’Jehovah gedenkt dat wij stof zijn’
HOEZEER waardeert elk van ons iemand die begrijpend, bedachtzaam en mededogend is! Jehovah God spant wat dit betreft werkelijk de kroon. Ondanks de zwakheden en tekortkomingen van degenen die zijn wil proberen te doen, laat hij hen niet in de steek. Zelfs wanneer zijn dienstknechten zich aan ernstige overtredingen schuldig maken, ontneemt hij hun niet de gelegenheid berouwvol tot hem terug te keren.
Met Gods handelingen ten aanzien van het Israël uit de oudheid als achtergrond, zei de psalmist David: „Jehovah is barmhartig en goedgunstig, langzaam tot toorn en overvloedig in liefderijke goedheid. Hij zal niet voor altijd aanmerkingen blijven maken, noch zal hij tot onbepaalde tijd gebelgd blijven. Hij heeft ons zelfs niet naar onze zonden gedaan; noch naar onze dwalingen over ons gebracht wat wij verdienen” (Ps. 103:8-10). Niet de aard, noch de grootte van de zonde, maar voornamelijk Gods barmhartigheid en zijn voornemen bepaalden hoe Jehovah de weerspannige Israëlieten behandelde. Zijn overheersende geest jegens hen was dat zijn toorn jegens hen niet voortduurde. — Ps. 30:5.
Elke keer wanneer Jehovah God uiting geeft aan zijn toorn jegens degenen die zijn geboden overtreden, doet hij dit met hun beste belangen in gedachten. Zijn doel is hen tot berouw te bewegen zodat zij een goedgekeurde verhouding tot hem kunnen herwinnen. Dat is het doel van het strenge onderricht dat wordt gegeven. Dit wordt in Jesaja 28:24-29 onder onze aandacht gebracht. Daar wordt het ploegen, eggen, zaaien en dorsen van een boer vergeleken met Gods doelgerichte handelingen. Wij lezen daar: „Is het de gehele dag dat de ploeger ploegt om te zaaien, dat hij zijn grond losmaakt en egt? Is het niet zo dat wanneer hij de oppervlakte ervan effen gemaakt heeft, hij dan zwarte komijn strooit en de komijn uitwerpt, en moet hij er geen tarwe, gierst en gerst in doen op de vastgestelde plaats, en spelt als zijn grens? En men corrigeert hem overeenkomstig dat wat juist is. Zijn eigen God onderricht hem. Want niet met een dorswerktuig wordt zwarte komijn getreden; en over komijn wordt geen wagenwiel gewenteld. Want met een staf wordt zwarte komijn gewoonlijk uitgeklopt, en komijn met een stok. Ja, wordt broodkoren gewoonlijk verbrijzeld? Want nooit blijft men het zonder ophouden treden. En hij moet de rol van zijn wagen in beweging zetten, en zijn eigen rijpaarden, maar hij zal het niet verbrijzelen. Ook dit is uitgegaan van Jehovah der legerscharen zelf, die wonderbaar is geweest in raad, die grootse dingen heeft gedaan op het gebied van doeltreffend werken.”
Het is duidelijk dat de werkwijze van een boer ordelijk en doelgericht is. Het ploegen en eggen is beperkt, het wordt gedaan om de grond los te maken en deze in gereedheid te brengen om zaad te ontvangen. Zo heeft ook Jehovah God zijn ongehoorzame volk niet zonder ophouden streng onderricht en gestraft. Hij gaf hun een tijdlang streng onderricht en beoogde daarmee hen ontvankelijker te maken voor raad en leiding. Zoals de graansoort het dorsgereedschap bepaalt, zo varieerde Gods behandeling van individuele personen al naar gelang van wat in hun geval het beste was, ten einde hen te reinigen.
Op het individuele vlak laat het geval van de Judese koning Manasse dit sterk uitkomen. Hij beoefende op grote schaal afgoderij en vergoot veel onschuldig bloed (2 Kon. 21:1-6, 16). De straf die hij verdiende was de dood. Jehovah God bracht over Manasse echter geen oordeel evenredig aan zijn zonde. Manasse’s streng onderricht bestond hierin dat de Assyriërs hem als gevangene naar Babylon voerden. Diende dit strenge onderricht een doel? Ja, Manasse bekeerde zich en bad nederig tot Jehovah om gunst. Na verloop van tijd leende Jehovah God op goedgunstige wijze het oor aan zijn smeekbeden en herstelde hem in zijn koningschap. Dat Manasse door het door hem ontvangen streng onderricht werkelijk was veranderd blijkt wel uit wat hij daarna deed. Hij begon een campagne tegen afgoderij, maakte het altaar van Jehovah gereed en begon er offers op te brengen. Manasse moedigde ook zijn onderdanen aan Jehovah te dienen. — 2 Kron. 33:12-17.
Dit voorbeeld maakt het duidelijk dat Jehovah God jegens degenen die berouw hebben en hem op een heilzame manier beginnen te vrezen, als een barmhartige vader zal handelen. Dus, ongeacht wat voor kwaad iemand wellicht bedrijft, hij kan Gods gunst herwinnen indien hij werkelijk berouwvol is. Jehovah God zal, de zwakheid en vergankelijkheid van de berouwvolle kwaaddoener beseffend, mededogend jegens hem handelen. De psalmist zei met betrekking tot de Israëlieten: „Zoals een vader barmhartigheid toont jegens zijn zonen, heeft Jehovah barmhartigheid getoond jegens hen die hem vrezen. Want hijzelf weet zeer goed hoe wij zijn gevormd, gedachtig dat wij stof zijn.” — Ps. 103:13, 14.
STAAT KLAAR OM TE HELPEN
Vanwege Jehovah’s vaderlijke mededogen en zijn begrip voor onze zwakheden, kunnen wij verzekerd zijn van zijn hulp, wanneer wij er ook maar om vragen. Zijn hulp is niet slechts beperkt tot de keren dat iemand vanwege overgeërfde zwakheden en onvolmaaktheden wellicht zondigt. Jehovah is bereid en in staat ons bij alles dat maar zwaar op ons zou kunnen drukken, te helpen. De psalmist gaf de volgende aanmoediging: „Werp uw last op Jehóvah, en hijzelf zal u schragen. Nooit zal hij toelaten dat de rechtvaardige wankelt” (Ps. 55:22). Als een meedogende Vader zal hij niet toelaten dat wij, zonder enige uitweg, onder het gewicht van grote problemen of beproevingen bezwijken. Indien wij hem om hulp smeken, zal hij ons de wijsheid geven die nodig is om het hoofd te bieden aan onze problemen of beproevingen (1 Kor. 10:13; Jak. 1:2-5). Als de noodzaak hiertoe zou bestaan, kan en zal hij ook anderen ertoe bewegen ons te hulp te komen. — Jer. 38:8-13.
De christelijke apostel Paulus was een van degenen die Jehovah’s hulp vaak ervoer. In zijn tweede brief aan de Korinthiërs schreef hij: „Wij worden in elk opzicht bestookt, maar toch niet zo in het nauw gedreven dat wij ons niet meer kunnen bewegen; wij worden in verlegenheid gebracht, maar niet totaal zonder uitweg; wij worden vervolgd, maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeworpen, maar niet vernietigd” (2 Kor. 4:8, 9). Wanneer het Paulus en zijn metgezellen toescheen dat zij niet wisten wat zij moesten doen en het erop leek alsof elke uitweg ontbrak, kwam er op de een of andere onverwachte manier verlichting. Met het oog op wat hij had meegemaakt kon Paulus tot de Filippenzen zeggen: „Voor alle dingen bezit ik de sterkte door hem die mij kracht verleent” (Fil. 4:13). Alhoewel het menselijkerwijs onmogelijk zou hebben kunnen lijken bepaalde beproevingsvolle situaties met succes het hoofd te bieden, lukte het de apostel Paulus omdat hij door Jehovah God werd ondersteund.
Hoe vertroostend zou het voor ons moeten zijn te weten dat Jehovah ons, indien wij hem niet blijvend in de steek laten, met vaderlijk mededogen zal behandelen! Hij kent ons maaksel — onze zwakheden en vergankelijkheid — en zal niet toelaten dat wij onder onmogelijke lasten wankelen. Ofschoon de omstandigheden moeilijk kunnen zijn, zal hij ons de kracht geven om te volharden en zal hij onze overtredingen barmhartig vergeven. Mogen wij er daarom mee voortgaan gunstig op zijn liefde en begrip te reageren door hem met een volledig hart te dienen.