Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w67 1/6 blz. 347-351
  • „Gelukkig is de natie wier God Jehovah is”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Gelukkig is de natie wier God Jehovah is”
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • TOT JEHOVAH’S VOLK GAAN BEHOREN
  • DE GESTAPO VALT ONS LASTIG
  • POGINGEN OM MIJ ERTOE TE BRENGEN JEHOVAH’S VOLK TE VERRADEN
  • GEESTELIJKE KRACHT ONDANKS LICHAMELIJKE ZIEKTEN
  • „De naam van Jehovah is een sterke toren”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Wat kan ik Jehovah terugbetalen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2009
  • „Onze hulp is in de naam van Jehovah”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Samen met mijn man in het geloof blijven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
w67 1/6 blz. 347-351

„Gelukkig is de natie wier God Jehovah is”

Zoals verteld door R. A. Winkler

TOEN het kritieke jaar 1914 kwam en de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was ik op school in Duitsland en er werden daar pogingen in het werk gesteld om de leerlingen aan te sporen in militaire dienst te gaan. Voor de vrijwilligers werd een speciaal examen voorbereid, en allen kwamen er met ere doorheen. Ik was een van die leerlingen voor wie het klasseonderricht plotseling eindigde.

Ik was nog maar een kind van zestien toen ik als een „één-jaar-vrijwilliger” aan het front in Frankrijk, tegenover Rheims, stond. Hier aan het front werd in godsdienstonderricht voorzien. Ik merkte op dat de aalmoezenier precies het tegenovergestelde predikte van wat ik had geleerd. Dit onderwijs leerde ons en moedigde ons aan zoveel mogelijk vijanden te doden en dat een heldendood als een grote eer beschouwd diende te worden. Dit alles zette mij aan het denken. Dit, plus mijn omgang met de soldaten, bracht mij ten slotte op het punt dat ik mijn geloof verloor.

Toen ik ernstig gewond werd en met veel medailles van het front terugkeerde, werd ik uit het leger ontslagen. Toen leerde ik iemand kennen die filosofie studeerde en het gevolg van die omgang was dat ik een atheïst werd, net als hij.

TOT JEHOVAH’S VOLK GAAN BEHOREN

Ik bleef een atheïst tot 1924, toen ik in contact kwam met een Bibelforscher, dat wil zeggen, een van Jehovah’s getuigen. Wat hij mij over de bijbel vertelde, was volkomen nieuw voor mij. Ik werd geprikkeld nieuwe argumenten te zoeken om zijn denkbeelden te kunnen weerleggen. Ik aanvaardde alle lectuur die hij mij aanbood en studeerde tot diep in de nacht. Vooral het boek Het goddelijke plan der eeuwen interesseerde mij, want ik wilde weten wat dat „plan” was.

Omdat ik die lectuur iedere avond bestudeerde en erover sprak, keerde mijn hele familie zich tegen mij. Tenslotte verbrandde mijn vader al mijn boeken. Alle nieuwe lectuur die ik sindsdien kon krijgen, moest goed verstopt blijven.

Heel spoedig realiseerde ik mij dat ik geen argumenten kon vinden waarmee ik degenen die tot de Bibelforscher behoorden, kon weerleggen en ik was gedwongen te beseffen dat zij inderdaad Gods waarheid verkondigden. Mijn vreugde te weten te komen wat Jehovah’s voornemens waren en een begrip te krijgen van Gods koninkrijk en de zegeningen die het de mensheid zou brengen, was onbeschrijfelijk. Deze beloften, deze verwachtingen van zegeningen overstelpten mij eenvoudig. Ik ging begrijpen wat de psalmist in Psalm 33:12 (NW) zei en kon met hem meezeggen: „Gelukkig is de natie wier God Jehovah is.”

Ik kon nauwelijks op de volgende keer wachten waarop de christelijke bedienaar van het evangelie mij zou bezoeken. Maar ik wilde prediken, niet alleen maar in de familiekring, maar net als hij, van huis tot huis. Groot was mijn vreugde toen hij het goedvond dat ik met hem mee van huis tot huis ging. Nadat wij een paar huizen samen waren gegaan, vond hij het goed dat ik alleen ging. Ik denk vaak terug aan de vreugden en zegeningen die mij op die eerste dag van getuigenis geven ten deel vielen.

Ik denk ook graag terug aan het ogenblik waarop ik met een broeder van het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Maagdenburg, voor een grote landkaart stond en hij mij vroeg of ik naar Bonn wilde gaan. „Bonn”, verklaarde hij, „is een moeilijke stad, een universiteitsstad met veel intellectuelen, een katholiek gebied. Als je het in dit gebied wilt volhouden”, ging hij verder, „moet je een sterk geloof hebben en goed onderlegd zijn in de Schrift”. Zo werd Bonn dus mijn eerste predikingstoewijzing. Heel gauw kwam mijn verloofde en wij trouwden. Spoedig kwamen ons meer volle-tijdpredikers van Gods koninkrijk helpen. Jehovah zegende onze krachtsinspanningen rijkelijk en weldra hadden wij, buiten ons groepje bezoekers van de Wachttoren-studie heel wat geïnteresseerden, en hun aantal nam iedere maand toe, totdat de zaal waar wij voor een gezamenlijke bijbelstudie bijeenkwamen, vol was en meer dan tachtig personen aan deze studie deelnamen.

DE GESTAPO VALT ONS LASTIG

Plotseling kwam er een grote verandering. Hitlers Gestapo begon ons menig bezoek te brengen; aangezien wij deze bezoeken hadden verwacht, hadden wij onze lectuur zorgvuldig verborgen. De bezoeken werden overdag, of midden in de nacht of heel vroeg in de ochtend gebracht. Zij kwamen om namen en adressen van Getuigen te krijgen en zij onderzochten zorgvuldig elke plank, de kleerkasten, de bedden en het linnengoed.

Als wij van huis tot huis werkten, gebruikten wij alleen de bijbel. Op een dag bezocht ik het huis van een vrouw die lid van de nazi-partij was en zij belde de politie op en gaf hun mijn signalement.

Dit leidde snel tot mijn arrestatie, waarna ik naar het concentratiekamp Esterwegen werd getransporteerd. Hoe hartverwarmend was het mensen die geestelijk gebroken en zonder enige hoop waren, blij te maken met de Koninkrijksboodschap! Door de grote vreugde om met schapen te vergelijken personen in het kamp te kunnen helpen Gods waarheid te begrijpen en zich aan God op te dragen, had de wrede behandeling die de Gestapo toediende niets te betekenen. Ja, hier in het kamp leerden wij het grote voorrecht waarderen tot het volk te behoren wiens God Jehovah is.

Na mijn vrijlating moest ik mij dagelijks bij de Gestapo melden, en zij eisten dat ik de Hitlergroet bracht. Met iedere dag dat ik weigerde, werd hun woede groter en zij schreeuwden uit: „U hebt niets in het kamp geleerd, absoluut niets, nog niet eens de Duitse groet, en als u morgen terugkomt en niet de Duitse groet brengt, zult u uw vrouw nooit meer zien. Hebt u dat begrepen?”

Diezelfde dag bezocht de kringopziener van het Wachttorengenootschap ons, en ik vertelde hem wat de Gestapo mij had gezegd. Hij zei dat hij soortgelijke gevallen had meegemaakt en dat, aangezien elke Gestapopost een foto van mij had, het verstandig zou zijn als ik het getuigeniswerk in Nederland voortzette. Wij aanvaardden onze nieuwe toewijzing en lieten ons huis en al onze bezittingen graag aan de diefachtige Gestapo over.

