Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w72 15/4 blz. 227-230
  • Onze herinnering aan hen die zijn gestorven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Onze herinnering aan hen die zijn gestorven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE OORSPRONG EN HET TENIET DOEN VAN DE DOOD
  • GODS HERINNERING EN DE OPSTANDING
  • GODS BELANGSTELLING VOOR DE DODEN
  • VALSE LEERSTELLINGEN ONTNEMEN VERTROOSTING
  • Wat gebeurt er met onze gestorven geliefden?
    Kennis die tot eeuwig leven leidt
  • De enige remedie!
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
  • „De dood is voor eeuwig verzwolgen”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2005
  • Een vaste hoop
    Wat gebeurt er met ons bij de dood?
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
w72 15/4 blz. 227-230

Onze herinnering aan hen die zijn gestorven

NEEMT GOD MENSEN WEG DIE ONS LIEF ZIJN?

WAT ZEGT GODS EIGEN WOORD?

DE DOOD is onnatuurlijk voor mensen, daar de mens niet werd geschapen om te sterven. Dit lag niet in het voornemen van de Schepper met betrekking tot de mens. De dood veroorzaakt daarom verdriet vanwege het grote verlies dat de nabestaanden en vrienden voelen. Wij herinneren ons degenen van wie wij hebben gehouden, hun persoonlijkheid, hun warmte, hun liefde en verwachtingen, en het stemt ons bedroefd.

Als iemand sterft, lijden wij dan een blijvend verlies? Dient het verdriet dat de dood veroorzaakt reden te zijn tot onherstelbaar leed en wanhoop? De Schrift geeft ten antwoord dat degenen die in God geloven niet dienen te treuren „gelijk de overigen, die geen hoop hebben”. Waarom niet? Omdat God een liefdevolle voorziening heeft getroffen die ons heel veel troost schenkt. — 1 Thess. 4:13, 14; 2 Kor. 1:3, 4.

Welnu, kunnen wij dan met recht zeggen dat God de gestorvene heeft „weggenomen”? Neen, want de dood wordt in de bijbel een „vijand” genoemd en God werkt niet met de vijanden van de mensheid samen. Integendeel, hij belooft dat hij zowel de dood als alle andere vijanden van de mens teniet zal doen. — 1 Kor. 15:26.

DE OORSPRONG EN HET TENIET DOEN VAN DE DOOD

Hoe is de dood ontstaan? Door ’s mensen eigen ongehoorzaamheid aan God, waar de Duivel de hand in heeft gehad. Adam kwam tegen God in opstand. Daarom is „door een mens de zonde de wereld . . . binnengekomen en door middel van de zonde de dood, en [heeft] aldus de dood zich tot alle mensen . . . uitgebreid omdat zij allen gezondigd hadden”. — Rom. 5:12; Gen. 2:17; 3:19.

Het is volkomen natuurlijk dat men zich om de toestand van hen die zijn gestorven bekommert. Waar zijn zij nu? vraagt u zich misschien af. De bijbel zegt dat zij in Sjeool of Hades zijn. Deze twee woorden, die respectievelijk in de Hebreeuwse en Griekse Geschriften voorkomen, betekenen hetzelfde: het algemene graf der mensheid. Degenen die zich in Sjeool (Hades) bevinden, zijn echt dood en ondergaan geen lijden. „Zij zijn zich van helemaal niets bewust.” „Er is geen werk noch overleg noch kennis noch wijsheid in Sjeool, de plaats waarheen gij gaat”, zegt de Schrift (Pred. 9:5, 10; Gen. 42:38). Jezus zelf was daar gedurende gedeelten van drie dagen. De apostel Petrus zei dat Jezus in Hades was, doch dat God hem niet had verlaten, want God wekte hem op. — Hand. 2:31, 32.

Jezus vergeleek de doodstoestand van zijn vriend Lazarus met de toestand van onbewustheid van de slaap. Hij zei tot zijn discipelen: „Ik ga erheen om hem uit de slaap te wekken.” Toen zijn discipelen het niet begrepen, „zei Jezus daarom ronduit tot hen: ’Lazarus is gestorven.’” Er is geen bericht dat Lazarus ondervindingen van bewustzijn gedurende die vier dagen in de doodstoestand beschreef. — Joh. 11:11–14.

De belofte dat de dood door middel van het loskoopoffer van Jezus Christus teniet zal worden gedaan, geeft allen die familieleden of vrienden hebben verloren hoop. Er komt natuurlijk meer aan te pas dan het teniet doen van de dood om de gestorvenen te helpen. Zij moeten ook weer tot leven gebracht worden. Aangezien Christus’ offer „voor allen” is, moeten de miljarden gestorven mensen er op de een of andere manier voordeel van trekken (1 Tim. 2:5, 6). Dat zullen zij ook. God belooft niet alleen de dood, doch ook Sjeool-Hades, het gemeenschappelijke graf, teniet te zullen doen!

Dit betekent dat de kerkhoven zullen verdwijnen. Hoe kan dat? Door ze van de doden, die onverbiddelijk in het graf worden vastgehouden, te ontdoen. God belooft: „Uit de hand van Sjeool zal ik hen loskopen; van de dood zal ik hen verlossen. Waar zijn uw angels, o Dood? Waar is uw verderfelijkheid, o Sjeool?”(Hos. 13:14; 1 Kor. 15:55) Toen de apostel Johannes zijn visioen beschreef, zei hij: „En de zee gaf de doden in haar op, en de dood en Hades gaven de doden in hen open zij werden ieder afzonderlijk geoordeeld overeenkomstig hun daden. En de dood en Hades werden in het meer van vuur geslingerd.” — Openb. 20:13, 14.

GODS HERINNERING EN DE OPSTANDING

Dit betekent een opstanding uit de dood voor onze geliefden. Wat een zegen! Wat een wonderbaarlijke hoop en troost! Dit geschiedt door middel van Gods herinnering en macht. Job bad of God hem in Sjeool wilde verbergen en na een tijdslimiet weer aan hem wilde denken (Job 14:13). Hij onthulde hierdoor dat hij van oordeel was dat de doden zouden worden opgewekt en niet voor eeuwig vergeten en verdwenen waren. Ongetwijfeld met dit in gedachte vroeg de boosdoener die naast Jezus ter dood werd gebracht of Jezus hem wilde gedenken wanneer hij in zijn koninkrijk zou komen. — Luk. 23:42.

Als de dood van enkelen ons al verdriet doet, hoeveel te meer moet de beklagenswaardige toestand waarin het mensengeslacht nu al bijna 6000 jaar lang in zonde en dood verkeert, God dan wel verdriet doen (Klaagl. 3:33; Ezech. 18:32). En hoe buitengewoon groot zijn liefde en zorg voor de gestorvenen is, blijkt wel hieruit dat hij hen tot in de kleinste bijzonderheden in zijn herinnering bewaart en dat deze herinnering niet vervaagt. Als zelfs geen musje door God wordt vergeten of zonder zijn medeweten op de grond valt, herinnert hij zich zeker heel goed mensen die hij uit de dood zal opwekken. — Matth. 10:29, 30; Luk. 12:6, 7.

Bij ons vervaagt de herinnering aan degenen die zijn gestorven langzamerhand, maar met God is dit niet het geval. Toch kunnen wij ons mensen jarenlang voldoende herinneren om ons voor de geest te halen hoe zij eruit zagen en om ernaar te verlangen hen weer te zien. Hoeveel te meer is dat dan met God het geval, die de mensheid zozeer liefheeft dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven om in een opstanding voor hen te voorzien (Joh. 3:16). God herinnert zich alles en kan de persoon, dezelfde persoonlijkheid, daadwerkelijk en tastbaar tot leven op deze aarde terugbrengen. Aangezien God, als hij dit verkiest, voordat een kind geboren wordt nauwkeurig al zijn karaktertrekken kan weten — en de bijbel vertelt ons dat dit in enkele gevallen ook zo was — hoe gemakkelijk is het dan voor God om nadat zo iemand heeft geleefd en deze karaktertrekken ten toon heeft gespreid, zijn levenspatroon te reconstrueren. — Gen. 16:11, 12; 25:23.

Jezus heeft dit vermogen om iemand met al zijn karakteristieke hoedanigheden — zijn hele identiteit — uit de dood terug te brengen gedemonstreerd toen hij Lazarus uit het graf riep. Lazarus’ hersencellen waren toen stellig al afgestorven, trouwens zijn hele lichaam verkeerde al in verregaande staat van ontbinding. Zijn zuster Martha zei: „Heer, hij moet nu al rieken, want hij is reeds vier dagen dood.” Zowel Lazarus’ persoonlijkheid als zijn lichaam moesten dus gereconstrueerd worden om hem terug te brengen. — Joh. 11:39-44.

GODS BELANGSTELLING VOOR DE DODEN

Denkt u dus nooit dat God zich niet om de doden bekommert. Hij gaf er stellig geen blijk van zich niet om de mensheid te bekommeren toen hij zijn eniggeboren Zoon zond opdat deze door toedoen van opstandige mensen lijden zou ondergaan en als losprijs zou sterven. God is ook niet onrechtvaardig door slechts enkelen voordeel van de losprijs te laten trekken — waardoor de loskoopvoordelen grotendeels verspild zouden zijn. Hij zou zijn apostel er anders niet toe hebben geïnspireerd te schrijven: „Want zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens velen tot zondaars werden gemaakt, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de ene persoon velen tot rechtvaardigen worden gemaakt. . . . zoals de zonde als koning heeft geregeerd met de dood, zo [zou] ook de onverdiende goedheid als koning . . . regeren door middel van rechtvaardigheid met eeuwig leven in het vooruitzicht door bemiddeling van Jezus Christus, onze Heer.” — Rom. 5:19-21.

Waarom wendt God nu dan zijn macht niet aan om degenen die zijn gestorven terug te brengen? Zelfs hierin wordt zijn onverdiende goedheid gedemonstreerd. Hij zal hen namelijk niet terugbrengen om nog eens de verschrikkelijke ellende te ondergaan waaronder de mensheid thans gebukt gaat, met dagelijks het gevaar van de dood voor ogen. In plaats daarvan is hij voornemens hen tot leven terug te brengen als de rechtvaardige regering van zijn Messiaanse Koning Jezus Christus op de hele aarde in werking is. Dan zullen de levensomstandigheden ideaal zijn voor werkelijk leven in geluk. Wat moeten Jehovah en zijn Zoon, met zelfs nog grotere verwachtingen dan wij, naar die tijd uitzien! — Hand. 17:31; 24:15.

VALSE LEERSTELLINGEN ONTNEMEN VERTROOSTING

Hoe godslasterlijk is het van de geestelijken om, gezien Gods liefdevolle voorzieningen voor zowel de levenden als degenen die zijn gestorven, te beweren dat God gestorven personen in een vagevuur of „hellevuur” pijnigt. En wat wreed en harteloos is het van deze mensen om van diepbedroefde nabestaanden en vrienden geld te incasseren, om zogenaamd de mensen of zielen in een van deze denkbeeldige plaatsen te helpen.

Een voorbeeld van gebrek aan belangstelling voor degenen die familieleden of vrienden hebben verloren, is een traktaat van de Franciscan Mass League (Franciscaner bond voor het opdragen van missen) dat werd uitgegeven door het franciscanenklooster in de stad New York. De lezer wordt erin aangemoedigd: „Wordt nu lid van de bond voor het opdragen van missen voor de levenden.” „Vertrouw er niet al te zeer op dat uw nabestaanden u zullen helpen als u tijdens het oordeel in de Handen van de Heer valt”, aldus de brochure, „’uit het oog, uit het hart’, zal het lot van de meesten van ons zijn.”

Het pamflet dringt er verder op aan „heengegane” verwanten en vrienden bij een bond voor het opdragen van missen op te geven. „De gebruikelijke contributies voor lidmaatschap” bedragen: „Voor de levenden $5.00. Dit lidmaatschap is na de dood van onbeperkte duur; Voor de overledenen $2.00.” „Uw dierbare overledenen moeten misschien door uw schuld in het vagevuur lijden”, aldus het traktaat. Er wordt een aanhaling gedaan uit een apocrief boek, dat geen deel uitmaakt van de geïnspireerde Schrift: „’Het is een heilige en vrome gedachte voor de doden te bidden, opdat zij van hun zonden verlost mogen worden’ (2 Makk. xii, 46).” — Vers 45, PC.

Er zij echter opgemerkt dat Judas Maccabaeus, die in de tekst wordt aangehaald, niet bad voor zielen die in een verondersteld vagevuur lijden ondergingen, doch betreffende hun hoop op een opstanding uit de dood, zoals uit de context blijkt (Verzen 43, 44). En volgens vers 45 bevonden degenen die gestorven waren zich niet in een vagevuur of toestand van onbewustheid, maar waren zij „ontslapen”.

Door een valse leer omtrent de toestand van de doden te onderwijzen, en door misbruik te maken van het verdriet van mensen over geliefde personen die zijn overleden, hebben de geestelijken geld geïncasseerd door op de vrees en het gevoel van machteloosheid van de nabestaanden te speculeren. Zij maken zich derhalve schuldig aan afpersing. Zij liegen, stellen God in een verkeerd daglicht en ontnemen de levenden de hoop en vertroosting die de Schrift biedt.

Volgens Gods zekere belofte en waarborg kunnen de levenden vol vertrouwen verwachten dat hun geliefde doden terugkomen en de volle gelegenheid zullen krijgen om te leven. Dan kunnen zij, onder Christus’ Koninkrijksregering waar de boosdoener naast Jezus naar uitzag, bewijzen of zij Gods instructies liefhebben en gehoorzamen.

Wat dienen wij, de levenden, thans derhalve te doen om er zeker van te zijn dat wij in leven zullen zijn om hen uit de dood te kunnen verwelkomen en hen werkelijk te kunnen helpen? Wij dienen nu Gods Woord de bijbel te bestuderen en ons volledig aan de rechtvaardige beginselen ervan te onderwerpen. Als wij dit doen, kunnen wij de hoop koesteren de vernietiging van dit huidige samenstel van dingen te overleven, welke vernietiging, zoals alle bewijzen aantonen, zeer nabij is (Matth. 24:7-14, 34; Zef. 2:3). Wat zal het geweldig zijn deze uit de dood opgewekte personen te verwelkomen en hen te helpen een grotere kennis van God te verkrijgen, hetgeen tot eeuwig leven leidt! — Joh. 17:3.

[Illustratie op blz. 229]

Is er een gezonde basis om te geloven dat de doden weer zullen leven?

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen