hand. 20:32.