Toen wij in Holland kwamen en onze nieuwe toewijzing begonnen te behartigen, kenden wij geen woord Hollands. Jehovah zegende onze krachtsinspanningen om in dit land te dienen. Daar wij dagelijks van huis tot huis gingen, leerden wij de mensen spoedig kennen. In 1938 ontving ik de toewijzing alle gemeenten in Nederland te bezoeken. In 1939 werden mijn voorrechten uitgebreid en werd ik naar het bijkantoor van het Wachttorengenootschap geroepen. In 1940 bezetten Duitse troepen Nederland, en het lag voor de hand dat de Gestapo nu ook spoedig haar campagne van huiszoeking en roof in dit land ten uitvoer zou brengen.

Op 21 oktober 1941 werd ik verraden en gearresteerd. De Gestapo verheugde zich toen ze mij eindelijk te pakken had. Ze maakte dit nieuws aan menige Gestapopost in Duitsland en Nederland bekend.

POGINGEN OM MIJ ERTOE TE BRENGEN JEHOVAH’S VOLK TE VERRADEN

Het was de wens van de Gestapo de organisatie van Jehovah’s getuigen op te rollen en volgens hen zou ik er verstandig aan doen als ik mijn medewerking aan hun plannen gaf. „Die Jehovah is in Duitsland failliet en dat gebeurt ook in andere landen”, schimpten zij. De Führer was volgens hen een goddelijke voorziening, en ik zou van gedachten moeten veranderen. Ik zou geweldig in aanzien stijgen, zeiden zij, als ik de zaak van de Führer zou steunen en met iets zou breken dat in werkelijkheid niet bestond. Ik moest hun vertellen wie tot de kantoorstaf behoorden en waar zij waren, waar mijn vrouw was en wie de leiders in de gemeenten waren. Zij verzekerden mij dat geen van degenen die ik zou verraden ooit te weten zou komen dat ik de inlichtingen had verstrekt en zij zouden ook niemand over wie ik inlichtingen had gegeven, arresteren. Zij zouden hen eenvoudig meedelen zich te herzien en de zaak van de Führer te dienen.

Toen ik hun vierkant vertelde dat ik niet met hun plan akkoord ging, trokken zij de gordijnen dicht, zetten de radio zo hard mogelijk aan en sloegen mij op onbarmhartige wijze. Toen een van hen niet meer kon, nam een andere bruut het over totdat ik bewusteloos op de grond viel, waar ik later weer tot bewustzijn kwam. „Zo”, grijnsden zij, „wij hadden niet verwacht dat u zo onredelijk was. Iemand die heeft bewezen een goede organisator te zijn en intelligent, iemand die zo’n goede strijder voor een failliete zaak was, moest verstandiger zijn. Wij hebben mensen zoals u nodig. Denk eens in hoe u uw levenslot zou kunnen verbeteren. Vertel ons waar uw vrouw is, en wij geven u ons woord van eer dat zij niet geslagen zal worden. Als u verstandig bent en met ons meegaat, kunt u uw gevangenis voor een villa verwisselen en uw toestand van schande en smaad voor die van eer, geld en prestige.”

Daar ik bleef zwijgen, begon de tweede ronde. Obersturmführer Barbie was de eerste, en toen hij moe was, nam Oberscharführer Engelsman het van hem over. Dit ging door tot ik opnieuw het bewustzijn verloor. Dit duurde van ’s middags één uur tot middernacht. Om 1 uur ’s nachts werd ik aan de gevangenbewaarder overgedragen. Met uitgeslagen tanden, een ontwrichte onderkaak en een beursgeslagen lichaam werd ik naar de donkere cel gebracht. „Weet u waarom ik u naar de donkere cel breng?” vroeg de bewaker mij.

„Neen”, antwoordde ik.

„Omdat zij niets uit u konden krijgen.”

„Hoe weet u dat?” vroeg ik.

De bewaker antwoordde: „Omdat, als zij iemand zo hebben mishandeld als u en hij het heeft opgegeven en alles heeft verteld, hij dan een betere cel, beter eten en een betere behandeling krijgt. U gaat naar de donkere cel omdat zij denken dat dit soort van behandeling u zal breken. Maar ik zal zorgen dat u licht hebt en u iets warms te eten geven.”

De gedachten aan Jehovah’s beloften om ons in alle soorten van moeilijkheden te helpen, gaven mij troost en kracht om dit alles te verdragen, zodat er nooit gedachten aan enig compromis met mijn demonische vervolgers in mij opkwamen.

Toen ik mijzelf de volgende ochtend in de spiegel bekeek, schrok ik ervan hoe ik eruit zag. De twee Hollandse politieagenten in burger die mij van de gevangenis naar de Gestapo hadden getransporteerd om verhoord te worden, konden mij nu niet herkennen. Zij hadden de Gestapo bij mijn arrestatie assistentie verleend en toen zij mij nu zagen, vroegen zij: „Bent u Winkler?”

„Ja.”

„Bent u die R. A. Winkler?”

„Ja”, antwoordde ik.

„Bent u Winkler, de getuige van Jehovah?”

„Ja, dat ben ik.”

„Bent u Getuige Winkler die wij verleden week op de De Wittenkade hebben gearresteerd?”

Ik vertelde hun dat ik het was. Zij vroegen mij wat de Gestapo met mij had gedaan. Toen ik het hun vertelde, zeiden zij dat zij mij nooit gearresteerd zouden hebben als zij geweten hadden wat de Gestapo met mij zou doen.

Zaterdags was ik door de Gestapo geslagen, en de volgende maandag zou ik weer door hen ondervraagd worden. Wat zou er nu gebeuren en wat moest ik doen? Ik wendde mij in gebed tot Jehovah, vertrouwend op zijn beloften. Ik wist dat dit het gebruik maken van theocratische oorlogsstrategie ter wille van het Koninkrijkswerk en ter bescherming van mijn christelijke broeders betekende. Het was een grote beproeving voor mij om te volharden en de zeventiende dag was ik volkomen uitgeput, maar ik dankte Jehovah dat ik in staat was geweest deze beproeving in zijn kracht te doorstaan en mijn rechtschapenheid te bewaren.

GEESTELIJKE KRACHT ONDANKS LICHAMELIJKE ZIEKTEN

Op dit punt voelde ik een zeer grote behoefte aan geestelijk voedsel. Enkele dagen later had de helper van dezelfde vriendelijke gevangenbewaarder dienst en vroeg of hij iets voor mij kon doen. Ik zei hem dat hij dat zeker kon; hij zou mij een bijbel van mijn vrouw kunnen bezorgen. „Goed”, zei hij, „schrijf maar een briefje. Ik zal u een potlood en een stukje papier brengen.”

De dag van de 10de februari 1942 zal ik nooit vergeten. De deur van mijn cel vloog open en iemand gooide een zakbijbel in de cel, en voor ik mij realiseerde wat er gebeurde, sloeg de deur weer dicht. Wat een vreugdevolle gebeurtenis! De Gestapo had mij in totaal geen leesmateriaal toegestaan, en nu, door Jehovah’s onverdiende goedheid, had ik een bijbel om te lezen. Wat een vreugde was het dagelijks van de aangename woorden van waarheid uit Zijn Woord te genieten! Hoewel ik in het geheim moest lezen, voelde ik mij geestelijk sterker worden.

Ik was in staat deze bijbel in mijn bezit te houden tot ik naar een ander kamp in Nederland, het kamp Vught, werd overgebracht. Toen ik in Vught was, zag ik kans een andere bijbel te krijgen.

Van Vught werd ik naar Duitsland overgebracht, naar een kamp in Oraniënburg-Sachsenhausen. Daar werden wij in barakken gebracht waar wij gedwongen werden onze kleren uit te doen en onder de douche te gaan. Al onze kleren, benevens onze schoenen, werden ons afgenomen; alleen degenen die klompen hadden, konden ze behouden. Ik liet mijn bijbel ongemerkt in een klomp glijden en kon hem zo in het kamp bij mij houden.

