Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w71 15/11 blz. 697-699
  • „Tot een getuigenis”

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • „Tot een getuigenis”
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • IN DE TWINTIGSTE EEUW
  • Het einde van het wereldomvattende getuigenis komt naderbij
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Politiebescherming — Hoop en vrees
    Ontwaakt! 2002
  • Wees een levende getuige voor het „goede nieuws”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Christelijke getuigen ten gunste van goddelijke soevereiniteit
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
w71 15/11 blz. 697-699

„Tot een getuigenis”

TOEN Jezus in het voorjaar van 33 G.T. op de Olijfberg zat, zei hij tot zijn discipelen: „Ziet gij echter toe op uzelf; men zal u aan plaatselijke rechtbanken overleveren, en gij zult in synagogen worden geslagen en voor bestuurders en koningen terechtstaan om mijnentwil, tot een getuigenis voor hen.” — Mark. 13:9.

De ervaringen die Christus’ volgelingen sindsdien hebben opgedaan, bewijzen dat dit waar is. Ruim vijftig dagen nadat Jezus deze woorden had geuit, moesten de apostelen Petrus en Johannes hun geloof voor het hoogste joodse gerechtshof, het Sanhedrin, verdedigen. Hoewel zij ongeletterde en gewone mensen waren, gaven zij aan dat uitgelezen gezelschap, dat was samengesteld uit regeerders, schriftgeleerden en oudere, invloedrijke mannen, een krachtig en onbevreesd getuigenis (Hand. 4:5-19). Niet lang daarna werden alle apostelen voor het Sanhedrin geleid. Moedig zeiden zij tot de leden van dat gerechtshof: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen. De God van onze voorvaders heeft Jezus opgewekt, die gij hebt gedood door hem aan een hout te hangen. Hem heeft God als voornaamste Gevolmachtigde en Redder tot zijn rechterhand verhoogd, om Israël de gelegenheid tot berouw en vergeving van zonden te geven. En wij zijn getuigen van deze zaken, evenals de heilige geest, die God heeft gegeven aan hen die hem als regeerder gehoorzamen.” — Hand. 5:27-32.

Jaren later hield de apostel Paulus een verdediging voor de bestuurder Felix en zijn vrouw Drusilla, de bestuurder Festus, koning Agrippa en zijn vrouw Bernice en ten slotte voor Caesar zelf (Hand. 24:24; 25:8-12, 23; 26:32). Paulus’ verdediging was zo overtuigend dat koning Agrippa uitriep: „Gij zoudt mij in korte tijd overreden een christen te worden.” — Hand. 26:28.

Doordat zij voor koningen en regeerders gesleurd werden, waren de eerste-eeuwse christenen in staat een getuigenis omtrent hun geloof te geven aan personen die anders misschien niet bereikt zouden zijn. Dit was in overeenstemming met Jehovah’s voornemen. Aangezien het zijn wil is dat „alle soorten van mensen worden gered en tot een nauwkeurige kennis van de waarheid komen”, werden mensen die een hoge regeringspositie bekleedden, doordat er christenen aan hen werden voorgeleid, in de gelegenheid gesteld de waarheid te leren kennen. — 1 Tim. 2:4.

IN DE TWINTIGSTE EEUW

Ook in deze twintigste eeuw zijn er christenen geweest die hebben ingezien dat het „tot een getuigenis” was wanneer zij voor regeringsfunctionarissen moesten verschijnen. Zij zijn daarom niet bevreesd geweest hun geloof te verdedigen. Ook al werden er vaak op beledigende wijze vragen gesteld, toch hebben deze christenen hun redenen kalm en vriendelijk uiteengezet. Zij hebben niet op geïrriteerde of gebelgde wijze antwoord gegeven. Hoewel zij niet door mensenvrees geïntimideerd raakten, hebben zij niettemin van een diepe achting of gezonde vrees blijk gegeven, alsof zij zich in de aanwezigheid van Jehovah God bevonden, wiens ’ogen op de rechtvaardigen zijn’ (1 Petr. 3:12). Door dit te doen, hebben zij acht geslagen op de raad in 1 Petrus 3:15: „Heiligt de Christus als Heer in uw hart, altijd gereed u te verdedigen voor een ieder die van u een reden eist voor de hoop die in u is, maar doet dit met zachtaardigheid en diepe achting.”

Ongeveer vijf jaar geleden werd een van Jehovah’s getuigen in Libanon, te zamen met de jongeman die hem voor het eerst in de van-huis-tot-huisbediening vergezelde, voor een verhoor naar het politiebureau gebracht. Toen hun door de politie werd meegedeeld dat zij vrijgelaten zouden worden als zij beloofden met prediken te zullen ophouden, vroeg de Getuige wat er verkeerd aan was de bijbel te prediken, aangezien dat hetgeen is wat de mensen werkelijk nodig hebben. Hij zei ook dat het voor de agenten goed zou zijn de bijbel te lezen en te bestuderen en bood hun wat bijbelse lectuur aan. Indien u in de positie van deze Getuige en zijn metgezel was geweest, zou u dan ook zo moedig uw geloof hebben verdedigd?

Het ferme standpunt dat door deze Getuige en zijn metgezel werd ingenomen, had niet tot gevolg dat zij nog langer werden vastgehouden. In plaats daarvan zei een van de politieagenten tegen een collega: ’Het lijkt me beter dat wij hen laten gaan en dat wij hen niet verder ondervragen, want anders zouden zij onze geest en denkwijze wel eens kunnen omvormen.’ De reactie van deze politieagenten op het gegeven getuigenis kwam werkelijk overeen met die van koning Agrippa, nadat hij in de eerste eeuw G.T. Paulus’ verdediging had gehoord.

Niet alleen volwassenen, maar ook personen van de schoolgaande leeftijd zijn in de gelegenheid geweest hun geloof te verdedigen. Niet lang geleden gebruikten twee meisjes hun schoolvakantie om de inwoners van een dorp in Oost-Duitsland over de bijbel te vertellen. Op zekere dag werden de meisjes echter tussen de middag gearresteerd en naar het hoofdbureau van politie gebracht. Toen zij daar waren, predikten zij tot de agenten die zij ontmoetten. De meisjes werden elk drie en een half uur achtereen afzonderlijk ondervraagd. Toen de functionarissen ten slotte besloten hen de provincie uit te zetten, zei het hoofd van politie dat hij nog nooit zoiets had meegemaakt. Een van de meisjes antwoordde dat het ook voor hem noodzakelijk was het goede nieuws te horen ten einde een beslissing te kunnen nemen met betrekking tot zijn eigen toekomst, en beide meisjes brachten hun waardering tot uitdrukking voor het feit dat zij in staat waren geweest Gods boodschap tot de functionarissen te prediken. Ja, deze meisjes zagen in dat zij op het hoofdbureau van politie waren ten einde er getuigenis te geven, en zij hebben die gelegenheid zo goed mogelijk benut.

Hoewel degenen die naar een verdediging luisteren, vaak geen veranderingen in hun leven aanbrengen, hebben zij niettemin een getuigenis ontvangen. Af en toe hebben degenen die zo moedig zijn geweest voordeel te trekken van de gelegenheid hun christelijke hoop te verdedigen, de extra zegen ontvangen om te zien dat hun woorden gunstig werden ontvangen. Dit was de ervaring die een Getuige in Portugal enkele jaren geleden opdeed. Hij werd ervan in kennis gesteld dat hij voor een verhoor in het plaatselijke politiebureau moest verschijnen. Toen hij daar aankwam, werd hij in een kamer gebracht waarin zich verschillende politieautoriteiten bevonden, met inbegrip van de agent die bij hem aan de deur was geweest. Er werden vragen gesteld over zijn religie, en hij was in de gelegenheid een goed getuigenis te geven met betrekking tot zijn geloof. De meesten van de mannen spraken kleinerend over hetgeen hij had te zeggen, maar de Getuige merkte op dat de agent die bij hem aan de deur was geweest, aandachtig luisterde. Gedurende de uren dat de Getuige op het politiebureau werd vastgehouden, was hij in de gelegenheid rechtstreeks tot deze agent te spreken. Later werden er met deze ontvankelijke man regelingen voor een bijbelstudie getroffen. Uiteindelijk nam hij zijn ontslag bij de politie en werd hij zelf een van Jehovah’s getuigen. Het is interessant dat deze vroegere politieagent werd gedoopt door de Getuige bij wie hij aan de deur was gekomen om hem te zeggen dat hij op het politiebureau moest verschijnen. Was dit niet een gezegende beloning voor het feit dat de broeder voordeel had getrokken van de gelegenheid om getuigenis te geven?

De ervaringen die christenen zowel in het verleden als in deze tijd hebben opgedaan, illustreren beslist dat het „tot een getuigenis” is wanneer zij voor functionarissen moeten verschijnen. Aangezien een christen dit weet, dient hij altijd waakzaam gebruik te maken van de gelegenheid die hem aldus wordt geboden om een onbevreesd getuigenis ten aanzien van zijn geloof te geven, terwijl hij dit met achting en zachtaardigheid doet. Oprechte liefde en zorg voor anderen, gepaard aan de vurige hoop dat zij geholpen zullen worden de waarheid in te zien, zal een christen ertoe aanzetten elke gelegenheid te benutten om tot alle mensen over zijn geloof te spreken. Hij kan in dit opzicht ook zeker zijn van de hulp van Gods geest, want Jezus heeft tot zijn volgelingen gezegd: „Niet gij zijt het die spreekt, maar de heilige geest.” — Mark. 13:11.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen