Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w75 1/2 blz. 70-71
  • Zendelingen ertoe aangespoord ’met God samen te werken’

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Zendelingen ertoe aangespoord ’met God samen te werken’
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • HET VERSTERKEN VAN HET GELOOF HET DOEL VAN DE SCHOOL
  • Zendelingen bevorderen wereldwijde expansie
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Zendelingen van Gods regerende koninkrijk
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
  • Een opleiding die tot succes bijdraagt
    Ontwaakt! 1979
  • Zendingsijver — Een kenmerk van ware christenen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
w75 1/2 blz. 70-71

Zendelingen ertoe aangespoord ’met God samen te werken’

DE WOORDEN van de apostel Paulus over het ’samenwerken met God’, die in de bijbel in 2 Korinthiërs 6:1 staan opgetekend, vormden het thema van het zevenenvijftigste graduatieprogramma van de zendelingenschool Gilead, welk programma op 8 september 1974 plaatsvond. Hoewel de klas van vijfentwintig studenten de tot op heden kleinste Gileadklas was (niet omdat er niet genoeg belangstelling voor bestond maar omdat de woonruimte noodzakelijk was voor werkers die bijbels en bijbelse studiehulpmiddelen drukken), waren er voor deze gelegenheid zoveel familieleden en vrienden uit de Verenigde Staten, Canada, Hawaii en Europa gekomen, dat de Congreszaal van Jehovah’s getuigen in het Newyorkse stadsdistrict Queens geheel gevuld was. De afgestudeerde studenten waren uit vier landen afkomstig en werden aan dertien landen toegewezen.

Het hoogtepunt van de ochtendvergadering was een toespraak door N. H. Knorr, de president van de school, die de afgestudeerden ertoe aanmoedigde in hun evangelisatiewerk lankmoedigheid aan de dag te leggen, te zamen met de andere vruchten van Gods geest. Op deze wijze zouden zij, zo zei hij, met God samenwerken, die ’het zaad van het woord van het Koninkrijk in werkelijkheid doet groeien’. — 1 Kor. 3:6.

Vóór de lezing van N. H. Knorr verstrekten de leraren van de school en de opzieners van het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap korte raadgevingen. Toen sprak F. W. Franz over de dringendheid van het evangelisatiewerk ten einde zoveel mogelijk mensen te redden van de vernietiging in de „grote verdrukking”, die nu, zoals alle bewijzen te kennen geven, zeer nabij is. — Matth. 24:21.

Het middagprogramma werd door de studenten verzorgd. Na een muzikaal onderdeel, waarin zij karakteristieke melodieën en liederen uit hun eigen land ten gehore brachten, voerden zij twee drama’s op. In het eerste werd uitgebeeld, zowel in taferelen die zich in de oudheid afspeelden als in hedendaagse taferelen, hoe vrouwen de raad kunnen toepassen die hun door de apostelen Paulus en Petrus wordt gegeven (Tit. 2:2-5; 1 Petr. 3:1-6). Het programma besloot met een dramatisch historisch overzicht van gebeurtenissen gedurende de regering over Israël door de goddeloze koning Achab en zijn vrouw Izébel, en de rol die Gods profeet Elia gedurende die periode speelde.

HET VERSTERKEN VAN HET GELOOF HET DOEL VAN DE SCHOOL

De opleiding op de Gileadschool heeft bovenal tot resultaat dat het geloof van de zendelingen wordt versterkt. De school legt de nadruk op het totaalbeeld van Gods voornemen, niet op een begrip van slechts enkele leerstellige punten. Het doel is, de studenten „het patroon van gezonde woorden” duidelijk te maken dat in de gehele bijbel wordt verschaft. Hierdoor wordt een bolwerk verschaft tegen „de zonde die ons gemakkelijk verstrikt”, namelijk gebrek aan geloof (2 Tim. 1:13; Hebr. 12:1). Door het zendingswerk wordt iemands geloof namelijk werkelijk op de proef gesteld. Bovendien moeten ware zendelingen van Jezus Christus in staat zijn dat krachtige, onverbrekelijke geloof in anderen op te bouwen.

Deze geloofsbeproeving komt vaak als gevolg van de totaal andere omgeving waarin de zendeling terechtkomt wanneer hij naar een ander land gaat. Gewoonlijk zijn de opvattingen over God en de bijbel en over de dagelijkse levenswijze die de mensen er in zo’n land op na houden, geheel verschillend van wat de zendeling gewend is. In de beginperiode van de zendingsdienst heeft men bovendien nog met het probleem te kampen dat men de taal moet leren — waarbij men ernaar streeft zich op een dusdanige wijze uit te drukken, dat de mensen dit zullen begrijpen en dat hun hart wordt bereikt.

Een zendeling die al twintig jaar in de zendingsdienst is, merkte hierover op: „Hoewel de opleiding op de Gileadschool een voortreffelijke hulp voor ons allen bleek te zijn, heb ik bemerkt dat de zendelingen die in hun toewijzing bleven, personen waren die een werkelijke liefde voor de mensen ontwikkelden en het verlangen koesterden hen te helpen. Zij hadden een intense belangstelling voor anderen. Voor iemand die een succesvolle zendeling wil zijn, vormt dit een fundamenteel vereiste. Dit wekt vanzelfsprekend geen verbazing, want Jezus Christus bezat deze geesteshouding. Hij kwam als een volmaakt mens naar de aarde. Hij vertoefde elke dag bij mensen aan wie talloze onvolmaaktheden kleefden. Toch wordt er over hem gezegd: ’Bij het zien van de scharen had hij medelijden met hen, omdat zij gestroopt en heen en weer gedreven waren als schapen zonder herder.’” — Matth. 9:36.

„Dat is zo”, zei de vrouw van de zendeling. „In het begin werden mijn gedachten voornamelijk in beslag genomen door de vreemde omgeving en gewoonten, en vooral door de taal, en soms had ik het gevoel dat ik die taal nooit zou leren. Maar de mensen hielpen mij vriendelijk met de taal, en tegen de tijd dat ik er voldoende van af wist om mijzelf uit te drukken, vond ik toch zoveel liefdevolle mensen! Zij hadden zoveel waardering voor de geestelijke hulp die ik hun kon geven en reageerden er zo bereidwillig op dat de toewijzing mijn werkelijke tehuis werd, en ik zou die nooit willen verlaten voor wat ik vroeger mijn ’tehuis’ noemde.”

Sinds de Gileadschool in 1943 werd geopend, is er een geweldige toename geweest in het aantal actieve getuigen van Jehovah. Deze toename is echter beslist niet beperkt gebleven tot degenen die door de zendelingen werden geholpen. De meesten van deze nieuwe Getuigen hebben zich bij de rijen van predikers aangesloten wegens het voortreffelijke werk van hun landgenoten die het goede nieuws misschien oorspronkelijk van de zendelingen hadden gehoord maar die ijverig met het werk zijn voortgegaan en bovendien een voortreffelijk voorbeeld hebben gegeven door in overeenstemming met Gods Woord te leven, te werken en hun gezin groot te brengen. Zij hebben de boodschap van het goede nieuws naar gebieden gebracht die moeilijker te bereiken waren en hebben vele tienduizenden personen geholpen te zamen met hen hun standpunt voor de waarheid in te nemen. Het heeft de Gileadzendelingen gelukkig gestemd dit te zien.

Door dit alles is Jehovah’s wijsheid ten toon gespreid, en alle dank voor de geestelijke voorspoed en toename komt hem toe, zoals ook tot uitdrukking werd gebracht door de apostel Paulus, die veel zendingswerk verrichtte: „Ik heb geplant, Apóllos heeft begoten, maar God bleef het wasdom geven.” — 1 Kor. 3:6.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen