De Schepper gedenken in de dagen van mijn jeugd
Zoals verteld door A. Bangle
TOEN ik een aanvraag voor de volle-tijdpioniersdienst onder leiding van het Wachttorengenootschap ontving, merkte ik een vraag op die mij deed pauzeren. Er werd gevraagd of er iemand afhankelijk van mij was. Voordat ik deze vraag beantwoordde, raadpleegde ik mijn moeder, aangezien ik haar gedeeltelijk ondersteunde. Met een blij hart en een glimlachend gezicht zei zij:
„Jongen, jij was het eerste kind dat werd geboren nadat ik Gods waarheid leerde kennen, en ik voel me net als Samuëls moeder, die haar zoon aan Jehovah opdroeg. Ga dus, jongen, en geef Jehovah je tijd, kracht en energie, en ik ben blij dat je het nu doet, in je jeugd. Jehovah zal voor mij zorgen.”
Die aanmoedigende woorden van een getrouwe, hardwerkende moeder waren voldoende voor mij. Mijn ogen schoten vol tranen toen ik het grote geloof en vertrouwen zag dat mijn moeder in Jehovah stelde. Zonder langer te wachten, beantwoordde ik onmiddellijk de vraag en verzond mijn aanvraag, die werd aanvaard.
Ik gaf mijn wereldse betrekking dus op en in juni 1940, op eenentwintigjarige leeftijd, ging ik naar de stad New York om mijn carrière als pionierbedienaar of volle-tijdbekendmaker van Gods koninkrijk te beginnen. Wat mijn moeder betreft: zij werd goed verzorgd totdat zij in 1965 stierf.
VOORBEELDEN VAN OUDERE PERSONEN HIELPEN MIJ
Mijn vader en moeder hadden Gods waarheid in de jaren 1917/1918 leren kennen. En hun voorbeeld is een grote hulp voor mij geweest om de Schepper vanaf de dagen van mijn jeugd te gedenken. Toen ik zag dat mijn vader en moeder baden voordat zij gingen eten en voordat zij naar bed gingen, maakte dit een diepe indruk op mij, en ik deed het ook op mijn nederige manier.
Wij woonden in Pittston, in de Amerikaanse staat Pennsylvanië, en toen mijn vader in 1931 wegens gezondheidsredenen met werken moest ophouden, gebruikte hij de resterende vijf jaar van zijn leven om het goede nieuws van Gods koninkrijk als een volle-tijdprediker bekend te maken. Op deze manier gaf hij mij een goed voorbeeld om mijn Schepper in mijn jeugd te gedenken.
De tijd kwam dat ik mijn Schepper mijn waardering wilde tonen voor datgene wat ik over hem had geleerd. In 1938 droeg ik mijn leven daarom aan hem op en symboliseerde dit door de waterdoop.
Ik zal nooit het eerste grote congres vergeten dat ik bezocht. Dit was in 1939 in Madison Square Garden in de stad New York. De toenmalige president van het Wachttorengenootschap, J. F. Rutherford, hield de openbare lezing „Regering en vrede” voor een publiek van ruim 18.000 personen. Na ongeveer twintig minuten probeerde een groep fascistisch gezinde volgelingen van de rooms-katholieke priester C. Coughlin de vergadering te verstoren. Zij begonnen te jouwen, te schreeuwen en te schimpen, terwijl sommigen luid „Heil Hitler!” riepen. De president van het Genootschap werd niet angstig maar zei moedig: „De nazi’s en katholieken zouden deze vergadering graag willen verstoren, maar door Gods genade zullen zij dit niet kunnen.” De toespraak werd in haar geheel gehouden. Toen ik de moed en het vertrouwen zag die mijn oudere christelijke broeders ten toon spreidden, kwam mijn jonge geest onder de indruk van het feit dat er moed voor nodig is om een dienstknecht van Jehovah God te zijn.
OP DE PROEF GESTELD MET BETREKKING TOT MOED
Kort nadat ik met de volle-tijdbediening was begonnen, verhuisde ik naar Californië om het goede nieuws met nog een jonge Getuige te prediken. Onze toewijzing bevond zich in het midden van Californië, een groot gebied met slechts drie of vier geïsoleerd wonende gezinnen van Getuigen. Enkele maanden later ging ik naar Red Bluff in Californië en werkte ik met een kleine gemeente samen. Toen na de aanval op Pearl Harbor de oorlog werd verklaard, werden de inwoners van Red Bluff nationalistischer en ondervonden wij tegenstand in onze prediking van Gods koninkrijk. Op zekere nacht sloegen tegenstanders alle ramen van de Koninkrijkszaal in, vernielden enkele banken en lieten de plaats in grote wanorde achter.
Wanneer ik in die tijd in de velddienst uittrok, wist ik niet of ik gearresteerd zou worden, zou worden geslagen of op andere manieren tegenstand zou ondervinden. Toen wij De Wachttoren op de straten van Corning, in Californië, aanboden, gaf het Amerikaanse legioen jongeren de opdracht vlaggen op straat te brengen, waarna men trachtte ons ertoe te brengen deze te groeten. Wegens ons op de bijbel gebaseerde standpunt werden sommige Getuigen geschopt en gestompt en werd hun gezegd de stad te verlaten.
Toen ik later met drie van mijn christelijke zusters in diezelfde stad aan de velddienst deelnam, zei een lid van het Amerikaanse Legioen die ik aan de deur ontmoette: ’Wat doe je hier, jij . . .? Je bent een jongeman en dient net als mijn zoon in het leger te zijn.’ Hij kwam toen zijn huis uit en begon mij te trappen en te schoppen totdat ik zijn tuin uit was, waarna hij me tot halverwege het blok achterna zat. Hij zei: ’Als je vandaag op de straathoek durft te gaan staan, zal ik je een afranseling geven.’
Ik ging naar het hoofd van politie en lichtte hem over de handelwijze en bedreigingen van deze man in. Zijn antwoord was: ’Als jullie toch niet in deze stad gewenst zijn, waarom gaan jullie dan niet weg?’ Dat bracht ons niet van onze plannen af om die dag toch straatwerk met tijdschriften te verrichten. Ongeveer een half uur later kwam de man die mij had geschopt in zijn auto op ons af rijden, stapte uit en probeerde mij te slaan. Omdat ik veel jonger was dan hij, slaagde ik erin hem op een afstandje te houden. Al gauw was er een groep van vijfenzeventig tot honderd mensen bijeen. Sommigen begonnen te schreeuwen: ’Laten wij deze Getuige als straf met teer overgieten en daarna in de veren rollen om de anderen een lesje te leren.’ Dank zij Jehovah was ik kalm en onbevreesd. Ik stond daar alleen maar en keek hen aan. Eindelijk arriveerde het hoofd van politie en arresteerde de man. Wij gingen naar Red Bluff om ons werk voort te zetten.
Het schijnt dat Jehovah mij gedurende dat uur van spanning een extra mate van zijn geest heeft gegeven, maar toen het allemaal voorbij was, werd het een beproeving voor mij of ik ermee zou doorgaan mijn Schepper te gedenken of er als gevolg van vrees mee zou ophouden. Ik wist dat het een beproeving op mijn geloof vormde, en daarom bad ik God om hulp ten einde elke vrees te overwinnen. Behalve door gebed, werd ik door bijbelstudie en geregelde omgang met Gods volk geholpen voldoende moed te verkrijgen om ermee door te gaan mijn Schepper in die toewijzing te gedenken totdat het Genootschap mij als speciale pionier naar Zuid-Pasadena, in Californië, zond.
AAN GEWELDDAAD DOOR HET GEPEUPEL HET HOOFD BIEDEN
Ik heb Gods waarheden ongeveer anderhalf jaar in Zuid-Pasadena gepredikt. Toen ik daar in 1942 werkte, bezocht ik een congres van Jehovah’s getuigen in Klamath Falls, Oregon, ongeveer 1100 kilometer noordwaarts. Eenenvijftig andere steden waren telefonisch met Cleveland, Ohio, waar de hoofdvergadering werd gehouden, verbonden. Klamath Falls was een bijzonder patriottische stad. Wij hoorden geruchten dat het gepeupel iets tegen de vergadering zou ondernemen. Alles verliep echter soepel tot zondag, toen de openbare lezing, „Vrede — Is hij van blijvende duur?”, in Cleveland werd uitgesproken en via de telefoonleidingen doorkwam. De vrede duurde niet lang in Klamath Falls, omdat een menigte van ruim duizend volwassenen en jongeren de auto’s van de Getuigen openbraken, ze vernielden, breekijzers door de radiateurs staken en alle lectuur en andere uitrustingsstukken buit maakten en midden op straat op een hoop gooiden.
Toen stormden zij het gebouw binnen, gristen bijbels en boeken en wat zij maar uit de lectuurafdeling konden meenemen weg, gooiden alles op straat op een hoop en staken het in brand.
Het gepeupel probeerde met geweld de zaal binnen te dringen, maar de Getuigen sloten alle toegangsdeuren af en bewaakten deze. Het gepeupel slaagde er echter wel in de telefoonleiding door te snijden, zodat de rest van de lezing die door de president van het Genootschap werd gehouden, door een plaatselijke Getuige moest worden uitgesproken, die zich erop had voorbereid de lezing zo nodig van een manuscript te houden. Dit maakte de menigte nog woedender, en zij begonnen stenen door de ramen te gooien. Wij moesten banken tegen de ramen zetten, zodat de stenen de mensen in de zaal niet zouden raken. Ondanks dit werden sommigen toch gewond.
Dit optreden door het gepeupel duurde gedurende de rest van het middagprogramma voort, en ten slotte slaagde de politie erin het gepeupel naar de weg terug te dringen. De politie adviseerde ons het gebouw te verlaten en het avondprogramma af te gelasten, omdat het volgens hen onmogelijk zou zijn het gepeupel in bedwang te houden wanneer het donker was geworden. De vergadering werd besloten en wij moesten ons een weg door de menigte banen om naar onze hotelkamers te gaan. Buiten het gebouw leek het alsof er een orkaan had gewoed. Hoewel ik jong was, wist ik dat Jehovah zijn volk kan beschermen, en dat werd daar ter plaatse bewezen. Na mijn ervaringen op dat congres ging ik terug naar mijn toewijzing, waar ik bleef totdat Jehovah’s organisatie het nodig oordeelde mij ergens anders naar toe te sturen.
GILEAD EN MIJN TOEWIJZING OP JAMAICA
Toen ontving ik een aanvraag om de zendingsschool Gilead van het Genootschap te bezoeken. Ik vulde het formulier in en enkele weken later werd ik voor de tweede klas van Gilead uitgenodigd, die in september 1943 begon. Op Gilead kreeg ik een grotere waardering voor de Schepper en zijn organisatie. Die vijf maanden van nuttige opleiding gingen zo snel voorbij dat wij, voordat wij het wisten, onze toewijzing ontvingen, en in januari 1944 studeerden wij af.
Wij werden met zijn vieren naar Montgomery, in de Amerikaanse staat Alabama, gestuurd om met een gemeente samen te werken. Ik bleef tot april 1945 in Alabama. In mei 1945 werd mij vervolgens gevraagd naar het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn te komen.
Ik bleef drie maanden in Brooklyn en werd toen naar de staat Oklahoma gestuurd om enkele gemeenten als „broederdienaar” te dienen, zoals een kringdienaar of -opziener destijds bekendstond. Ik was nog erg jong vergeleken bij velen van mijn christelijke broeders die ik diende. Toch zagen de Getuigen niet op mijn jeugd neer, maar aanvaardden zij snel de suggesties die hun aan de hand van Gods Woord en via de organisatie werden gegeven.
In februari 1946 ontving ik bericht over een nieuwe toewijzing, een buitenlandse toewijzing, Jamaica, West-Indië. Een van de afgestudeerden van mijn klas zou als mijn partner meegaan.
Wij kwamen op 10 maart 1946 op Jamaica aan. Twee dagen later was ik in de velddienst en bewerkte ik een blok in de buurt van het bijkantoor. Vier dagen later kwamen de broeders Knorr en Franz — de president en de vice-president van het Genootschap — naar Jamaica en werd er in het Ward Theater in Kingston een grote vergadering gehouden die door 1270 personen werd bijgewoond. De president van het Genootschap trof er ook regelingen voor dat de ene gemeente van tweehonderd Getuigen in de hoofdstad Kingston in drie gemeenten werd verdeeld. Dit was werkelijk het begin van de expansie op Jamaica. Sindsdien is het voor mij een bron van vreugde geweest die drie gemeenten te zien groeien tot vijftien gemeenten met meer dan 1500 bekendmakers van het goede nieuws.
Gedurende de jaren 1946-1950 kreeg ik de toewijzing om de part-time kringopziener te zijn van een van de vier kringen hier op het eiland en een part-time werker op het bijkantoor. In die dagen liet het vervoer, vooral in de landelijke gebieden, veel te wensen over. Eén opziener van een gemeente kwam dus met twee ezels naar het spoorwegstation om mij af te halen. Eén ezel was voor het vervoer van mijn bagage en de andere was voor mij. Wij gingen ruim acht kilometer de heuvels op, en dit baarde veel opzien. De mensen hielden op met het werk waarmee zij bezig waren om naar een blanke man te kijken die op een ezel reed.
In andere gemeenten werd mijn bagage op een ezel geladen, terwijl er een Getuige met mij werd meegestuurd om de ezel terug te brengen nadat wij acht tot achttien kilometer naar de volgende gemeente hadden gelopen. Natuurlijk had ik mijn jeugd mee, en wàt ben ik blij dat ik de Schepper toen gedacht. Het was een vreugde mijn christelijke broeders te dienen.
