„Blijft zoeken, en gij zult vinden”
Zoals verteld door R. S. Cotterill
HEBT u ooit aan een bepaald bijbelvers gedacht dat een deel van uw leven samenvat? Eén heel toepasselijke tekst voor mijn leven is Matthéüs 7:7: „Blijft vragen, en het zal u gegeven worden; blijft zoeken, en gij zult vinden; blijft kloppen, en u zal opengedaan worden.” Ja, deze woorden van onze Heer Jezus Christus hebben een speciale betekenis voor mij.
Dit komt doordat ik als jongeman voortdurend naar een werkelijk doel in het leven zocht. Ik wilde de waarheid omtrent God weten.
Toen ik jong was, kwamen er herhaaldelijk vragen over het leven bij mij op. Ik werd in 1908 in Manchester geboren en in de Anglicaanse Kerk gedoopt. Toen ik nog heel jong was, vroeg ik mij af of God werkelijk mensen voor eeuwig in een hellevuur zou pijnigen. Ik dacht ook na over de donkere middeleeuwen, toen gelovige mensen elkaar wreed folterden, en ik vroeg mij af hoe dat juist kon zijn. Ik bad vurig.
In 1925 stierf mijn vader plotseling. Het was de eerste keer dat de dood in mijn eigen leven zijn intrede deed. Het leven scheen nu nog onzekerder. Na de dood van mijn vader studeerde ik rechten, boekhouden, economie en andere vakken. Ik was echter vol twijfel, want waar streefde ik naar? Wat was mijn eigenlijke doel in het leven?
ZOEKENDE IN EEN TIJD VAN CRISIS
Aangezien ik verlegen was, ging ik een cursus in zelfverbetering volgen, doch ik ondervond moeilijkheden omdat ik niet mijn doel in het leven had bepaald. Dat was wat ik mij afvroeg.
Daar ik zoekende was, ging ik naar een architectonisch moderne kerk. De geestelijke daar was verbonden met de „Oxfordgroep” en wilde dat ik mij intens zou bezighouden met kerkelijke aangelegenheden. Ik gaf les op de zondagsschool, assisteerde de kerkeraad, was een kruisdrager (hetgeen inhield dat ik, gekleed in toga en koorhemd, het koor de kerk binnenleidde) en hielp de knapenvereniging van de kerk. Ik verleende ook mijn assistentie aan een knapenvereniging in de achterbuurten van Manchester. Ondanks mijn vele verschillende activiteiten had ik het gevoel dat er iets ontbrak.
Ik zocht naar een doel in het leven en las daarom allerlei boeken — vele over psychologie en filosofie. Ik bezocht ook „vredesconferenties” en vredesgroepen en sloot mij aan bij activistische pacifisten. Tegelijkertijd las ik echter geregeld in de bijbel en ging naar allerlei religieuze bijeenkomsten, onder andere die van rooms-katholieken, Unionisten en het Genootschap der Kwakers. Wie had gelijk? Kende één groepering werkelijk de waarheid van God?
Ten slotte nam ik ontslag uit mijn betrekking en besloot te trachten God te dienen. Maar hoe? Maandenlang leefde ik van mijn spaargeld en probeerde ik te ontdekken wat ik nu precies zou doen om God te dienen. Ik informeerde naar de mogelijkheid om tot geestelijke in de Anglicaanse Kerk te worden gewijd, doch er werd te veel nadruk op bepaalde diploma’s en op geld gelegd. Ik informeerde naar het zendingswerk van de kerk in Canada. Hoe meer ik de kerk onderzocht hoe meer ik er een hekel aan begon te krijgen. Ik was het met veel van haar praktijken niet eens en ook niet met het feit dat ze steun verleende aan de oorlog.
Het werd september 1939 en Engeland was in oorlog met nazi-Duitsland. Hierdoor ging ik nog intenser vorsen en zoeken. Toen raadde een vriend mij op zekere dag aan eens met een van Jehovah’s christelijke getuigen, Richard Hayley geheten, te gaan praten. Dit deed ik. Wij spraken urenlang over de bijbel en over wat ik geloofde en dacht. Deze Getuige beantwoordde mijn vele vragen liefdevol aan de hand van de bijbel. Ik besefte iets waardevols te hebben gevonden. Ik vroeg: „Zijn er in Duitsland ook Jehovah’s getuigen?” Hij vertelde mij over de getrouwe Getuigen daar die eveneens Gods koninkrijk ondersteunden en die neutraal waren met betrekking tot politiek en oorlogen. Ik was blij dit te horen, omdat ik oprecht geloofde dat het ware christendom mensen van alle natiën zou moeten omvatten en vermengen.
