Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w77 15/2 blz. 124-125
  • Is Maria werkelijk de „moeder van God”?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Is Maria werkelijk de „moeder van God”?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Vergelijkbare artikelen
  • Maria (Jezus’ moeder)
    Redeneren aan de hand van de Schrift
  • Is Maria de „Moeder Gods”?
    Ontwaakt! 1996
  • Hebt u zich dit ooit afgevraagd?
    Ontwaakt! 1996
  • Maria
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
w77 15/2 blz. 124-125

Is Maria werkelijk de „moeder van God”?

VELE eeuwen vóór de geboorte van Jezus hadden Hebreeuwse profeten naar die unieke gebeurtenis vooruitgewezen. De geboorte zou enig in haar soort zijn — een maagdelijke geboorte (Jes. 7:14; Matth. 1:20-23). Met het oog op de bijzondere rol die Jezus daarna bij de volvoering van het voornemen van zijn Vader zou spelen, was het noodzakelijk dat hij als een volmaakt mens geboren zou worden.

Meer dan zeven eeuwen voordat Jezus aan de maagdelijke jodin Maria geboren werd, vestigde de profetie van Jesaja de aandacht op de belangrijke positie die hij zou bekleden. Wij lezen: „Want een kind wordt ons geboren, een zoon wordt ons gegeven. De heerschappij rust op zijn schouders; men noemt hem: Wonder van beleid, Sterke God, Vader voor eeuwig, Vredevorst.” — Jes. 9:5, 9:6 katholieke Willibrordvertaling (WB).

Maakt het feit dat Jezus profetisch „Sterke God” wordt genoemd, Maria werkelijk tot de „moeder van God”? Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten wij weten wat er precies met de uitdrukking „moeder van God” wordt bedoeld. Pas dan kunnen wij bepalen of dit een bijbelse aanduiding is.

In de New Catholic Encyclopedia wordt opgemerkt: „Indien Maria niet waarlijk de moeder van God is, is Christus niet waarachtig God alsook waarachtig mens . . . Maria is waarlijk de moeder van God als aan twee voorwaarden is voldaan: dat zij werkelijk de moeder van Jezus is en dat Jezus werkelijk God is” (Deel 10, blz. 21). Dat Maria de „moeder van God” wordt genoemd, is dus gebaseerd op het geloof dat Jezus Christus werkelijk God is. Dit wordt verder aangetoond in de New Catholic Encyclopedia: „Door te ontkennen . . . dat het Vleesgeworden Woord de ongeschapen Zoon van de Vader is, die gelijk is aan de Vader, weigerden de Arianen Christus’ goddelijkheid en dientengevolge Maria’s goddelijke moederschap te aanvaarden” (Deel 10, blz. 21). Dus slechts wanneer kan worden vastgesteld dat Jezus Christus „waarachtig God” is en „gelijk is aan de Vader”, kan Maria terecht de „moeder van God” genoemd worden. Maar is Jezus Christus inderdaad „waarachtig God” en „gelijk . . . aan de Vader”?

De bijbel gebruikt de uitdrukking „waarachtig God” niet met betrekking tot Jezus Christus. Jezus heeft deze aanduiding zelf tot zijn Vader beperkt. Toen hij zijn Vader in gebed aansprak, zei hij: „Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enig waarachtigen God, en Hem, dien Gij gezonden hebt, Jesus Christus” (Joh. 17:3, Petrus-Canisiusvertaling). Jezus sprak nooit over zichzelf als de gelijke van zijn Vader. In plaats daarvan erkende hij zijn Vader als zijn God, zodat hij na zijn opstanding tegen Maria Magdalena zei: „Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God” (Joh. 20:17, WB). Zelfs nadat Jezus naar de hemel was opgestegen, bleef hij zijn Vader „mijn God” noemen, in hetzelfde vers zelfs viermaal achtereen. — Openb. 3:12, WB.

Dat Jezus niet gelijk aan zijn Vader kon zijn, blijkt ook uit wat volgens de voorzegging aan het eind van Christus’ duizendjarige regering zal gebeuren. De apostel Paulus schreef hierover: „Wanneer alles aan Hem onderworpen is, dan zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan Degene die het al aan Hem onderwierp, opdat God zij alles in allen” (1 Kor. 15:28, WB). Het is duidelijk dat Jezus niet „gelijk . . . aan de Vader” kan zijn en zich nochtans aan de Vader kan onderwerpen, waarbij hij hem als God erkent.

Ook Maria’s eigen houding is opmerkenswaardig. In gepaste nederigheid noemde zij zichzelf „de dienstmaagd des Heren” (Luk. 1:38, WB). Omdat Maria was begunstigd de Zoon van God voort te brengen, zei ze tegen haar nicht Elisabeth: „Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder: daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd” (Luk. 1:46-48, WB). Maria bezag zichzelf dus niet als de „moeder van God”, maar als Gods nederige „dienstmaagd”.

Op overeenkomstige wijze legde Jezus Christus niet de nadruk op de vleselijke verhouding waarin hij tot Maria stond. Een vrouw riep eens uit: „Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de borsten die U hebben gevoed!” Als reactie op die uitroep zei Jezus: „Veeleer gelukkig die naar het woord van God luisteren en het onderhouden” (Luk. 11:27, 28, WB). Ook al was Maria’s voorrecht om Gods Zoon ter wereld te brengen, groot, toch zou haar grootste geluk dus gelegen zijn in het feit dat zij Gods nederige dienstmaagd was die ’naar het woord van God luisterde en het onderhield’. U gelieve ook op te merken dat toen zijn moeder en broers hem wilden zien, Jezus zijn hand naar zijn discipelen uitstrekte en zei: „Ziedaar mijn moeder en mijn broeders; want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel” (Matth. 12:47-50, WB). Opnieuw wordt door deze woorden beklemtoond dat de geestelijke verhouding belangrijker was dan de fysieke verhouding.

Natuurlijk kon Jezus Christus, als de „Zoon van God”, in profetische bewoordingen als „Sterke God” worden aangeduid. Die uitdrukking betekent (in het oorspronkelijke Hebreeuws) een „sterke” of „machtige”. In de hoedanigheid van „Koning der koningen en Heer der heren” is Jezus Christus inderdaad een machtige of „god” (Openb. 19:16, WB). Als de Zoon blijft hij echter altijd onderworpen aan zijn Vader, „den enig waarachtigen God”.

Jezus Christus wordt in de bijbel nooit „God de Zoon” genoemd, maar de „Zoon van God”. Hij bleek precies te voldoen aan de beschrijving die de engel Gabriël aan Maria had gegeven: „Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. . . . De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God.” — Luk. 1:31, 32, 35, WB.

De schriftuurlijke bewijzen tonen dus aan dat wanneer men Maria de „moeder van God” noemt, men de feiten over de ware God en zijn Zoon alsook over Maria verdraait. De aanduiding „moeder van God” is gebaseerd op de onschriftuurlijke leer dat de Zoon „gelijk is aan de Vader”. Deze verdraaiing van de waarheid dient niet licht opgevat te worden. Wil aanbidding aanvaardbaar zijn in Gods ogen, dan moet ze in harmonie zijn met waarheid. Het is zoals Jezus Christus tegen een Samaritaanse vrouw zei: „De ware aanbidders [zullen] de Vader . . . aanbidden in geest en waarheid. . . . God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.” — Joh. 4:23, 24, WB.

Indien u God „in geest en waarheid” wilt aanbidden, vergewis u er dan van dat wat u gelooft, op een feitelijke, schriftuurlijke basis is gefundeerd.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen