Vergezeld door goedheid en liefderijke goedgunstigheid
Zoals verteld door Janet MacDonald
OP EEN lentedag in 1911 waren mijn moeder en ik in de keuken van ons huis in Belleville, in de Canadese provincie Ontario, bezig toen er aan de deur werd geklopt. Mijn moeder ging kijken wie er was. Er stond een heer op leeftijd voor de deur die haar een vreemde vraag stelde: „Mevrouw, gelooft u in scheuringen?”
Een beetje verbaasd vroeg moeder: „U bedoelt in de kerken?”
Hij antwoordde: „Ja, ik spreek over de verdeeldheid in de christelijke kerken. Gelooft u dat Christus verdeeld kan bestaan?”
„Komt u maar binnen. Dit is iets dat mij interesseert”, antwoordde moeder. Ik zie hem nog, met de bijbel en boeken opengeslagen voor zich, aan onze keukentafel zitten en ernstig met haar praten over de boodschap uit de Schrift. Toen de bezoeker wegging, nam moeder van hem het bijbelse studiehulpmiddel Het goddelijke plan der eeuwen in tijdschriftvorm.
JEHOVAH’S GOEDHEID AANVAARDEN
Ik was toen elf jaar oud en had aandachtig naar het gesprek geluisterd. Ik had er niet het flauwste idee van dat dit de eerste schakel in een keten van gebeurtenissen was die mijn levensweg de eerstkomende zestig jaar zouden kenmerken. Dit was een zeer belangrijke dag: de dag waarop Jehovah’s goedheid in ons huis kwam.
Mijn ouders waren anglicaans. Moeder las altijd in de bijbel. Ons werd geleerd eerbied voor God te hebben. Ook mijn vader streefde ernaar zich door juiste beginselen te laten leiden. Moeder was niet tevreden over de Anglicaanse Kerk. Zij was verontrust over sommige van de leerstellingen en gewoonten, zoals het hellevuur en het tonen van partijdigheid ten opzichte van rijke kerkleden. Op zoek naar de waarheid, ging zij naar praktisch elke kerk in Belleville, hetgeen altijd weer op een teleurstelling uitliep.
Zodra moeder de publikatie Het goddelijke plan der eeuwen had gekregen, las zij deze gretig en ging elk punt zorgvuldig in haar bijbel na. Enkele dagen later zei zij tegen ons: „Dit is de waarheid. Dit is wat ik altijd heb gezocht en waarom ik heb gebeden. God heeft mijn gebeden verhoord.”
Een paar weken nadien hielden de Internationale Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen toen werden genoemd, hun eerste vergaderingen in Belleville. Moeder nam drie van ons kinderen naar alle drie de lezingen mee. Ik was diep onder de indruk toen de spreker de zegeningen van de duizendjarige regering van Christus duidelijk maakte. Hoewel ik jong was, borg ik deze waarheden als een schat in mijn hart op.
Daarna werden er geregeld twee maal per week vergaderingen gehouden. Joseph Frappy — een onderwijzer die in Stirling, ongeveer vijfentwintig kilometer verder, woonde — leidde de vergaderingen. ’s Zomers bracht zijn nobele zwarte harddraver hem en zijn vrouw in een tweewielig rijtuigje en ’s winters reden zij, goed ingepakt in warme bisonmantels, in een lichte slee over de krakende sneeuw. Het heldere geklingel van de sledebellen in de vrieslucht kondigde zijn komst aan. Hij vond het heerlijk om te komen en liet zich er door niets van afhouden!
VOLHARDING ONDANKS DE LEUGENS VAN EEN GEESTELIJKE
Eerst stond mijn vader deze bijbelse waarheden heftig tegen. Normaal was hij een vriendelijk mens, maar zijn anglicaanse geestelijke had hem ten onrechte doen geloven dat C. T. Russell, de president van het Wachttorengenootschap, religie gebruikte om eraan te verdienen. Vader verbrandde mijn moeders boeken, maar zij bleef standvastig. Als er iets met haar lectuur gebeurde, nam zij nieuwe exemplaren.
Vader was zozeer verbitterd dat hij in 1917 erg ziek werd. Organisch mankeerde hij niets, maar zijn boosheid, vooral tijdens de maaltijden, had zijn lichaam vergiftigd. Hij vermagerde sterk.
Juist in die tijd, kort na de dood van C. T. Russell, berichtte de plaatselijke krant dat zijn persoonlijke bezit slechts $200 was geweest. Vader besefte eindelijk dat hij zijn gezinsleven en zijn gezondheid bijna te gronde had gericht door de leugens te geloven die hem door de anglicaanse geestelijke waren verteld.
Op dokters advies ging vader met moeder naar een buitentje om zijn gezondheid te herwinnen. Toen zij daar waren, las zij hem voor uit de publikaties van het Wachttorengenootschap. Hij besefte dat de Bijbelonderzoekers Gods waarheid onderwezen. Er was geen tegenstand meer; hij herstelde en het geluk keerde terug. Wat een verandering om vergaderingen in ons huis te hebben: Jehovah’s goedheid was weer duidelijk zichtbaar!
DE DOOP EN GROTERE VOORRECHTEN
In augustus 1916 had ik het congres van het Wachttorengenootschap in Niagara Falls, in de Amerikaanse staat New York, bijgewoond. Daar heb ik mijn opdracht aan God door de waterdoop gesymboliseerd. C. T. Russell hield de dooptoespraak. Hij sprak tot elke dopeling afzonderlijk en was zeer aanmoedigend.
Enkele maanden later opende zich een groots voorrecht voor mij, het „hulppionierswerk”, waarvoor werd geëist dat men er minstens zestig uur per maand aan besteedde om Gods Woord tot anderen te prediken. Ik gaf mij hiervoor op en werkte van 1916 tot begin 1917 hoofdzakelijk in Belleville.
In 1917 werd het boek The Finished Mystery uitgegeven. Na Belleville met deze publikatie te hebben bewerkt, ging ik per trein naar omringende plaatsen om The Finished Mystery te verspreiden.
Toen ik deze aanbieding in Picton deed, ontmoette ik een man die zei: „Ik ben een geestelijke. Ik heb al eerder tegen jullie gepredikt en zal dit weer doen.” Hoewel ik toen nog maar zeventien jaar was, had ik vrees voor Jehovah en antwoordde heel ongerust: „Dat zou ik niet durven, meneer, uit vrees dat God mij zou doden.” Niet lang daarna kwam ik een van de gemeenteleden van deze geestelijke tegen. Zij vertelde mij dat zij onder de preek die hij tegen de Bijbelonderzoekers hield de kerk was uitgegaan omdat „het mij niet beviel wat hij zei”. Daardoor miste zij een tot nadenken stemmend incident. Toen de geestelijke bezig was Jehovah’s volk vanaf de kansel aan te vallen, stierf hij. De nieuwsbladen maakten bekend dat hij aan een hartaanval was overleden.
Wij verspreidden het boek The Finished Mystery in een snel tempo. Toen viel de slag: Op 12 februari 1918 verbood Canada het boek The Finished Mystery. De pers maakte bekend: „Een ieder die enige der verboden boeken in zijn bezit heeft, stelt zich bloot aan een boete van maximaal $5000 en vijf jaar gevangenisstraf.”
Zodra wij dit hoorden, brachten wij onze boekenvoorraad naar het kippenhok. Wij deden kranten tegen de wanden om de boeken schoon te houden, pakten de boeken in en spijkerden het hok met planken dicht. De volgende dag kwam de politieagent van Belleville en vroeg vader of er exemplaren van dit boek in huis waren, waarop hij „Neen” antwoordde. De voorraad in het kippenhok bleef intact totdat de verbodsbepaling in 1920 werd opgeheven, waarna wij alle boeken te voorschijn haalden en verspreidden.
IN QUEBEC PREDIKEN
In 1924 werd ik uitgenodigd in de provincie Quebec te gaan prediken. Eerst werkte ik in Montreal, waar toen slechts een kleine gemeente was. In Quebec vermeerderde mijn vreugde en ook de vervolging. Een van onze eerste toewijzingen was, een resolutie te verspreiden die in 1924 op het congres in Columbus, Ohio, was aangenomen en uitgegeven. De resolutie in traktaatvorm was getiteld „De geestelijkheid aangeklaagd”, en hierin werd openlijk aangetoond hoe dodelijk valse religie is.
De route volgend die het Genootschap had opgegeven, bezochten wij veel plaatsen, zoals Granby, Magog, Asbestos en andere stadjes in het oosten van Quebec. Om tegenstand te vermijden, begonnen wij om 3 uur ’s morgens het traktaat van deur tot deur te verspreiden en tegen zeven of acht uur, als het leven in de stad begon, waren wij klaar met ons werk. Wij werden verschillende malen door de politie gearresteerd, die ons er door bangmakerijen toe trachtte te brengen de gemeente te verlaten. Een voorbeeld was wat ons in Magog overkwam, waar de politie ons meenam naar de rechtszaal. Er werd geen aanklacht ingediend, maar wij moesten $15 betalen om eruit te komen. Wij zeiden dat wij geen $15 hadden, dus daalden zij tot $10. Wij zeiden dat wij geen $10 hadden, dus daalden zij tot $5. Wij zeiden dat wij geen $5 hadden, dus lieten zij ons gaan.
In Coaticook stuitten wij in mei 1925 op ernstiger moeilijkheden. Onder aanvoering van de leider van de Katholieke Actie in Canada werden wij door een menigte ingesloten die ons in een vrachtauto trachtte te dringen. Wij holden het station binnen en vluchtten in de wachtkamer. De stationschef zag de menigte naderbij komen en deed beide deuren op slot. Zij liepen in het rond, hieven hun vuisten tegen ons op en bonsden tegen het raam. Al gauw kwam de aanvoerder van de bende met de politie terug.
Wij werden gearresteerd en naar het raadhuis gebracht, waar onmiddellijk rechtszitting werd gehouden. Wij werden beschuldigd van „het publiceren van een godslasterlijk smaadschrift”, vanwege de kritiek op de geestelijkheid. De enige getuige die werd opgeroepen, was de plaatselijke katholieke priester. Wij werden naar Sherbrooke gebracht en een nacht in een smerige, van ongedierte vergeven gevangenis opgesloten, waar ik zó werd gebeten dat ik verscheidene weken onder doktersbehandeling moest.
De zaak kwam op 10 september voor de politierechter Lemay, die besloot zich aan de wet te houden. Hij zei: „Dit is geen godslasterlijk smaadschrift en ik wijs de aanklacht die tegen de beschuldigden is ingebracht af.”
NAAR HET NOORDEN
In 1926 ging ik in de mijnstreek in het noorden van Ontario en Quebec dienen. De wegen waren slecht en er was weinig bebouwing, maar wat een opwindend gebied om er Gods Woord te prediken! Wij bezochten mijnwerkerskampen en slaaphutten en gingen overal heen waar maar mensen waren te vinden. Jehovah’s liefderijke goedgunstigheid was zo groot dat wij op weg van het ene bezoek naar het andere zongen!
Meestentijds reisden wij per trein. Als wij een plaats verlieten, kwam de priester vaak van degene die ons de plaatskaarten had verkocht te weten waar wij naartoe gingen. Hij telegrafeerde dan de priester in de plaats van bestemming, zodat deze zijn parochianen kon waarschuwen. Als wij vóór de waarschuwing arriveerden, zouden wij waarschijnlijk veel belangstelling aantreffen; kwamen wij erna, dan zou er wel eens openlijke vijandschap kunnen bestaan.
Na verscheidene dagen achtereen in plaatsen te zijn geweest waar de mensen van tevoren waren gewaarschuwd, kwamen mijn partner en ik zonder geld in een hotel in Larder Lake. Toen wij een man in het hotel echter de lectuur aanboden, nam hij deze en gaf een bijdrage van $10. Ons hart liep over van dankbaarheid voor de wijze waarop Jehovah’s goedheid ons vergezelde. Wij gingen naar de volgende plaats, Rouyn, in de provincie Quebec, waar wij in twee weken meer dan 1300 stuks lectuur verspreidden. Wat een vreugde hadden wij!
Daarna kwamen wij in Amos. De priester had de mensen hier gewaarschuwd niets met ons te maken te hebben, maar ditmaal werkte de waarschuwing als een boemerang. Er was meer belangstelling door gewekt en in ongeveer een uur was ik al mijn boeken kwijt en moest ik vlug naar onze kamer teruggaan om een nieuwe voorraad te halen. Ik herinner mij een winkelier die net wilde doen of hij een tegenstander was, maar die tegelijkertijd graag de bijbelse studiehulpmiddelen wilde hebben. Er stonden klanten in de winkel, dus zei hij luid: „NEEN, IK HEB GEEN BELANGSTELLING.” Toen fluisterde hij: „Ze lijken me heel interessant. Leg ze maar op de toonbank.” Met luide stem zei hij: „NEEM ZE MAAR GERUST MEE, IK WIL ZE HIER NIET HEBBEN”, en zachtjes: „Ik laat een dollar op de toonbank liggen. Neem hem maar en ga dan gewoon de winkel uit.” Dergelijke ervaringen en tal van onverwachte vriendelijkheden maakten dat men deze van nature nederige en gastvrije Frans-Canadese mensen wilde helpen.
HUWELIJK EN VOORTGEZETTE VOLLE-TIJDDIENST
In 1928 ontmoette ik in Timmins, Ontario, Howard MacDonald, een enthousiaste jongeman die met de gemeente daar samenwerkte. Wij trouwden dat jaar en bleven samen in het volle-tijdpredikingswerk. Onze eerste toewijzing was een gebied van ruim driehonderd kilometer tussen Sudbury en Sault Sainte Marie, Ontario, met inbegrip van beide plaatsen te bewerken. Het leven in de noordelijke streken van Canada was hard maar interessant. Wij hadden er een gelukkige tijd. Meestal kampeerden wij waar wij die avond toevallig waren. Onze behoeften waren gering, maar onze zegeningen overvloedig! Wij kampeerden meestal tot half november buiten, totdat het te koud werd en wij naar warmere slaapplaatsen moesten uitzien. Wij brachten vier gelukkige jaren in dit gebied door.
Na vijf jaar in Montreal te hebben gewerkt, keerden wij in 1937 naar Sudbury terug. Hier maakten wij kennis met twee Ierse katholieke priesters die schenen te denken dat zij de wet waren. Toen Howard voor een Italiaanse vrouw in Coniston een grammofoonplaat draaide met een bijbelse boodschap, getiteld „Opstand”, trad de plaatselijke priester ongevraagd het huis binnen en greep de plaat ruw van de grammofoon af, smeet deze op de tafel en toen ze niet brak, pakte hij de plaat en nog twee andere platen en vertrok.
De priester diende vervolgens een aanklacht wegens „laster tegen God” in, waarna onze vrachtauto, lectuur en bezittingen in beslag werden genomen. Tijdens de rechtszitting merkte priester McCann op: „Het maakte mij woedend die brave katholieke vrouw naar een grammofoonplaat te zien luisteren waarop openlijk opstand werd aanbevolen.” De grammofoonplaat ging in werkelijkheid over de opstandige handelwijze van Adam en Eva in de hof van Eden.
De zaak werd afgewezen, doch de volgende dag diende Howard een aanklacht wegens diefstal tegen de priester in. De priester bekende en kreeg opdracht de grammofoonplaten te betalen, terwijl hij een voorwaardelijke veroordeling van een jaar kreeg. Zijn in verlegenheid gebrachte kerk haalde hem uit het district weg.
De tegenstand eindigde echter niet. De volgende zondag sprak priester O’Leary in Sudbury in zijn kerk over Jehovah’s getuigen en gaf zijn parochianen de raad: „Schop hen van uw stoep af, al breekt u hen ook de benen.” Veel katholieken vertelden ons dat deze haat „hun kerk in tweeën had gesplitst”. Rechtgeaarde mensen waren niet voor geweld. En priester O’Leary? Hij werd uit zijn ambt ontheven, en volgens de plaatselijke krant zou hij een zeereis krijgen omdat hij last van zijn zenuwen had.
NOG EEN VERBODSBEPALING
In 1940 was mijn man zonedienaar en bezocht verschillende gemeenten van Getuigen om hen aan te moedigen en geestelijk op te bouwen. Toen werd op 4 juli van dat jaar het werk van de Getuigen in heel Canada door de rooms-katholieke rechter van Ottawa verboden. Wij hoorden dat de politie op jacht was naar onze bijbelse lectuur om deze te verbranden. Een Getuige fluisterde Howard toe: „Er is net een grote zending boeken op het station aangekomen. De ladingmeester is ons goed gezind. Als wij de boeken er vanochtend vóór twaalf uur kunnen uithalen, hoeft hij niet de politie te verwittigen. Ze staan in een hoek verborgen onder een dekzeil.”
Zonder aarzelen gingen Howard en ik in onze dichte bestelwagen met hem mee om de lectuur op te halen. Haastig laadden wij de auto vol totdat hij in zijn voegen kraakte en reden de stad uit. Maar wat nu? De Getuigen waren allen bekend, dus hun huizen zouden waarschijnlijk wel doorzocht worden. Maar een van de Getuigen had een zuster die op een boerderij woonde. Zouden wij de lectuur kunnen toevertrouwen aan iemand die niet aan God was opgedragen, te meer daar zij een drankzuchtige man had?
Wij hadden niet veel keus: de vrouw was vriendelijk en gaf ons toestemming de dozen in haar kelder te zetten. Wij reden dus de auto achteruit tot vlak voor het huis en droegen de dozen naar binnen. De buren namen aan dat de drankzuchtige echtgenoot zijn wintervoorraad had gehaald. De bijbelse publikaties bleven daar veilig totdat de verbodsbepaling werd opgeheven en ze gebruikt konden worden om het goede nieuws van Gods koninkrijk te verbreiden.
TERUG IN QUEBEC
Toen het verbod op het geen rechtspersoonlijkheid bezittende genootschap van Jehovah’s getuigen in oktober 1943 werd opgeheven, gingen wij naar Quebec terug. In deze provincie werden in de jaren 1944-1946 bijna elke dag Getuigen gearresteerd, door het gepeupel gemolesteerd, vervolgd en bestookt. Na de berg van onrechtvaardigheden die tegen Jehovah’s volk waren begaan opnieuw in ogenschouw te hebben genomen, publiceerde het Wachttorengenootschap het traktaat getiteld: „Quebecs felle haat tegen God, Christus en vrijheid is de schande van heel Canada.” Het traktaat ontmaskerde de regering van Quebec en haar priesterbazen. Maurice Duplessis, de premier van Quebec, drong erop aan „meedogenloos strijd te voeren tegen Jehovah’s getuigen”.
Dag en nacht werden de traktaten verspreid. Wij spoedden ons door de koude wintersneeuw de provincie rond, vaak met de politie op onze hielen. Middenin de nacht stormde een vrachtauto vol Getuigen met een voorraad traktaten een dorp binnen. Elk van ons rende naar de hem of haar toegewezen huizen, bezorgde de traktaten, vloog naar de auto terug, en weg waren wij! Terwijl de politie dat dorp doorzocht, waren wij alweer op weg naar een ander dorp.
Toen deed de gefrustreerde politie een inval in de Koninkrijkszaal in Sherbrooke en nam alles mee waar ze maar de hand op kon leggen. Negen van ons werden aangeklaagd wegens opruiende laster. Toen wij tegen borgstelling werden vrijgelaten, haalden wij nieuwe voorraden en gingen meteen weer aan het werk. Er was geen tegenhouden aan.
Toen gaf het Genootschap het tweede traktaat uit: Quebec, u hebt uw bewoners teleurgesteld! Dit was een logisch antwoord op de overdreven reactie van de regering op het Felle-haat-traktaat. Weg ging het tweede traktaat, op dezelfde manier als het eerste: Snelle nachtelijke verspreiding; meer kat-en-muisspelletjes met de politie. Het was een opwindende tijd!
De opruiende lasterzaken sleepten zich voort tot 1950. Toen deed het hooggerechtshof de uitspraak dat het Felle-haat-traktaat niet opruiend was. De aanklachten wegens opruiende laster, met inbegrip van die tegen ons, moesten afgewezen worden.
In 1951 keerden Howard en ik naar New Brunswick terug, waar ik het grootste gedeelte van de afgelopen twintig jaar heb gediend. Mijn trouwe metgezel, Howard, stierf in 1967, nadat wij samen achtendertig jaar in de volle-tijdprediking hadden doorgebracht. Hij was ondanks moeilijkheden altijd evenwichtig, opgewekt en moedig geweest.
Het was een zwaar verlies voor mij, maar mijn christelijke broeders waren vriendelijk en stonden mij bij, en ik bleef druk bezig in Jehovah’s dienst. Dit is een zegen geweest. Jehovah heeft mijn hart getroost.
Mijn haar is nu wit geworden en op eenenzeventigjarige leeftijd loop ik niet zo vlug meer. Maar wat een gelukkig, voldoening schenkend leven in het geweest! Jehovah heeft mijn leven met liefderijke goedgunstigheid gekroond, daar hij mij barmhartig heeft toegestaan het werk te blijven verrichten dat ik liefheb. Nooit heb ik een moment spijt gehad van de verstandige weg die ik als jong kind ben ingeslagen. Vol vertrouwen op Jehovah sluit ik mij bij Davids uiting van dankbaarheid aan: „Waarlijk, louter goedheid en liefderijke goedgunstigheid zullen mij [vergezellen] al de dagen van mijn leven.” — Ps. 23:6.