Hier in dit nieuwe kamp werd ik ziek. Ik kwam al spoedig in het kamphospitaal terecht waar reeds 3000 mensen werden behandeld door artsen die zelf gevangenen waren. Ik was nog niet van de ene ziekte hersteld of kreeg weer een andere. Mettertijd werd ik naar andere barakken overgebracht, waar ik werd behandeld door een Zweedse arts.

Deze dokter vroeg mij of ik Getuigen Erich Frost, Konrad Franke en Richard Bräunig kende. Toen ik zei dat ik hen kende, vertelde hij mij dat zij zijn leven hadden gered op het eiland Wight en dat hij nu, uit dankbaarheid, mijn leven zou proberen te redden. De artsen waren verplicht alle gevangenen aan de SS-bewakers op te geven, die wegens ziekte niet in staat waren zich gedurende de komende zes maanden te melden om te werken. Zulke patiënten werden naar andere barakken overgebracht en in bussen geladen die niets anders bleken te zijn dan gaskamers op wielen. De uitlaatgassen doodden de slachtoffers op weg naar de crematoriums. Dit zou mijn lot zijn geweest, maar de Zweedse arts deed niet wat de nazi’s van hem verwachtten, wegens de vriendelijkheid van mijn christelijke broeders.

Ik denk ook vaak terug aan de zogenaamde „dodenmars” van Sachsenhausen naar het kamp in Schwerin, in april 1945. Ik zou deze mars nooit hebben doorstaan als mijn christelijke broeders, die zoveel hadden geriskeerd om mij uit de barakken te halen voor zieken die niet op eigen kracht konden gaan, niet zo liefdevol voor mij hadden gezorgd. De SS wilde de barakken met de ernstige zieken verbranden ten einde een dergelijk bewijs niet in handen van de Russen te laten vallen. De broeders bemachtigden een soort wagen waarop zij mij en andere getuigen die niet konden lopen, plaatsten. Zij hebben deze wagen gedurende heel deze op een nachtmerrie gelijkende dodenmars getrokken. Iedereen die tijdens deze mars bezweek werd door de SS met een kogel in de nek afgemaakt. De liefdevolle zorg van onze christelijke broeders hielp ons een dergelijk lot te vermijden.

Ten slotte keerde ik naar de plaats van mijn theocratische toewijzing in Nederland terug, gekleed in kampkleding en met niets dan vellen papier als ondergoed, terwijl ik alleen met behulp van een stok kon lopen. Ik herstelde echter snel en was spoedig in staat werk in de Koninkrijksdienst op mij te nemen. Dit heb ik sinds mijn vrijlating gedurende meer dan twintig jaar gedaan. Mijn vrouw en ik hebben nog steeds het grote voorrecht op het bijkantoor van het Genootschap in Nederland te werken.

Van de Duitse regering ontvingen wij een schadeloosstelling en zo konden wij dingen kopen die wij verloren hadden. Nu ik boven de vijfenzestig jaar ben, krijg ik ook ouderdomspensioen. Zodoende kan ik een auto houden, die mij in staat stelt zoveel als mogelijk is in de prediking te doen.

Ja, Jehovah laat geen beproeving toe die groter is dan wij kunnen dragen, en hij verschaft bovendien de kracht ze te verduren. Voor geen geld ter wereld zou ik de beproevingen die ik in Zijn kracht heb doorstaan, willen missen. Deze beproevingen hebben mijn geloof in Jehovah en mijn waardering voor zijn liefde, wijsheid, rechtvaardigheid en macht, doen toenemen. Door werkelijke ondervinding heb ik de grote waarheid leren kennen die wij in de bijbel lezen: „Gelukkig is de natie wier God Jehovah is.”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen