Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w75 1/4 blz. 220-224
  • ’Ik ben niet te rade gegaan bij vlees en bloed’

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • ’Ik ben niet te rade gegaan bij vlees en bloed’
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • BIJ GOD TE RADE GAAN DOOR MIDDEL VAN ZIJN WOORD
  • ALLEEN EEN BELANGRIJKE BESLISSING ONDER DE OGEN ZIEN
  • GEDURENDE DE DUITSE BEZETTING
  • NIET LANGER ONDERGRONDS
  • Toegewijde dienst schenkt rijke beloningen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • „De nazi’s konden ons niet tegenhouden!”
    Ontwaakt! 1992
  • „De weg der getrouwheid heb ik gekozen”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
  • „Gelukkig is de natie wier God Jehovah is”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
w75 1/4 blz. 220-224

’Ik ben niet te rade gegaan bij vlees en bloed’

Zoals verteld door Emile Schrantz

ALS ik terugblik op de vele jaren die ik in de dienst van Jehovah heb doorgebracht, treedt één feit duidelijk aan het licht: „Ik [ben] niet terstond te rade gegaan bij vlees en bloed.” Die woorden van de christelijke apostel Paulus zouden ook op mijn leven van toepassing gebracht kunnen worden, doordat ik vanaf het begin van mijn christelijke loopbaan ’niet te rade ben gegaan bij vlees en bloed’ maar bij God en zijn Woord. — Gal. 1:16.

Als kind wist ik echter heel weinig over God. Ik ben opgegroeid in het noordelijke deel van het groothertogdom Luxemburg, dat Oesling wordt genoemd; wij waren zeer bijgelovig. Zo werden er bijvoorbeeld gebeden opgezonden tot de ’Heilige’ Albinus om de koeien tegen ziekte te beschermen en tot de ’Heilige’ Celsius om ongelukken en ziekte onder de paarden te voorkomen. Wij baden zelfs tot een ’heilige’ voor de bescherming van varkens.

Mijn vader, die zeer religieus was, had bij mij het verlangen aangewakkerd priester te worden. Ik had reeds bij het opdragen van de Mis als misdienaar dienst gedaan. De gebeurtenissen na de Eerste Wereldoorlog hadden echter zijn vertrouwen in de priesters geschokt. En wat mijzelf betreft: er was mij verteld dat als ik op twaalfjarige leeftijd mijn eerste communie zou doen, God dichter tot mij zou naderen en het de mooiste dag van mijn leven zou zijn. Ondanks de grondige voorbereidingen welke voor die gelegenheid waren getroffen, bracht die dag me alleen maar een gevoel van leegheid. Dezelfde desillusie ondervond ik toen ik het „vormsel” ontving; ik nam niet de minste manifestatie van de heilige geest waar, zoals mij was beloofd. Ik koesterde niet langer het verlangen priester te worden.

Na verloop van enkele jaren begon ik, door vrienden op het verkeerde pad gebracht, zwaar te drinken. Maar omstreeks 1930 ontwikkelde ik de gewoonte elke zondag een van mijn broers te bezoeken. Heel vaak spraken wij over onze jeugdjaren en over onze teleurstelling zo weinig over God en zijn voornemen te weten. Wij spraken over de bijbel, die wij nog nooit hadden gezien en die alleen de priester scheen te bezitten. Vaak zei mijn broer: „Als God ons niets anders heeft te vertellen dan wat de priester onderwijst, bestaat Hij niet.” Hij voegde hier nog aan toe: „Konden wij maar een echte bijbel in handen krijgen!” Tot op die tijd had ik alleen maar te rade kunnen gaan bij vlees en bloed. Wat zou ik graag de bijbel willen bezitten om rechtstreeks te zien wat God te zeggen had!

BIJ GOD TE RADE GAAN DOOR MIDDEL VAN ZIJN WOORD

Enkele dagen nadat wij in 1933 aldus hadden nagedacht, kwam er een man bij mijn broer aan de deur. Hij was een Bijbelonderzoeker, een van Jehovah’s getuigen. Hij sprak over de bijbelse profetieën. Onmiddellijk vroeg mijn broer hem waar hij een exemplaar van de bijbel kon krijgen. „Ik kan u er vanavond nog een brengen”, antwoordde de man.

Diezelfde avond kwam hij met twee exemplaren van een katholieke vertaling terug, te zamen met verscheidene brochures die een hulp vormden bij het bestuderen van de bijbel. De volgende zondag kwam mijn broer met een stralend gezicht naar mij toe. „God heeft ons gebed verhoord”, zei hij. „Wij hebben de bijbel!” Dat wij de bijbel bezaten, was alsof wij vuur in onze handen hadden; het fascineerde ons.

Die dag bleef ik tot diep in de nacht de bijbel lezen. De bijbelse brochures die de man had achtergelaten, getiteld „Gericht”, „Vrijheid voor de Volken”, „Waar zijn de Dooden” en „Hemel en Vagevuur”, maakten ook een diepe indruk op mij.

Als gevolg van wat ik had gelezen, hield ik ermee op met mijn vrienden zwaar te drinken. Dezen keerden zich toen tegen mij en strooiden lasterpraat over mij rond. Ja, vlees en bloed streden tegen mij, maar Jehovah was nu door middel van zijn Woord de bijbel in mijn leven gekomen, en Hij zegevierde.

Mijn broer stierf enkele weken daarna als een slachtoffer van een bedrijfsongeval, en aldus verloor ik degene die mijn intieme metgezel in Gods waarheid had kunnen zijn. Ik had anderen nodig in wie ik vertrouwen kon stellen. Daarom begon ik ware vrienden te zoeken, personen die Jehovah raadpleegden, maar dezen woonden niet bij mij in de buurt. Zij kwamen in Athus bijeen voor bijbelstudie, en dit betekende voor mij een reis van ongeveer vijfentwintig kilometer van de plaats waar ik woonde, in Clémency. Ik bezocht de vergaderingen zo vaak als mijn werk dat toeliet.

In 1935 was er een dagvergadering in Brussel. Op de avond vóór deze vergadering sprak broeder Delaunoy van het Parijse bijkantoor van het Wachttorengenootschap de dooplezing uit, waarna de doop plaatsvond in een badkuip in de kelder van het bijkantoor van het Genootschap. Ik behoorde tot degenen die gedoopt werden. De volgende dag nam ik verheugd deel aan de velddienst en ’s middags waren er ongeveer tweehonderd personen, van vele nationaliteiten, aanwezig.

ALLEEN EEN BELANGRIJKE BESLISSING ONDER DE OGEN ZIEN

De wereldtoestanden spitsten zich toe naarmate de Tweede Wereldoorlog naderde. Als gevolg van het neutrale en compromisloze standpunt van Jehovah’s getuigen werd de tegenstand groter. Ik sprak met steeds grotere vrijmoedigheid over God en zijn voornemen, maar dit had tegenstand en moeilijkheden voor mij tot gevolg. In 1935 moest ik een beslissing nemen: hetzij mijn mond houden en mijn betrekking in een bakkerij behouden of met vrijmoedigheid spreken en mijn baan verliezen. Ik deed een keuze zonder bij ouder of vriend of zelfs andere Getuigen te rade te gaan. Er was zelfs niemand in de buurt op wie ik mijn vertrouwen kon stellen. Ik had Jehovah en zijn Woord. Ik had het besluit genomen mij geheel aan zijn Woord te wijden en hiermee voort te gaan zolang ik brood en water had.

Ik schreef dus naar het bijkantoor van het Wachttorengenootschap en diende een aanvraag in om een pionierbedienaar of volle-tijdprediker van Gods Woord te worden. Enkele weken later verliet ik het groothertogdom Luxemburg om in de aangrenzende provincie Luxemburg (België) te gaan werken. Alleen en op de fiets bewerkte ik, met vertrouwen in Jehovah, het bosrijke, hooggelegen gebied dat de „Ardennen” wordt genoemd. Het gebied was ruig en de mensen verkeerden in geestelijke duisternis. Slechts weinig mensen waren bereid mij te ontvangen, maar na verloop van tijd stelden drie of vier gezinnen hun huis voor mij open zodat ik er van tijd tot tijd kon logeren.

In 1937 kreeg ik van het Genootschap een metgezel in de bediening. Wij kregen de toewijzing het goede nieuws in Antwerpen te prediken. Met de hulp van mijn partner, André Wozniak, leerde ik zuinig te leven en met het allernodigste genoegen te nemen om in de volle-tijdbediening te kunnen blijven. Wij speelden het toen klaar om op tien Belgische franken (70 cent) per dag te leven en hierbij gezond en gelukkig te blijven. Wij verheugden ons in Jehovah’s dienst.

De prediking van Gods waarheid in Antwerpen verliep niet zonder problemen, omdat de geestelijken onze onvermoeibare activiteit opmerkten en hier met de hulp van de politie een eind aan trachtten te maken. Het toneel was altijd hetzelfde: De politie arresteerde ons op de beschuldiging dat wij zonder vergunning ventten. Na de wettigheid van onze predikingsactiviteiten uitgelegd te hebben, werd de zaak meestal opgeschort, maar wij kregen daardoor wel de gelegenheid voor verscheidene autoriteiten getuigenis af te leggen over Gods koninkrijk.

De invasie van België door de nazi’s in 1940 maakte een eind aan onze vrijheid om Gods Woord openlijk te prediken. Gedurende de eerste dagen van de oorlog ging ik naar het bijkantoor van het Genootschap in Brussel om verscheidene dozen met bijbelse publikaties op te halen zodat ze niet verbeurd verklaard konden worden. Deze bleken ons later bijzonder goed van pas te komen.

GEDURENDE DE DUITSE BEZETTING

Het duurde niet lang of de Gestapo, de geheime politie van de nazi’s, begon ons te achtervolgen. Mijn partner had de aanstelling ontvangen om de gemeenten als „zone-opziener” te bezoeken en op te bouwen. De Gestapo probeerde hem op te pakken, en toen ik op zekere dag van huis weg was, kwamen zij op mijn kostadres. De eigenares, een pasgedoopte zuster in Gods waarheid, kreeg de waarschuwing dat zij in de gevangenis gezet zou worden als zij de politie niet vertelde wanneer ik zou thuiskomen. Toen ik thuiskwam, vertelde zij mij wat er was gebeurd. Ik vroeg haar mij te laten gaan om mijn christelijke broeders te waarschuwen, en zei dat ik daarna zou terugkomen. Ik kon heel wat gezinnen waarschuwen, liet op een veilige plaats een doos bijbelse publikaties achter en keerde terug, wetend wat mij te wachten stond.

Ik had niemand aan wie ik raad kon vragen over hetgeen ik moest doen. Ik wilde echter mijn woord houden en geen problemen scheppen voor de nieuwe Getuige. De Gestapo kwam en arresteerde mij. Zij ondervroegen mij over de verblijfplaats van mijn partner. Ik zei hun dat hij was weggegaan om zijn „familie” te bezoeken. Mijn ondervrager scheen mijn antwoord bevredigend te vinden. Vervolgens toonden zij mij lijsten met namen van Getuigen van wie zij de verblijfplaats wilden weten. Ik sprak alleen over de namen van degenen van wie ik wist dat zij hetzij dood waren of het land hadden verlaten. Betreffende de andere namen zei ik dat ik velen wel van gezicht kende maar niet bij hun naam. Na vier dagen in Antwerpen vastgezeten te hebben, werd ik naar een gevangenis in Brussel overgebracht.

De Gestapo besloot dat ik niet vrijgelaten zou worden tenzij ik inlichtingen gaf die tot de arrestatie van mijn partner zouden leiden. Na veertig dagen vastgezeten te hebben, werd ik echter vrijgelaten. Gedurende alle ondervragingen door de Gestapo had ik veel waardering voor de kennis van God en zijn Woord die ik had verworven, omdat ik vele belangrijke beslissingen moest nemen zonder hierbij te rade te kunnen gaan bij vlees en bloed.

Bij mijn vrijlating besloot ik dat het verstandiger was het gebied waar mijn gangen nauwlettend werden nagegaan, te verlaten. Ik keerde naar de Ardennen terug. Van die tijd af tot het einde van de oorlog zijn mij verscheidene taken toegewezen: Die van kringopziener, vertaler en koerier van ondergronds drukwerk (wij drukten De Wachttoren in het Frans, Nederlands, Duits, Pools, Sloveens en soms in het Italiaans). Dit was altijd een riskant werk en wij moesten dus voortdurend op onze hoede zijn en gereed zijn snel beslissingen te nemen. In zulke tijden beseft men meer dan ooit dat men geheel en al van Jehovah afhankelijk is en zich voor elke stap die men doet op Hem moet verlaten. Ik was gewend Hem in gebed om raad te vragen en ik heb nooit vergeefs om hulp gevraagd.

Aangezien ik niet de door de Duitse autoriteiten vereiste werkvergunning had, liep ik het risico naar Duitsland gedeporteerd te worden om dwangarbeid te verrichten. Een vermelding op mijn identiteitskaart stelde mij echter meer dan eens in staat aan een precaire situatie te ontkomen. Mijn beroep stond als „zendeling” aangegeven. Toen ik dan ook bij een militaire controle werd aangehouden terwijl ik een doos verboden bijbelse lectuur bij mij had, vroeg een soldaat mij naar mijn werkvergunning. Ik antwoordde dat ik er geen nodig had aangezien ik een zendeling was en als zodanig vrijstelling genoot. Een andere soldaat gaf mij hierin gelijk. Vervolgens vroeg hij me wat ik bij me had. Het was het bijbelstudiehulpmiddel getiteld „Kinderen” dat in Brussel ondergronds was gedrukt. Ik zei hem dat het een godsdienstig boek was, waarbij ik zijn aandacht vestigde op de aangehaalde schriftplaatsen, en hij nam genoegen met dit antwoord.

Ik kon geen distributiebonnen van de autoriteiten krijgen omdat ik het risico niet kon nemen mij bij het een of andere stadhuis in België te laten inschrijven. Ik heb echter nooit honger geleden, want de liefde van mijn christelijke broeders en zusters was geweldig groot. Hoewel zij zelf slechts het allernoodzakelijkste hadden, stonden zij toch enkele distributiebonnen af en gaven deze aan de Getuigen die verantwoordelijk waren voor de inzameling ten behoeve van hun christelijke broeders die zich voor de Gestapo verborgen moesten houden. Ik was ruimschoots tevreden als ik voor mijn middagmaal een flinke wortel met een stuk brood had. Ik had de houding ontwikkeld die door de apostel Paulus onder woorden werd gebracht: „Ik heb geleerd om in welke omstandigheden ik ook verkeer, genoegen te nemen met wat ik heb” (Fil. 4:11). Het onderdak verschilde: soms sliep ik in het hooi, soms op een stromatras op de grond of ook wel eens op een bank in het stationsgebouw.

Mijn fiets was altijd het veiligste transportmiddel, omdat ik dan gemakkelijker grote menigten en razzia’s uit de weg kon gaan. Tochten van honderd kilometer of meer waren natuurlijk niet altijd gemakkelijk, vooral niet in de Ardennen gedurende bittere winters op met sneeuw en ijs bedekte wegen. Maar het schonk ons veel vreugde geestelijk voedsel naar onze christelijke broeders en zusters te brengen, en hun waardering vormde een grote beloning voor de moeilijkheden en risico’s die wij ons hierbij hadden getroost. Jehovah zegende de krachtsinspanningen van zijn volk, want de honderd verkondigers die in 1940 in België predikten, waren tegen het einde van de oorlog tot meer dan 600 verkondigers uitgegroeid.

NIET LANGER ONDERGRONDS

Na het einde van de bezetting kreeg ik de opdracht hulp te bieden bij het reorganiseren van de gemeenten van Jehovah’s volk. Toen dit reorganisatiewerk voltooid was, mocht ik een gebied uitkiezen waar nog niet was gepredikt, om daar als speciale pionierbedienaar dienst te verrichten. Ik koos de stad Arlon uit, een jezuïtische vesting in het zuiden van de Ardennen. Ik had alleen mijn fiets bij me, twee koffers en een draagbare grammofoon voor het afdraaien van opgenomen bijbelse lezingen.

Ik begon de mensen te bezoeken. In die tijd bevatte het tijdschrift Vertroosting (thans Ontwaakt!) juist artikelen waarin de geestelijken aan de kaak werden gesteld. Onnodig te zeggen dat mijn activiteiten de stad in opschudding brachten, maar ik was door de oorlogsjaren gehard en was vastbesloten te blijven prediken. Er werden vorderingen gemaakt en ten slotte stelden geïnteresseerde mensen hun huis open voor een gemeenschappelijke Wachttoren-studie.

Heel wat vrouwen in het gebied hadden belangstelling voor een bijbelstudie. Daarom vroeg ik een christelijke zuster, een weduwe en volle-tijdpredikster, of zij mij bij het leiden van deze studies wilde helpen. Wij zijn later getrouwd en zij werd mijn permanente partner in de bediening. Op vijfenveertigjarige leeftijd leerde zij fietsen, ten einde zich aldus in de pioniersdienst te kunnen verplaatsen. De fiets bleef ons transportmiddel tot 1958. Wij hebben veel mensen in dit gebied kunnen helpen en op het ogenblik is er een voorspoedige gemeente in die stad, terwijl er vlakbij nog een gemeente is.

Later gaf het Genootschap mij de toewijzing de gemeenten als kringopziener te bezoeken. Behalve drie Belgische provincies bevond ook het groothertogdom Luxemburg zich in mijn kring. Vooral in het groothertogdom werd veel tegenstand geboden. De autoriteiten maakten het ons erg moeilijk en arresteerden ons vaak. Iedere keer werden onze fietsen en lectuurtassen in beslag genomen. Onze christelijke broeders zorgden dan weer voor een nieuwe uitrusting voor ons en daarna begonnen wij opnieuw. Ten slotte werd de zaak voor het hoogste gerechtshof van Luxemburg gebracht, en de beslissing viel ten gunste van ons uit. Al onze in beslag genomen bezittingen werden teruggegeven.

Later mochten wij een ander gebied uitkiezen om in te prediken, een gebied waar de behoefte sterker werd gevoeld. Wij kozen Marche-en-Famenne uit, ook in de Ardennen. Wij gingen op weg naar onze toewijzing, in het volste vertrouwen dat wij vóór het vallen van de avond onderdak zouden vinden. Maar wij vonden niets. Toen wij net naar het spoorwegstation wilden terugkeren, zagen wij plotseling een dame naar ons toe komen; zij had precies wat wij nodig hadden. Weer begonnen wij met niets.

Naarmate de jaren verstreken, konden wij bijbelstudies oprichten, maar wij hadden veel volharding nodig, want er gingen acht jaren van hard werken voorbij voordat onze keuken te klein werd voor het houden van vergaderingen. Het fundament was echter gelegd en de gemeente groeide. In 1967 werden wij derhalve naar een ander gebied overgeplaatst — Aywaille en omgeving, niet ver van Luik vandaan.

Opnieuw hadden wij het voorrecht uit bijna niets een gemeente te helpen opbouwen. Ten slotte werd de gemeente voorspoedig genoeg dat er in 1972 op een geschikt terrein een eigen zaal gebouwd kon worden.

In het begin van 1971 ging de gezondheid van mijn vrouw plotseling snel achteruit. De gevreesde ziekte kanker sloeg meedogenloos toe. Vijfentwintig jaar lang is zij mijn getrouwe metgezellin geweest die samen met mij veel moeilijkheden heeft getrotseerd en offers heeft gebracht opdat het licht van Gods waarheid in Luxemburg kon doorschijnen.

Evenals de apostel Paulus, die vele moeilijkheden heeft doorstaan maar die zich bewust was van Gods goedkeuring, ben ik blij zoveel jaren in de volle-tijdbediening te hebben gestaan. Ik heb er geen spijt van dat ik niet bij vlees en bloed te rade ben gegaan voordat ik mijn besluit nam om Jehovah met al mijn energie te dienen. Als ik weer helemaal opnieuw zou moeten beginnen, zou ik mijn fiets nemen en net als ik dit in 1936 heb gedaan, Gods Woord beginnen te prediken. Jehovah heeft edelmoedig in al mijn behoeften voorzien. Het is mijn wens de taak die hij mij heeft toevertrouwd, getrouw te blijven behartigen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen