Het einde van 6000 jaar menselijke heerschappij komt naderbij — Wat is er tot stand gebracht?
TOEN er in september 1975 een nieuw joods maanjaar begon, was er een belangrijk punt in de menselijke geschiedenis bereikt. Wat dan wel? Volgens de bijbelse tijdrekening kwam er toen een eind aan 6000 jaar menselijk bestaan op aarde. Ja, indien de eerste mens Adam had verkozen zich gehoorzaam aan Gods heerschappij te blijven onderwerpen, zou hij nog steeds in leven zijn en in september jongstleden 6000 jaar oud zijn geworden.
Betekent dit dat de mensheid nu 6000 jaar heeft bereikt in de 7000-jarige periode die God als zijn grote ’rustdag’ heeft ’gezegend en geheiligd’? Betekent het dat Christus’ duizendjarige Koninkrijksregering, als de laatste 1000 jaar van die ’rustdag’, vanaf september 1975 gerekend moet worden? — Gen. 1:27, 31; 2:2, 3; Openb. 20:1-6.
Neen, dat betekent het niet. Waarom niet? Welnu, het bijbelverslag toont aan dat Gods scheppingsdaden op de „dag” die onmiddellijk aan die 7000-jarige ’rustdag’ voorafging, niet met Adams schepping eindigden. Het geeft te kennen dat er een tijdsverschil bestond tussen de schepping van Adam en die van zijn vrouw Eva. In die tijdsperiode liet God Adam de dieren een naam geven. Of die periode weken of maanden of jaren geduurd heeft, weten wij niet. Wij weten dus niet precies wanneer Jehovah’s grote ’rustdag’ is begonnen en ook weten wij niet precies wanneer deze zal eindigen. Hetzelfde geldt voor het begin van Christus’ duizendjarige regering. De bijbel verschaft ons geen methode om deze datum vast te stellen en daarom heeft het geen zin te speculeren wanneer die datum zou kunnen aanbreken. — Gen. 2:18-25; Matth. 24:42, 44.
De bijbelse tijdklok geeft ons echter wel te kennen dat 6000 jaar menselijke geschiedenis in 1975 zijn geëindigd. Vroeg in Gods ’rustdag’ werd Adam een opstandeling tegen Gods regering. De eerste 6000 jaar van ’s mensen geschiedenis zijn dus voor het grootste deel gekenmerkt door menselijke heerschappij. Wat heeft ’s mensen onafhankelijke heerschappij gedurende die zes millennia of zes tijdsspannen van elk 1000 jaar tot stand gebracht? Laten wij die millennia eens stuk voor stuk als in een panorama aan ons oog voorbij laten gaan.
De eerste duizend jaar
’s Mensen geluk in het paradijs van Eden eindigde toen Adam en Eva tegen de soevereiniteit van hun Schepper, Jehovah God, in opstand kwamen. Zeer terecht verdreef God de man en zijn vrouw uit de tuin, opdat zij op de onbebouwde aarde onder de onafhankelijke regering van hun keuze voor zichzelf konden zorgen. Waarschijnlijk werd dat een vorm van patriarchale heerschappij. Gedurende de 900 en meer jaren van Adams verdere leven raakte de door zonde besmette mensheid echter steeds meer verwikkeld in gewelddaad, moord, valse religie en een toegeeflijke levenswijze die alleen maar tot de dood leidde. — Rom. 5:12; Gen. 3:12, 16-19; 4:10, 11, 23, 26.
De tweede duizend jaar
Onder ’s mensen heerschappij was „de slechtheid van de mens” zo overvloedig dat God, na een gepaste waarschuwing gegeven te hebben, een wereldomvattende vloed bracht om degenen te vernietigen die de aarde hadden „verdorven” en die haar met gewelddaad hadden vervuld. Hoewel God de getrouwe Noach en zijn gezin wegens hun rechtvaardigheid in het leven behield, raakten hun nakomelingen, die zich tegen Jehovah God kantten, in menselijke politiek verwikkeld. Nog geen 200 jaar na de Vloed werd Nimrod een meedogenloze dictator en koning. Hij verhief zichzelf en verzette zich tegen de Allerhoogste God, zodat het gezegde in zwang kwam: „Zoals Nimrod, een geweldig jager gekant tegen Jehovah.” Zijn heldendaden op het gebied van de jacht omvatten behalve het doden van dieren ongetwijfeld ook het doden van mensen, zodat hij een tirannie over de mensheid stichtte. Toen zijn opstandige handelwijze culmineerde in het bouwen van een stad, Babel, met „een toren waarvan de top tot in de hemel reikte”, verrichtte Jehovah het wonder dat hij de taal van de mensheid verwarde. Dit dwong hen ertoe hun bouwprogramma op te geven en zich over de aarde te verspreiden. Het eerste menselijke dictatorschap eindigde als een grote mislukking! — Gen. 6:4, 5, 11; 10:8-12; 11:1-9.
De derde duizend jaar
Er waren oorlogen onder de mensheid, stam tegen stam, stad-staat tegen stad-staat en koninkrijk tegen koninkrijk. Egypte werd de overheersende wereldmacht maar werd door God gestraft omdat het zijn volk, Israël, onderdrukte. De mensen van de natiën vervielen steeds meer tot heidense afgoderij, zelfs zozeer dat zij kinderoffers brachten. Er verrezen onderdrukkende dictaturen, en het gewone volk leed onder de willekeur van de heersers. — Gen. 14:1-16; Ex. 1:8-11; 6:1-6; 14:26-31; Deut. 18:9-12.
De vierde duizend jaar
Egypte werd gevolgd door een reeks van wereldmachten, die achtereenvolgens verrezen en door eerzuchtige machthebbers werden geregeerd. Deze kwamen alle in het vierde millennium aan de macht. Assyrië, Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en Rome vochten alle op hun beurt met hun machtige legers en verkregen de wereldheerschappij. Het werd hun ook toegestaan soevereiniteit over de natie Israël te verwerven en uit te oefenen. Deze machtige politieke rijken worden zowel in de profetie van Daniël als in die van de Openbaring met „beesten” vergeleken. Valse religie is altijd op de voorgrond getreden in haar ondersteuning van deze wrede dictatorschappen. — Dan. 7:2-8, 17; 8:3-8, 20-22; Openb. 13:1, 2; 17:3-8, 11; Ezech. 21:25-27.
De vijfde duizend jaar
Het keizerrijk Rome oefende nu over veel landen heerschappij uit. In het gebied van het Romeinse rijk werd Johannes de Doper onthoofd, werd Jezus Christus aan de paal genageld, vernietigden de keizerlijke legers Jeruzalem en werden de christenen vervolgd — allemaal gedurende de eerste eeuw van onze gewone tijdrekening. In de vierde eeuw G.T. organiseerde de ongedoopte keizer Constantijn de christenheid met haar geestelijken en het politiek-religieuze stelsel van Rome, terwijl de katholieke hiërarchie verantwoordelijk was voor de Donkere Middeleeuwen, met al hun ellendige onderdrukking van de gewone man, en vooral van degenen die God trachtten te dienen. De verbintenis van Kerk en Staat werd verheerlijkt toen de Roomse paus in 800 G.T. Karel de Grote als heerser van het Heilige Roomse Rijk kroonde. — Mark. 6:25, 27; 15:25, 37; Luk. 21:20-24; 2 Thess. 2:3.
De zesde duizend jaar
Het Romeinse Rijk viel in onderling wedijverende en onderdrukkende Europese staten uiteen. Deze zonden hun oorlogsschepen naar het buitenland om de zogenaamde „heidense” gebieden van de aarde te veroveren en te koloniseren. Groot-Brittannië werd de overheersende wereldmacht. Het koloniale Amerika verklaarde en verwierf zijn onafhankelijkheid van Brittannië maar bleef in een Anglo-Amerikaanse wereldmachtregeling nauw met Groot-Brittannië verbonden. De achttiende eeuw was een tijd van industriële revolutie, en in de twintigste eeuw begon een tijdperk van wereldoorlogen, waarbij nagenoeg alle politieke natiën betrokken waren, ondersteund door de toonaangevende religies. De heerschappij van de democratische „koning van het zuiden” werd uitgedaagd door de Duitse „koning van het noorden”, maar het dictatoriale Duitsland is nu door de communistische reus als „koning” opgevolgd. Geen van deze vormen van politiek bestuur hebben hun onderdanen werkelijk geluk of ware zekerheid geschonken. En thans wordt het bestaan van de mensheid door een kernoorlog bedreigd. Revolutie en opstand tegen de autoriteit, de voortwoekering van een toegeeflijke maatschappij en de snelle toename van misdaad en vervuiling hebben ’s mensen problemen alleen maar doen toenemen. — Dan. 11:27-40; Openb. 11:18.
Een panorama-overzicht
Deze 6000-jarige periode van ’s mensen bestaan werd al vroeg gekenmerkt door het verlies van het paradijs. Sindsdien heeft de gefrustreerde mensheid vele regeringsvormen uitgeprobeerd in een poging op zijn minst tot op zekere hoogte een materieel paradijs te herwinnen. Wat is er echter tot stand gebracht? Het resultaat is wereldverwarring. De mensheid staat voor een vernietiging, precies zoals Jezus betreffende onze tijd had voorzegd: „Op de aarde radeloze angst der natiën, die . . . geen uitweg weten, terwijl de mensen mat worden van vrees en verwachting omtrent de dingen die over de bewoonde aarde komen.” Gods Woord schenkt ons echter hoop! — Luk. 21:25, 26.