Al gauw ging ik naar de vergaderingen van de Getuigen in hun Koninkrijkszaal. Uiteindelijk trachtten zogenaamde vrienden van een activistisch-pacifistische groep mij ertoe over te halen bij hen te blijven. Een activistische groepsleider ging met mij mee om met de Getuige te spreken die mijn vragen beantwoordde. Wij spraken tot laat in de avond over de bijbel en andere kwesties. Ik hield mij meestentijds stil en luisterde. Ik merkte op dat enerzijds menselijke filosofieën en menselijke wijsheid overheersten. Van de zijde van Jehovah’s getuigen kwamen de antwoorden daarentegen rechtstreeks uit de bijbel — hier overheerste Gods wijsheid. Wat zou ik dus kiezen, menselijke filosofieën of de bijbelse waarheid? De Getuige Hayley besloot de discussie die avond met de woorden uit de bijbel in Jozua 24:15 aan te halen: „Kiest dan heden wie gij zult dienen; . . . maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen Jehovah dienen.” — American Standard Version.
IK KIES DE BIJBELSE WAARHEID
Bij wie zou ik mij dus aansluiten? Ik ging telkens weer naar deze getuige van Jehovah toe en bestudeerde geregeld de bijbel. Onze studies werden voortgezet ook al waren er luchtaanvallen en vielen er niet ver weg bommen.
Al gauw besefte ik dat ik een werkelijk doel in het leven had gevonden. Ik had gevonden wat ik zocht. Nu wist ik hoe ik de ware God kon dienen. Eerst verbrak ik echter schriftelijk alle banden met de Anglicaanse Kerk en andere groeperingen. Ik wilde mij losmaken van alle valse religie en werkelijk neutraal zijn ten aanzien van politieke aangelegenheden en op deze wijze in overeenstemming met bijbelse beginselen leven.
In juni 1940 begon ik deze bijbelse waarheden met anderen te delen door van huis tot huis te gaan. Ik was zo verlegen, bedeesd en in mijzelf gekeerd geweest — en nu sprak ik nota bene met anderen over Gods Woord, en nam ik zelfs in het openbaar deel aan het verspreiden van De Wachttoren en het zustertijdschrift daarvan, waarbij ik vaak een tijdschriftentas gebruikte die ik de hele oorlog door in zakenwijken om had.
Op 1 september 1940 werd ik tijdens een congres in Manchester als symbool van mijn opdracht aan God gedoopt. Welke loopbaan zou ik nu gaan volgen? Ik had de volle-tijdbediening als pionier in gedachten.
IK VERKONDIG DE BIJBELSE WAARHEID IN DE VOLLE-TIJDBEDIENING
In september 1940 stuurde ik een aanvraag in voor de pioniersdienst, de volle-tijdprediking onder leiding van de Watch Tower Bible and Tract Society. Mijn eerste toewijzing was Carlisle, niet ver van de lieflijke Engelse merenstreek. Ik moest hier huisvesting zoeken, dus liet ik mijn spullen in de Koninkrijkszaal achter en gelukkig vond ik iemand die belangstelling had voor Gods Woord en mij een kamer aanbood.
In de oorlogstijd moest men verplicht dienst doen als brandwacht. Ik kreeg als toewijzing de kathedraal van Carlisle! Aangezien ik de kerk en de rug had toegekeerd, weigerde ik deze brandwachtdienst; bovendien had ik reeds aangenomen om brandwachtdienst te verrichten in het gebouw waarin de Koninkrijkszaal was gevestigd. Ik werd voor de rechtbank gedaagd en kreeg een boete, subsidiair één maand gevangenisstraf. Aangezien ik weigerde de boete te betalen, kreeg ik een maand om dit alsnog te doen — of anders de gevangenis. Ik belandde in de Durhamgevangenis, met een schraal oorlogsrantsoen. Na mijn vrijlating ging ik weer in de pioniersdienst.
Met het prediken van het Woord van God in Chester-le-Street en later in Washington, County Durham en Sunderland, gingen de oorlogsjaren vlug voorbij. In 1945 had ik het voorrecht de minister van oorlog in het Britse oorlogskabinet te bezoeken om een verzoek in te dienen tot opheffing van het verbod op de invoer van Wachttoren-tijdschriften. Hij luisterde vriendelijk en ik drong er bij hem op aan de minister van voorlichting te benaderen om er iets aan te doen. Ik bezocht ook plaatselijke leden van het parlement. Wat sterkt Jehovah iemand voor zulke toewijzingen, wanneer ze onder gebed behartigd worden! Gelukkig werd het verbod te zijner tijd opgeheven. Ondanks het verbod, misten wij echter nooit een studie van De Wachttoren, aangezien de hoofdartikelen plaatselijk werden gedrukt.
GILEAD EN TOEWIJZING VOOR INDIA
Na de Tweede Wereldoorlog vulde ik een aanvraag in voor de Gileadschool, waar men wordt voorbereid op een carrière van zendeling. Ik kon het nauwelijks geloven toen ik kort daarop voor Gilead werd uitgenodigd. Wat een voorrecht! Tegen half juni 1946 arriveerde ik op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn, New York. Het was een voorrecht in de achtste klas van de Gileadschool, de eerste internationale klas, te zijn. Ik genoot enorm van de omgang met klasgenoten uit vele landen. Ten slotte kreeg ik een toewijzing voor India.
Zo bevind ik mij nu dan, ruim vierentwintig jaar later, hier in India, terwijl ik nog steeds druk bezig ben met het prediken van het goede nieuws van Gods koninkrijk. Ik heb in deze jaren vele voorrechten gehad. Toen de president van het Wachttorengenootschap in april 1947 India bezocht voor ons congres in Bombay, kreeg ik een verrassing: Ik zou het voorrecht hebben heel India rond te reizen en onze eerste kringvergaderingen hier te bezoeken. In september 1947, ongeveer twee weken na de scheiding van India in India en Pakistan, begon ik deze rondreis. Duizenden mensen werden wegens godsdienstige haat gedood. Hoe passend was de openbare lezing die ik op deze vergaderingen hield: „Gezegend zijn de vredestichters”!
Na Gods Woord acht jaar lang in de steden Bombay, Ahmednagar en Poona te hebben gepredikt, kreeg ik het voorrecht als kringdienaar of -opziener te dienen om de christelijke gemeenten aan te moedigen. Bijna dertien jaar lang heb ik gereisd van de met sneeuw bedekte Himalaja naar Kaap Comorin op de zuidelijke punt van India. Er was een tijd dat ik twee maal per jaar ongeveer half India doorkruiste, waarbij ik duizenden kilometers aflegde. Dit had tot gevolg dat ik een en ander van de dierenwereld in het wild zag: olifanten, pauwen, apen, cobra’s — en een tijger!
Natuurlijk is het leven in India anders. Men wordt door veel armoede en moeilijke omstandigheden omringd. Ik houd echter van mijn Indiase christelijke broeders, of zij nu in Maharashtra, Gujarat, Mysore, Tamil Nadu, Kerala, Bengal, Andhra Pradesh of Delhi, of in een ander deel van India wonen. In alle plaatsen die ik noemde, spreken zij andere talen, doch allen zijn verenigd in de aanbidding van de ware God, Jehovah.
Mijn Indiase christelijke broeders zijn erg goed voor mij geweest en wij hebben thans vele rijpe Indiase Getuigen. Toen ik in 1947 in India kwam, hadden wij ongeveer tweehonderd verkondigers van Gods koninkrijk. Nu zijn er meer dan 3300. Ik heb bij Indiase Getuigen gewoond en soms, zittend op de grond, van bananebladeren gegeten, die als bord dienden. Maar wat zijn zij vriendelijk!
Het was een verrassing voor mij toen ik begin 1953 werd uitgenodigd om het congres der „Nieuwe-Wereldmaatschappij” in New York bij te wonen. Wat een schitterende vergadering was dat! In 1958 ging ik weer naar New York om de gedenkwaardige internationale „Goddelijke wil”-vergadering te bezoeken. In 1966 keerde ik voor een lange vakantie naar Engeland terug, na acht jaar te zijn weg geweest. Een ander gedenkwaardig jaar was 1969, toen ik, op weg naar het internationale „Vrede op aarde”-congres in Londen, Israël aandeed en Cesaréa, Megiddo, Galiléa, Nazareth, Jeruzalem, Bethlehem, Jericho en andere plaatsen bezocht die verband houden met Jehovah’s werk en de aardse bediening van Jezus Christus.
Ik heb in India vele geestelijke broeders en zusters, vaders en moeders. Ik ben nooit getrouwd, daar ik tot het besluit was gekomen dat het beter voor mij was vrijgezel te blijven. Ik ken velen uit alle delen van dit reusachtige land, en ik kan zeggen dat ik mijn Indiase broeders zeer liefheb. Mijn hart loopt over van vreugde en ontroering als ik hen op vergaderingen ontmoet. Wij zijn met heel Jehovah’s volk overal ter wereld één.
Ik ben tweeënzestig jaar en fiets nog altijd in Delhi rond, een van de heetste hoofdsteden ter wereld in juni! Ik ga naar mijn bijbelstudies en van huis tot huis om het goede nieuws te prediken en te onderwijzen. Werkelijk, wat een wonderbaarlijk leven! Ik dank Jehovah God voor alle voorzieningen die hij door middel van zijn organisatie treft en voor het feit dat hij ons zoveel heeft verschaft om te kunnen gebruiken, zoals De Wachttoren in zeven van onze Indiase talen. Ik heb ook een mooi huis om in te wonen. Waarlijk, het is een groots werk om God in de volle-tijdprediking te dienen. Hoe dankbaar ben ik dat ik ’bleef zoeken’ en hierdoor heb gevonden wat ik zocht — Gods waarheid!