Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w74 1/3 blz. 153-157
  • Op Jehovah vertrouwen met heel mijn hart

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Op Jehovah vertrouwen met heel mijn hart
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • MIJN AANDEEL AAN DE BEDIENING UITBREIDEN
  • NAAR INDIA
  • NAAR CEYLON, BURMA EN MALAYA
  • WERKEN MET DE GELUIDSWAGEN
  • DIENEN OP HET BIJKANTOOR VAN HET GENOOTSCHAP
  • NAAR DE GILEADSCHOOL
  • Toegewijd aan Jehovah en de bediening
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • Vreugde over de oogst in India
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
  • Jehovah, mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1960
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
w74 1/3 blz. 153-157

Op Jehovah vertrouwen met heel mijn hart

Zoals verteld door Claude S. Goodman

„VERTROUW OP DEN HERE MET UW GANSE HART, EN STEUN OP UW VERSTAND NIET.” Die woorden uit de bijbel, in een lijstje aan een muur van een huis waar ik een bezoek bracht, trokken mijn aandacht. De verdere dag dacht ik er diep over na. Kon ik, zo vroeg ik mijzelf af, met mijn ganse hart op God vertrouwen?

Thuisgekomen, haalde ik mijn King-Jamesvertaling van de bijbel te voorschijn en las Spreuken 3:5 nog eens over, met het volgende vers 3:6 erbij: „Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.” Ik nam het vaste besluit dat dit mijn gids zou zijn in het leven. Binnen enkele dagen werd ik op de proef gesteld.

Ik had voor een bepaalde avond iets speciaals afgesproken; later werd bekendgemaakt dat er juist op die avond een belangrijke bijeenkomst van de christelijke gemeente was. Wat zou de voorrang krijgen? Gedachtig aan mijn besluit, vroeg ik Jehovah mijn schreden te willen leiden. Ik ging naar de bijeenkomst.

Dat was in het jaar 1925. Ik was eenentwintig jaar, maar vanaf mijn tienerjaren had ik al naar Gods waarheid gezocht.

Mijn moeder behoorde tot de Church of England, maar ik hield mij er afzijdig van. Mijn vader was een atheïst, maar ik kwam tot de slotsom dat er een God moest bestaan. Daarom knielde ik op een zekere dag voor het eerst in mijn leven bij mijn bed en richtte een gebed tot de ware God waarin ik hem vroeg of hij zijn waarheid en zijn volk aan mij wilde openbaren. De dag daarop werd mij een schriftuurlijk boek overhandigd, getiteld „Millioenen nu levende menschen zullen nimmer sterven”. Ik verslond het. Dit was het antwoord op mijn gebed.

De volgende dag ging ik naar de vrouw die mij het boek had gegeven terug en vroeg om nog meer lectuur. Met een armvol vertrok ik èn met een uitnodiging om terug te komen voor meer inlichtingen. Hoe geestdriftig was ik toen Ronald Tippin later door de bladzijden van de bijbel bladerde om mijn vele vragen te beantwoorden. Ik was nu gulzig aan het lezen geslagen. Ik had altijd een deel van de Studies in the Scriptures bij me en begon ook de bijbel door te lezen. In mei 1926, precies een jaar nadat ik het Millioenen-boek had gekregen, droeg ik mijn leven aan Jehovah op een symboliseerde dit op het internationale congres in Londen door de waterdoop. Toen ik luisterde hoe J. F. Rutherford de geestelijkheid ontmaskerde, wist ik dat ik mij ertoe had verbonden vóór de waarheid en tegen de valse religie te strijden.

MIJN AANDEEL AAN DE BEDIENING UITBREIDEN

Tijdens de herdenking van Christus’ dood in het jaar 1927 ontvingen alle aanwezigen een traktaat, getiteld: „Where Are the Nine?” (”Waar zijn de negen?”). Hierin werd een oproep gedaan om meer „colporteurs”, of pioniers zoals volle-tijdpredikers van Gods waarheid nu worden genoemd. Die nacht bracht ik slapeloos en biddend door. Ronald Tippin en ik hadden het plan opgevat een zaken-compagnonschap aan te gaan, dus schreef ik hem de volgende morgen met het verzoek mij van onze afspraak te willen ontslaan. Een brief van hem kruiste echter de mijne. Kunt u de inhoud raden? Ja, we werden partners, niet in zaken, maar in de volle-tijdprediking.

In die dagen betekende pionieren het goede nieuws van Gods koninkrijk in onaangeroerde gebieden te brengen. Twee jaar na Gods waarheid te hebben leren kennen, vertrok ik daarom met mijn partner naar Salisbury in Engeland. De werkuren waren lang en het fietsen was inspannend. Ik herinner mij dat ik die winter eens ’s morgens wakker werd en bemerkte dat mijn haar aan de tent zat vastgevroren en dat er op de deken een stuk ijs lag waar ik had geademd. Maar wij spoorden elk huisje en gehucht op en lieten overal waar wij belangstelling aantroffen bijbelse lectuur achter.

NAAR INDIA

In 1929 bezochten wij een congres van Jehovah’s volk in Londen. Een Bijbelonderzoeker uit India, Percy Barnes, sprak over de behoefte aan volle-tijdbedienaren in dat land. De volgende ochtend, na een nacht van vele gebeden, meldden Ron en ik ons bij de president van het Genootschap, J. F. Rutherford. Zijn grote gestalte en stentorstem vormden een contrast met de vriendelijke en goedaardige manier waarop hij uitlegde dat wij een enkele reis konden krijgen. Zo kwam het dat wij ons twee maanden later op een schip naar Bombay bevonden.

Toen ik in de volle-tijddienst ging, had ik geen bezittingen behalve een goed geweten wegens pas betaalde schulden. Dat was echter maar een kleine stap vergeleken met naar India gaan. Wij kwamen in Bombay aan met enkele dollars, die al gauw waren uitgegeven voor tropenkleding en bedmatten.

Om mijn bediening ten uitvoer te brengen, moest ik van verschillende vervoermiddelen gebruik maken: mijn benen, een fiets, een motorfiets, woonwagen, taxi, passagierstrein, goederentrein, ossewagen, kameel, paard, rijtuig, vliegtuig, sampan, roeiboot, raderstoomboot, bus, vrachtwagen, riksja en zelfs een particuliere trein. Het slapen was al net zo gevarieerd: luxueuze hotels, het paleis van een radja, stationswachtkamers, junglegras en een veeschuur. Ons „huis” was daar waar Ron en ik onze bedmatten maar konden spreiden.

Ons doel was op zo groot mogelijke schaal en zo overvloedig als wij maar konden bijbelse lectuur te verspreiden, waarbij wij op Jehovah vertrouwden om deze in waarderende handen te krijgen. Aangezien er toen geen lectuur in de landstaal beschikbaar was, moest ons getuigenis beperkt blijven tot degenen die Engels spraken. Ons verblijf in iedere stad was daardoor van zeer korte duur.

Onze eerste toewijzing was Karachi, nu in Pakistan, waar onze lectuur graag werd genomen. Het hielp ons financieel wanneer wij als gasten in het beste hotel ter plaatse werden uitgenodigd. Een hele verandering van de 50-cent-per-dag-kamer waarin wij hadden geslapen!

Wij reisden per trein naar Hyderabad, Sind. Ik probeerde in een hotsende houten couchette wat slaap te krijgen. Na Hyderabad gingen Ron en ik uit elkaar; hij ging naar het koele Himalayagebergte en ik per goederentrein naar het hete binnenland. Hier in Murree heb ik met de hindoeïstische volksleider Mahatma Gandhi gewandeld, terwijl ik met hem over de bijbelse waarheid sprak. Ik zorgde ervoor dat hij wat bijbelse lectuur te lezen kreeg.

Gedurende de rest van het jaar was mijn leefpatroon hetzelfde: Hazeslaapjes in treinen, op perrons en in wachtkamers; eten aan Indiase eetstalletjes naast koelies; langs stoffige wegen lopen en de hele dag getuigenisgeven in vorstelijke bungalows. In Lahore kwamen Ron en ik weer bij elkaar, van waaruit wij per kameel naar dorpen in de omtrek gingen.

NAAR CEYLON, BURMA EN MALAYA

Na een congres in december 1929 werden wij naar het prachtige eiland Ceylon gezonden. Ons probleem op Ceylon was hoe wij de duizenden thee-, rubber- en koffieplantages moesten bereiken die over de bergen verspreid lagen. Wij losten dit gedeeltelijk op door een lichtgewicht fiets te bemachtigen, die met vele dozen lectuur op een bus werd geladen. Een van ons ging naar een geschikte stad en fietste van daaruit elke dag naar de plantages die kilometers uit elkaar over het heuvelachtige landschap verspreid lagen. De ander bleef in Colombo en gaf getuigenis aan de mensen daar. Het was een vreugdevolle dag als wij tweeën eens per maand bij elkaar kwamen en ervaringen uitwisselden.

Onze volgende toewijzing was Burma. Wij boekten dus passage als „dekpassagier” op een exclusieve Engelse lijnboot naar Rangoon. Dit hield in dat wij ’s nachts onder de sterrenhemel onze bedmat spreidden en overdag met de Indiase bemanning aten. De Engelse passagiers keken op ons neer omdat wij ’het Britse prestige omlaaghaalden’, maar wij van onze kant waren van mening dat wij het christelijke prestige omhoog haalden door het voorbeeld van Jezus Christus en de zendeling en apostel Paulus na te volgen.

In Rangoon waren ongeveer tien personen die Gods waarheid predikten en wij konden hen helpen en voor de velddienst organiseren. Een van ons bleef in Rangoon en de ander ging per trein of met een rivierboot naar het binnenland.

Diep in de heuvels van het binnenland, in een plaats genaamd Namtu, lag een zilvermijn die het eigendom van een Britse firma was. Ik wilde met een man spreken die belangstelling voor de bijbel had en die bij de mijningang woonde. Men kon daar alleen met het privé-spoor van de firma komen. Wij vroegen vergunning hiervan gebruik te mogen maken doch ons verzoek werd herhaaldelijk afgewezen. Toen ik in Lashio kwam, vernam ik dat er een junglepad naar Namtu liep, dus overreedde ik een taxichauffeur mij en vele dozen bijbelse lectuur langs die route daarheen te brengen.

Op de tweede dag in Namtu toonde een man belangstelling voor de bijbelse waarheid, maar omdat zijn gezichtsvermogen hem in de steek liet, weigerde hij lectuur. Ik bood aan hem uit mijn persoonlijke lectuur voor te lezen. Dit maakte indruk op hem, want de volgende dag hoorde ik dat hij zijn vrienden hierover had opgebeld en de meesten van hen namen bijbelse lectuur. Door wat er daarna gebeurde, denk ik dat hij ook de directeur van de mijn heeft opgebeld.

Daar ik nog altijd naar de mijningang wilde, ging ik naar de directeur zelf, in de veronderstelling dat hij mij er wel eens zou kunnen uitgooien. Hij scheen echter niet verbaasd mij te zien. Toen ik deze Australiër uitlegde waarom ik naar de mijningang wilde, zag ik een tinteling in zijn ogen. Hij liet zijn gasten in de steek om mij in zijn auto met chauffeur naar het mijnkantoor te brengen. Daar stelde hij mij voor aan zijn privé-secretaris, een rooms-katholiek die het op zich had genomen mij het gebruik van de spoorweg van de firma te ontzeggen. Bij het horen van mijn naam betrok het gezicht van de secretaris, en dit gebeurde weer toen de directeur hem opdracht gaf mij als een gast van de firma te behandelen, een privé-trein te mijner beschikking te stellen en ervoor te zorgen dat ik op kosten van de maatschappij van voedsel en onderdak werd voorzien. Nu sloofde de secretaris zich uit om mij op mijn wenken te bedienen terwijl hij me „mijnheer” noemde. Gedurende de volgende paar dagen kon men dus een nederige volle-tijdprediker aanschouwen, met een trein helemaal voor zich alleen, die ging wanneer en waarheen hij maar wilde. Belangrijker was dat de geïnteresseerde werd gevonden en aangemoedigd en dat de mannen bij de mijningang getuigenis kregen over Gods koninkrijk.

Het was midden 1931 toen wij uit Burma naar Malaya vertrokken. Ron ging rechtstreeks naar Singapore, maar ik nam een kustboot door de schitterende archipel en gaf getuigenis in de kuststeden. Wij maakten een rondreis door Malaya via verschillende routes en voegden ons in Kuala Lumpur weer bij elkaar. Daarna bewerkte Ron Penang terwijl ik verder ging naar Bangkok in Thailand en daar grote hoeveelheden bijbelse lectuur verspreidde voordat ik mij weer bij Ron voegde, waarna wij samen naar Calcutta in India gingen.

Calcutta! Reusachtige stad van miljoenen dakloze, in uiterst onhygiënische omstandigheden levende analfabeten. Wij bemachtigden tegen weinig geld een ongemeubileerde kamer en gebruikten twee dozen als stoelen en een derde als onze tafel, terwijl wij onze bedmatten op de vloer uitspreidden. Hier in Calcutta verspreidden wij de brochure Het Koninkrijk de hoop der wereld. Wij lieten exemplaren achter bij zakenmensen, politici en geestelijken. Wat kookten sommige geestelijken van woede!

Om de grote stad te bewerken, kochten wij twee laaggeprijsde motorfietsen die wij ook gebruikten om de 2400 kilometer naar een congres in Bombay af te leggen. Na dat congres in 1932 gingen wij opnieuw naar Ceylon en gebruikten voor die bergwegen ditmaal onze motorfietsen. Een hevige malaria-aanval maakte echter een eind aan mijn verblijf op Ceylon. Het Wachttorengenootschap nodigde ons uit weer naar India te komen en stelde ons een nieuwe woonwagen ter beschikking.

WERKEN MET DE GELUIDSWAGEN

Er opende zich nu een nieuwe levenswijze voor ons. Wij konden elk dorp uitkammen, vaak ver van spoorwegen of wegen verwijderd. Rivieren zonder bruggen waren onze voornaamste zorg, maar wij werden experts in het oversteken daarvan. Wij schroefden veelvuldig de uitlaat los en staken dan, vaak met het water over de vloerplanken, knetterend de rivier over.

In 1934 zond het Genootschap ons een geluidsuitrusting met op grammofoonplaten opgenomen bijbellezingen in de landstaal. Nu konden wij rechtstreeks in verbinding treden met de massa. Overal waar mensen bijeen waren, stelden wij de geluidsinstallatie op. Vaak waren er grote aantallen mensen bij de grammofoonplatenlezingen aanwezig.

Dit duurde voort tot 1938, toen een broeder uit Australië ons als zone-opziener bezocht. Op zijn verzoek onderzochten Ewart Francis en ik of een bepaald meer geschikt was voor de doop. Het moet besmet water zijn geweest, want eenentwintig dagen later was Ewart dood, terwijl ik op een ziekbed kwam te liggen waarvan ik pas na twee maanden bewusteloos te zijn geweest, opstond, en dan nog alleen omdat een christelijke zuster in het volle-tijdpredikingswerk, Maude Mulgrove, mij op bekwame wijze verpleegde. Toen ik dat ziekenhuis in Agra verliet, kon ik een toespraak houden voor het bijeengekomen personeel, en een van hen, Edith Newland, gaf haar verpleegstersloopbaan op om een volle-tijdpredikster van Gods waarheid te worden, hetgeen zij tot op heden nog altijd is.

DIENEN OP HET BIJKANTOOR VAN HET GENOOTSCHAP

Door deze ziekte, tyfus, was ik zo verzwakt dat het onverstandig werd geacht mij naar de woonwagen terug te sturen, dus werd ik uitgenodigd broeder Skinner, de opziener van het bijkantoor van het Genootschap, te helpen. Het oorlogsjaar 1939 was toen aangebroken. De lectuur van het Genootschap werd verboden. Menigmaal werd er een inval in het bijkantoor gedaan, maar slechts tweemaal zonder dat wij van tevoren waren gewaarschuwd. De een of andere welwillende persoon gaf ons meestal een hint; wij bereidden ons op de inval voor en een uur daarna waren wij als altijd druk bezig met het stencillen van De Wachttoren.

Broeder Skinner en ik werden gearresteerd en ervan beschuldigd verboden lectuur te verspreiden. Wij raadpleegden een advocaat die erom bekend stond niet bang te zijn voor het Britse bestuur, maar het honorarium ging onze middelen te boven. Neerslachtig keerden wij naar huis terug. Op de stoep van het bijkantoor stond een Noorse Getuige, een van huis verbannen zeeman. Bij zijn vertrek drukte hij broeder Skinner iets in de hand — precies het bedrag dat de advocaat als honorarium had genoemd! De gift werd herhaald toen wij, na voor de lagere rechtbank te hebben verloren, in beroep wilden gaan bij een hogere rechtbank, alleen was het bedrag dat ditmaal werd geschonken meer dan wij nodig hadden.

In het begin van de oorlog stuurde het Australische bijkantoor ons een trappers en ik werd naar Kotayam, Kerala, gezonden om De Wachttoren in de Malayalamtaal te drukken. Ik wist niets van drukken en nog minder van Malayalam af. Bovendien kende de Getuige die mij als hulp werd gezonden, geen Engels. Maar met behulp van boeken over drukken en veel gebaren, zetten wij de pers in elkaar en maakten Engelse en Malayalam lettertypes gereed. Wat waren we opgetogen toen onze eerste uitgave van De Wachttoren de deur uitging!

Met het einde van de oorlog en het opheffen van de verbodsbepalingen, rezen er nieuwe gevaren. Het Indiase volk had Groot-Brittannië gedurende de oorlog geholpen en eiste nu zelfbestuur. Er volgden felle anti-Britse demonstraties. Gewelddadige aanvallen op mensen die Europese kleren droegen, werden iets gewoons. Maar toch werd zelfs in de onrustigste gebieden ons getuigenis intensiever. Toen kwam het bericht dat broeder Skinner was uitgenodigd om naar de Verenigde Staten te gaan ten einde de Wachttoren-Bijbelschool Gilead te bezoeken. Mij werd gevraagd gedurende de twee jaar dat hij afwezig was, zorg te dragen voor het bijkantoor. Ik moest stellig op Jehovah blijven vertrouwen.

Op een morgen, toen de anti-Britse demonstraties uitzonderlijk fel waren, kreeg ik bericht dat de lang verwachte eerste zending bijbelse lectuur in de haven was aangekomen. Opgetogen en opgewonden sprong ik op mijn fiets — om tot de ontdekking te komen dat de weg vóór mij door een woedende menigte was geblokkeerd. Ik dacht erover via een zijstraat te ontkomen, maar ik bemerkte dat die eveneens geblokkeerd was. Ik had geen ander alternatief dan door de menigte heen te fietsen. Met een kort gebed tot Jehovah, fietste ik dus recht op hen af en begon toen ik bij hen kwam te schreeuwen en hevig met mijn armen te zwaaien. Wat zij dachten, weet ik niet, maar zij weken terug en er opende zich een pad voor mij. Sommigen juichten mij zelfs toe! Na voor de lectuur te hebben getekend, keerde ik langs een onopvallender weg terug.

In 1947 werd India onafhankelijkheid verleend. Dit werd gevolgd door een van de grootste bloedbaden in de geschiedenis, van moslims tegen hindoes. Buren die geslachtenlang naast elkaar hadden gewoond, gingen elkaar doden. Jehovah’s getuigen die straatgetuigenis gaven, zagen hoe mensen naast hen werden doodgestoken.

NAAR DE GILEADSCHOOL

Het jaar daarop, 1949, was het opwindendste jaar van alle voor mij, want ik werd uitgenodigd voor de Gileadschool. Daar raakte ik in vervoering, zoals wanneer broeder Dunlap ons door het boek The Kingdom Is at Hand voerde, of wanneer broeder Schroeder ons het spoor liet volgen van de valse religie van Babylon tot de christenheid; wanneer broeder Keller bewees dat Gods naam in de geïnspireerde christelijke geschriften behoort te staan, of als broeder Friend ons tot tranen toe bewoog wanneer hij ons uit de bijbel de geschiedenis van Jozef en zijn broers voorlas.

Ik heb nog nooit zo’n opgewonden sfeer gekend als toen de president van het Genootschap, N. H. Knorr, ons één voor één zei wat onze toekomstige toewijzing was. Na te zijn afgestudeerd, kreeg ik een verdere opleiding in de wijze waarop een bijkantoor functioneert en wordt geleid, want mijn volgende toewijzing was een nieuw bijkantoor in Pakistan te openen.

Na zes jaar in Pakistan gewerkt te hebben, besloot ik tot een andere stap: het huwelijk. Mijn aanstaande vrouw was Lilian, een dochter van zuster Harding, in wier huis ik na mijn tyfus herstelde. Ik was nu tweeënvijftig jaar, en van de dertig jaar in de volle-tijddienst had ik er zesentwintig in buitenlandse toewijzingen doorgebracht. Ik wilde echter niet dat deze stap een eind zou maken aan mijn pioniersloopbaan. Ik hoorde dat het in Australië gemakkelijker was parttime-werk te krijgen en besloot daarheen te verhuizen. Mijn gebeden waren of ik mijn Gileadopleiding goed mocht gebruiken.

Wij kwamen in Australië aan met een kleine geldreserve en ik besloot om tot dit op was in de volle-tijddienst te blijven. Ik keerde iedere dollar om voordat ik hem uitgaf. Mijn gebied was ongeveer vijf kilometer weg en ik liep erheen en terug om de buskosten te besparen. Toen vertelde Lilian mij dat zij een baby verwachtte. Mark werd geboren en ik vroeg Jehovah in gebed mij te helpen de jongen tot een getrouwe aanbidder van hem op te voeden. Wij huurden een huis en de meubelen schenen er gewoon in te wandelen en daar te gaan staan waar we ze nodig hadden — het geschenk van liefdevolle broeders of doordat ze tweedehands werden gekocht.

In de zestien jaar die volgden, had ik het voorrecht presiderend opziener te zijn en zag ik de gemeente groeien en tweemaal gesplitst worden. In 1973 voltooide ik op de leeftijd van negenenzestig jaar zesenveertig jaar volle-tijddienst. Nu, in mijn zeventigste jaar, kijk ik terug op een leven dat eenvoudig vol is met vreugdevolle en vaak opwindende ervaringen, waarvan ik er hier slechts enkele heb verteld. Als ik nu eens terug was op die dag dat ik het Millioenen-boek nam, zo vraag ik mijzelf af, zou mijn reactie dan anders zijn geweest? Mijn antwoord is „Neen”! Jehovah doet zijn beloften gestand en hij leidt de schreden van hen die met hun gehele hart op hem vertrouwen. Ondanks het feit dat ik het in de pioniersdienst vaak met zeer weinig op stoffelijk gebied heb moeten stellen, kan ik naar waarheid zeggen dat ik nog nooit mijn hand in mijn zak heb gestoken voor een dollar die ik nodig had zonder deze daar te vinden. Dat is beslist waardevol. Maar veel waardevoller is de allesoverheersende overtuiging Jehovah’s macht en liefdevolle zorg achter zich te hebben. Dat is met geen goud ter wereld te betalen!

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen