Het „Heilig Jaar” — Behaagt het God?
„HEILIGE jaren”, of Jubeljaren maken sinds het jaar 1300 deel uit van de rooms-katholieke traditie. Er worden dan talloze vrome gebeden opgezonden en pelgrimstochten naar Rome gemaakt. Behagen deze speciale religieuze activiteiten God? Zo ja, dan zal er beslist enig bewijs zijn van zijn goddelijke goedkeuring.
Toen paus Paulus VI in mei 1973 het Heilig Jaar 1975 aankondigde, konden weinig mensen zich voorstellen welk een ongelofelijke wending de wereldgebeurtenissen toen zouden nemen. De samenloop van omstandigheden is opmerkelijk omdat paus Paulus destijds de traditionele gang van zaken omkeerde, zodat de plaatselijke (of diocesane) jubeljaarvieringen in 1973 begonnen, vóór de in 1975 te houden vieringen in Rome. Vroeger kwam de verlening van de jubeljaar-„gunsten” aan de plaatselijke diocesen altijd na het Romeinse Heilige Jaar.
Uitgerekend gedurende de tijdsperiode van de jubeljaarvieringen is dan ook de ene wereldschokkende crisis na de andere uitgebroken, te beginnen met de oorlog in het Midden-Oosten die in oktober 1973 ontbrandde. De energiecrisis, een wereld op de rand van een economische ineenstorting, regeringshoofden die als dobbelstenen vallen, een hongersnood die steeds dreigender de kop opsteekt — al deze gebeurtenissen hebben zich gedurende deze verbazend kritieke jubeljaarperiode voorgedaan.
Nu dreigt het jaar 1975 zelf met zijn eigen rampspoeden de climax te gaan vormen. De gebeurtenissen in zuidoost-Azië hebben de gemoederen van de gehele wereld beroerd. De situatie in het Midden-Oosten blijft kritiek.
’Wat een droevige samenloop van omstandigheden’, zegt u misschien, ’dat een periode die terzijde is gesteld voor edele religieuze doeleinden, door zulke rampspoedige gebeurtenissen wordt gekenmerkt!’ Opmerkelijker is echter het feit dat het niet de eerste keer is dat een dergelijke samenloop van omstandigheden zich voordoet. Een Romeinse correspondent voor het in Melbourne, Australië, verschijnende blad The Sun zegt zelfs dat „Romeinen beweren doodsbenauwd te zijn voor Heilige Jaren. Ze hebben de naam altijd door de een of andere rampspoed gevolgd te worden”.
Het zou natuurlijk dwaas zijn louter wegens gebeurtenissen die zich door een toevallige samenloop van omstandigheden voordoen, zulk een bijgelovige vrees voor heilige jaren te hebben. Het feit echter dat zulke gebeurtenissen zich zelfs gedurende deze periodes voordoen, zou eerlijke waarnemers echter iets kunnen onthullen over de wijze waarop God een dergelijke aanbidding beziet. Bewegen al die pelgrimstochten en gebeden God ertoe jubeljaarvieringen te zegenen? Hier volgt een gedeeltelijk verslag.
HET HEILIG JAAR 1933
Het Heilig Jaar 1933, zo zei paus Pius XI toen hij de traditionele „Heilige Deur,’ van de St.-Pieterbasiliek opende, „zal het grootste van alle Heilige Jaren blijven”. Het werd een speciaal „Heilig Jubeljaar” genoemd, ten einde het negentiende eeuwfeest van Christus’ „kruisiging” in 33 G.T. te kenmerken. De verwachtingen waren niet tot de interne aangelegenheden van de kerk beperkt. De hoop werd eveneens tot uitdrukking gebracht dat er een ’vloedgolf van religie zal komen die de natie met vrede en voorspoed zal overspoelen’.
Toch begonnen zich kort na de bekendmaking die Pius XI op 24 december 1933 deed, gebeurtenissen voor te doen die het vooruitzicht van de wereld op ’vrede en voorspoed’ jarenlang teniet zouden doen:
30 januari — Adolf Hitler wordt Rijkskanselier van Duitsland; ontvangt op 23 maart dictatoriale macht.
Februari — Eerste concentratiekampen geïmproviseerd in oude barakken, kastelen en andere plaatsen.
27 maart — Japan trekt zich terug uit de Volkenbond, „de eerste ernstige slag voor de structuur van de Volkenbond en . . . een stimulans voor agressie elders”. — An Encyclopedia of World History, blz. 1126,1127.
27 juli — Mislukking van Economische Wereldconferentie in Londen.
14 oktober — Duitsland trekt zich terug uit de Wereld-Ontwapeningsconferentie.
21 oktober — Duitsland zegt lidmaatschap van Volkenbond op.
In plaats van ’vrede en voorspoed’ werd in dit „grootste van alle Heilige Jaren” het fundament gelegd voor een komende wereldomvattende slachting die in deze generatie haar weerga niet heeft gehad. Dienden de zogenaamde „Stedehouder van Christus” en zijn Kerk echter niet als een geestelijk bolwerk gedurende dit speciale jaar ter ere van Christus? Merk enkele „religieuze” gebeurtenissen op die zich gedurende het heilige jaar voordeden:
„(24 maart), de Centrumpartij en de Beierse Volkspartij, die door de Duitse katholieken terecht als vertegenwoordigers van hun belangen werden beschouwd, hadden het ’Ermächtigungsgesetz’, welke Hitler een onbeperkte macht schonk, goedgekeurd.” — New Catholic Encyclopedia (1967), Deel 11, blz. 415.
„De Duitse bisschoppen hadden (op 28 maart) op ondubbelzinnige wijze verklaard dat katholieken met de nieuwe Staat konden samenwerken.” — Idem.
„Kolonel von Papen [Hitlers vice-kanselier] en kapitein Göring [„Hitlers rechterhand”] werden door paus Pius ontvangen met de pracht en praal die behoren bij hun rang. De vice-kanselier — droeg de onderscheidingstekens van een geheim kamerheer van de paus . . . von Papen en kapitein Göring zullen morgen de communie ontvangen uit handen van de paus.” — New York Times, 13 april 1933, blz. 1.
„Eind juni bezocht von Papen de paus aangezien hij een nieuw concordaat voor geheel Duitsland tot stand wilde brengen en wilde bedingen dat de paus zijn invloed zou aanwenden om de Duitse katholieken ertoe te brengen hun politieke organisaties vaarwel te zeggen en zich accoord te verklaren met het nieuwe Duitsland.” — 1934 Americana Annual (Gebeurtenissen van 1933), blz. 272.
„Kort na het concordaat (5 juni 1933) met Oostenrijk . . . werd er een ander concordaat gesloten (20 juli) met de Duitse Republiek.” — New Catholic Encyclopedia, Deel 11, blz. 415.
„Deze handdruk [het Duitse concordaat] met het pausdom, de grootste morele kracht in de geschiedenis van de wereld”, zo zei de Beierse kardinaal von Faulhaber geestdriftig in zijn met de hand geschreven felicitatiebrief aan Hitler, „is een oneindig zegenrijke prestatie.” — Kirche und Nationalsozialismus: Dokumente 1930-1935, Hans Müller, 1963, doc. 77, blz. 170.
Aldus geraakte de vermeende „grootste morele kracht in de geschiedenis van de wereld” betrokken bij politieke bemoeienissen met een van de laagste en meest immorele krachten in de geschiedenis van de wereld. Zou u zich kunnen voorstellen dat Christus zulke politieke overeenkomsten zou sluiten? Nog op de dag van zijn terechtstelling aan de paal zei Christus: „Mijn koningschap is niet van deze wereld . . . mijn koningschap is . . . niet van hier.” Maar in een jaar dat speciaal terzijde was gesteld ten einde Christus’ „kruisiging” te eren, bracht de „Stedehouder van Christus” zelf smaad op Christus door zich in de naam van Christus met de politiek in te laten! — Joh. 18:36, de katholieke Sint-Willibrordvertaling (SW).
Elke eventuele verkeerde voorstelling die van Christus werd gegeven als gevolg van de hieruit voortvloeiende broedermoord gedurende de Tweede Wereldoorlog, werd echter snel met een schouderophalen afgewimpeld. Toen het volgende Heilig Jaar aanbrak, haalden de Christus-onterende politieke bemoeienissen door de kerk opnieuw de voorpagina’s.
HET HEILIG JAAR 1950
Tot de doelstellingen van het Heilig Jaar 1950, zo zei Pius XII, behoorde de hoop dat er „gedurende het Heilig Jaar een nieuw tijdperk zou aanbreken — een rechtvaardiger Heilig Jaar, gelukkiger voor de gehele grote menselijke familie”. Er werden speciale gebeden voor de wereldvrede opgezonden.
Slechts één maand vóór het begin van het Heilig Jaar 1950 onthulde paus Pius zelf waarop hij zijn werkelijke vertrouwen voor vrede stelde: „De paus ondersteunt de V.S. in westers bewapeningsplan”, luidde een kop in de New York Times. „Zijn opmerkingen”, zo werd in het persbericht van 17 november uit Rome gezegd, „verkregen thans een speciale betekenis, omdat ze tot leden van het militaire budgettaire subcomité van de Amerikaanse senaat waren gericht”. — 18 november 1949, blz. 1.
Terwijl de paus „herbewapening aanraadde”, aldus de Times, zei hij tot de wapenfunctionarissen dat de (westerse) wet „nauwelijks kan hopen te zegevieren . . . wanneer ze niet door een redelijke strijdmacht wordt gesteund”. Alsof het Vaticaan dit extra wilde beklemtonen, gaf het Vaticaan gedurende het Heilig Jaar zelf opnieuw te kennen vertrouwen te stellen in de kracht van wapens. In nog een officieel bericht uit Rome, getiteld „Vaticaan keurt beslissing over bom goed”, wordt gezegd:
„Het Vaticaan heeft de regering en het volk van de Verenigde Staten heden via zijn officiële krant, de Osservatore Romano, verzekerd dat het volledig de redenen begrijpt waarom president Truman de beslissing heeft genomen de vervaardiging van een superwaterstofbom goed te keuren.” — New York Times, 3 februari 1950.
Hoe anders is dit dan Christus’ kijk op wapens! Hij zei dat „allen die naar het zwaard grijpen, . . . door het zwaard [zullen] omkomen”. Is datgene wat de wereld in verband met bewapening doet, iets waarmee christenen zich moeten inlaten? Dienen volgelingen van Christus zich met het militaire apparaat van de wereld te bemoeien als Jezus zei dat ware discipelen van hem ’niet van de wereld zijn, zoals Hij niet van de wereld was’? — Matth. 26:52; Joh. 17:16, SW.
Hoe zou God de gebeden kunnen verhoren van degenen die deze christelijke beginselen rechtstreeks overtreden? Hij zegt tot mensen die in werkelijkheid in strijd handelen met hun gebeden: „Heft gij uw handen omhoog, Ik sluit mijn ogen voor u, en luister niet eens, hoeveel gij ook bidt: Uw handen druipen van bloed.” Jubeljaargebeden voor vrede uit de mond van personen die in werkelijkheid op wapens vertrouwden, moeten dus hol geklonken hebben in de hemel. — Jes. 1:15, Petrus-Canisiusvertaling.
„De gebeurtenis waardoor men zich het jaar 1950 waarschijnlijk het levendigst zal herinneren was”, in plaats van vrede, „het uitbreken van oorlog in Korea op 25 juni”, zo merkt het 1951 Britannica Book of the Year op. Het Heilig Jaar werd verder nog bedorven door gewelddadige wanordelijkheden in zestien landen, zes verschillende acute grensgeschillen, alsmede door de Chinese invasie in Tibet.
De Kerk zal toch beslist van deze slechte ervaringen hebben geleerd toen ze eind 1973 haar verlengde Heilig Jaar 1975 binnenging. Is dit echter het geval? U kunt dit zelf aan de hand van het verslag beoordelen.
HET HEILIG JAAR 1975
Het thema van het huidige heilige jaar is „verzoening en vernieuwing”. Opmerkelijker echter dan welke geestelijke „vernieuwing” maar ook, is de vernieuwing van politieke banden geweest. Extra krachtsinspanningen bleven „de Kerk in een nauwer contact met de communistische natiën van de wereld brengen, precies tegenovergesteld aan de situatie in de jaren van de koude oorlog”, merkt U.S. News & World Report op. Begin 1974 leidde deze politieke ommekeer tot de pijnlijke, door de communisten geëiste ontheffing van een verbitterde kardinaal Mindszenty van zijn functie in Hongarije. En nu kan het Vaticaan daar alleen „vrede”-geestelijken aanstellen die door de communisten worden goedgekeurd. Kunt u zich voorstellen dat Christus met Caesar overleg zou plegen met betrekking tot de keuze van zijn apostelen?
Deze tendens wordt ook weerspiegeld door het feit dat communistisch Noord-Vietnam en Oost-Duitsland in 1974 voor het eerst voorkwamen op de officiële lijst van afgevaardigden voor Romes Bisschoppensynode. Hanois aartsbisschop Trinh Van Can zei tot de bisschoppen van de Synode dat de „getrouwe katholieken [van zijn land] een bewonderenswaardig voorbeeld verschaffen van hun gehechtheid aan de Kerk”.
Maar toen paus Paulus het Heilig Jaar 1975 officieel opende, verscheen de opzienbarende kop: „Noord-Vietnam eert loyale katholieken.” Om het officiële Kerstbericht aan te halen dat vorig jaar volgens de „Agence France-Presse”-nieuwsdienst door Tonkins Phat-Diemdiocees werd vrijgegeven, hebben in de loop der jaren „steeds grotere aantallen jonge katholieken in het leger dienst genomen”, terwijl zij zelfs „helden van het Bevrijdingsfront” waren geworden.
Dus opnieuw is er het schouwspel van katholiek die katholiek doodt, zelfs tijdens een heilig jaar! Maar hebben de meeste kerken niet altijd een overeenkomstige bereidheid ten toon gespreid om met politieke natiën vriendschap te sluiten ten einde te kunnen blijven voortbestaan? Hoe beziet God echter degenen die ten koste van christelijke beginselen vriendschap met de wereld sluiten?
Welnu, hoe noemt u vrouwen die de schijn ophouden dat zij hun man trouw zijn maar die zich aan iedereen geven die toevallig in hun buurt komt? De bijbel zegt dat God exclusieve toewijding eist en beschrijft zulke mensen derhalve als „overspeligen”. Vervolgens zegt de bijbel:
„Beseft gij niet dat de vriendschap met de wereld vijandschap met God betekent? Wie met de wereld bevriend wil zijn, maakt zich tot vijand van God.” — Jak. 4:4, SW.
Wekt het dan verbazing dat God de jubeljaargebeden voor geestelijke „verzoening en vernieuwing” niet heeft verhoord? In plaats daarvan heeft men in 1974 kunnen zien hoe de Italiaanse katholieken de Kerk een verbazingwekkende nederlaag toebrachten in het referendum over echtscheiding — een referendum waarop de Kerk zelf had aangedrongen! En Londens Economist bericht dat vorig jaar naar schatting 65.000 Westduitse katholieken een einde maakten aan hun verplichting kerkbelasting te betalen door hun lidmaatschap op te zeggen. Dat is 20 percent meer dan het verlies in 1973, en „dit jaar gaan de cijfers scherp omhoog”.
Ondertussen heeft het Vaticaan in 1975 reeds een openbare reprimande gegeven aan de beroemde Zwitserse theoloog Hans Kung, die opstandig blijft. Het Vaticaan heeft ook de Conferentie van Internationale Katholieke Organisaties bevel gegeven een boek over bevolkingsproblemen te vernietigen dat onlangs onder auspiciën van hen is uitgegeven.
Klinkt dit als geestelijke „verzoening en vernieuwing”? Of wordt de stemming beter beschreven in een redactioneel artikel over het Heilig Jaar dat in het katholieke tijdschrift Commonweal werd gepubliceerd: „Paulus VI schijnt zich genoodzaakt te voelen zijn volk voortdurend in openbare toespraken te moeten waarschuwen voor niet met name genoemde andersdenkenden . . . en aldus doet hij zich onvermijdelijk kennen als een door zorgen gekwelde man in plaats van een bron van kracht en hoop.” — 3 januari 1975, blz. 283.
Maar dient onze bron van kracht en hoop gelegen te zijn in enig mens of in door de kerk bestempelde „heilige” gebeurtenissen? Laten de volgende woorden uit de Sint-Willibrordvertaling het antwoord geven:
„Nu zijt gij door God gekend. Hoe kunt gij u dan weer wenden tot die zwakke en armzalige elementen om opnieuw hun slaven te worden? Gij houdt u aan bepaalde dagen, maanden, seizoenen en jaren! Ik ben bang dat ik mij tevergeefs voor u heb afgetobd.” — Gal. 4:8-11.
Geen jaar van uiterlijke vroomheid kan waarlijk heilig worden genoemd in de ogen van God zolang deze goddeloze wereld bestaat. Alleen Hij kan een tijd van heiligheid voor de gehele mensheid brengen wanneer, zoals de bijbel belooft, „de eerste hemel en de eerste aarde [zijn] verdwenen.” Dan, op de beloofde „nieuwe aarde”, zal niet slechts één jaar, maar de eeuwigheid, heilig zijn omdat God „bij hen [zal] wonen. . . . En Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn.” — Openb. 21:1, 3, 4, SW.