Nog een gelegenheid om mijn jeugdige kracht nuttig te gebruiken, deed zich in 1950 voor, toen het Genootschap er regelingen voor trof dat nog een zendeling en ik het eiland Grand Cayman zouden bezoeken, ongeveer driehonderd twintig kilometer van Jamaica verwijderd. Wij gingen er per boot heen. Er waren geen getuigen van Jehovah op het eiland, dat een bevolking van ongeveer zevenduizend mensen had. Wij kamden op onze fietsen elk hoekje en gaatje van het eiland uit, waarbij wij over slecht begaanbare en hobbelige wegen moesten rijden, en verspreidden in nog geen zes weken tijd ruim 1200 stuks bijbelse lectuur. Kort na ons bezoek zond het Genootschap er andere zendelingen naar toe, en op het ogenblik zijn er veertien bekendmakers van Gods koninkrijk op het eiland.
Niet lang nadat ik van Grand Cayman was teruggekeerd, ontving ik van het Genootschap de raad als volle-tijdwerker op het bijkantoor dienst te verrichten. Van 1951 tot januari 1962 bleef ik dan ook op het bijkantoor in Kingston. Gedurende deze tijd heb ik ook in drie verschillende gemeenten als opziener dienst verricht. Het was een zegen in die gemeenten met veel jongeren samen te werken en hen te helpen hun Schepper te gedenken.
TERUGKEER NAAR GILEAD EN MEER ZEGENINGEN
In het laatste gedeelte van 1961 kwam er voor mij een geloofsbeproeving. Ik ontving een aanvraag van het Genootschap voor het bezoeken van een speciale tienmaandencursus op de Gileadschool. Op de aanvraag stond: „Als je deze aanvraag invult en wordt geaccepteerd, bestaat er kans dat je niet meer terugkeert naar het land waar je nu dienst verricht. Dus als je niet wilt weggaan, kun je de aanvraag beter niet invullen.” Het was niet gemakkelijk te beslissen wat ik zou doen.
Ik was mijn christelijke broeders hier bijzonder gaan liefhebben en voelde me helemaal bij hen thuis. Ik was nu tweeënveertig jaar oud en niet langer een jongeling, maar ik kon over een periode van eenentwintig jaar terugkijken naar de tijd toen ik met de volle-tijdbediening begon. Ik kon zien dat Jehovah gedurende al die jaren voor mij had gezorgd. Daarom besloot ik erin toe te stemmen opnieuw naar Gilead te gaan. Niet lang daarna kwam er een brief waarin mij werd verzocht naar Brooklyn te komen om de tienmaandencursus bij te wonen die in februari 1962 zou beginnen. Ik zal nooit de menigte van meer dan tweehonderd broeders en zusters vergeten die naar het vliegveld kwam om mij vaarwel te zeggen. Ik nam met gemengde gevoelens afscheid van hen.
Ik heb nog meer van die cursus genoten dan van de cursus die ik in 1943 had gevolgd. Daarom beloofde ik de Schepper dat ik datgene wat ik had geleerd, zou gebruiken om hem te tonen dat ik er waardering voor had, ongeacht waar ik naar toe gezonden zou worden.
Toen de president van het Genootschap ons enkele weken vóór de diploma-uitreiking onze toewijzingen gaf, begon mijn hart extra snel te kloppen. Hij ging alfabetisch te werk, en ik was blij dat mijn achternaam met de letter „B” begon. Al gauw kwamen de „B’s” aan de beurt, en toen hij zei: „Broeder Bangle zal naar Jamaica teruggaan”, kon ik wel juichen van vreugde. Mijn hart moet een ogenblik hebben stilgestaan. Het was werkelijk een vreugdevolle dag voor mij.
Niet lang hierna kwam de diploma-uitreiking, en ik kreeg te horen dat ik op Jamaica als districtsopziener dienst zou verrichten. Ik kwam in december 1962 op Jamaica terug en begon in maart 1963 met het districtswerk, en ik ben blij te kunnen zeggen dat ik dit uiterst vreugdevolle werk thans nog steeds verricht.
Wanneer ik het eiland doortrek, is het een genoegen de films van het Wachttorengenootschap aan duizenden mensen te vertonen. De mensen vinden het hier heerlijk de films te zien.
Sinds ik ruim vijfentwintig jaar geleden in deze toewijzing kwam, heb ik het voorrecht gehad te zien hoe het Koninkrijkswerk hier op Jamaica is gegroeid van ongeveer 1000 Getuigen in 1946 tot meer dan 5500 in deze tijd.
Wanneer ik terugkijk op de eenendertig jaar sinds ik met de volle-tijdbediening ben begonnen, kan ik de woorden van de psalmist beamen: „Eens was ik een jonge man, ook ben ik oud[er] geworden, en toch heb ik een rechtvaardige niet volkomen verlaten gezien, noch zijn nageslacht zoekende brood” (Ps. 37:25). Ik ben nog geen oude man, en als het Jehovah’s wil is, zie ik ernaar uit mijn latere jaren net zo te gebruiken als de jaren van mijn jeugd — door mijn Schepper te gedenken.