Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w67 1/12 blz. 726-729
  • Eeuwigheid is mijn doel in Jehovah’s dienst

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Eeuwigheid is mijn doel in Jehovah’s dienst
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • EEN VERANDERING VAN RELIGIE
  • MIJN NEGERBROEDERS DIENEN
  • DIENST IN BUITENLANDSE GEBIEDEN
  • De Schepper gedenken in de dagen van mijn jeugd
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Ontwikkeling van de organisatiestructuur
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Hoe ik Jehovah’s liefde ondervond
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1964
  • Acht kinderen grootbrengen in Jehovah’s wegen was een uitdaging en een vreugde
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
w67 1/12 blz. 726-729

Eeuwigheid is mijn doel in Jehovah’s dienst

ZOALS VERTELD DOOR T.E. BANKS

TIEN jaar voordat ik in de Verenigde Staten werd geboren, werd mijn vader uit slavernij bevrijd. Dat was precies een paar maanden voordat de „Emancipatie-proclamatie” in werking trad. In de daaropvolgende jaren, toen ik opgroeide, had ik weinig gelegenheid voor onderwijs want waar ik werd grootgebracht in de staat Ohio was ik ver van een school. Daarbij komt dat er toen ook geen leerplicht bestond. Niettegenstaande dat hunkerde ik naar kennis en ik las veel, met het gevolg dat ik tegen de tijd dat ik negentien was, met succes examen voor onderwijzer kon doen.

Vanaf mijn jonge kinderjaren kan ik mij herinneren dat mijn vader ons kinderen in zijn wagen naar de kerk reed. Wij gingen iedere zondag twee of drie keer en toch is hij nooit lid van een kerk geweest. Mijn zusters en broers sloten zich bij een kerk aan die zeer emotioneel was — de mensen schreeuwden en klapten in hun handen. Ik redeneerde echter dat religie verstandelijk, niet emotioneel, diende te zijn en dat was de soort van religie die ik zocht. Pas toen ik negenentwintig jaar oud was, ontdekte ik zo’n religie.

Ik werkte in een drogisterij, toen er een vriend binnenkwam en mij een brochure gaf, getiteld „Wat zegt de Schrift over de hel?” Ik had de brochure al een maand in mijn zak voordat ik erin begon te lezen. Telkens als ik mijn vriend zag, vroeg hij mij hoe ik de brochure vond en ik voelde mij schuldig omdat ik ze nog niet had gelezen. Op een dag ging ik, om hem tevreden te stellen, erin lezen. De brochure boeide me zó dat ik ze dezelfde dag nog uitlas. Tot op dat moment meende ik dat ik alles van de hel afwist wat ik ervan moest weten, maar ik ontdekte al gauw dat ik nog heel wat moest leren. Vanaf de allereerste bladzij van die brochure zag ik dat ze een beroep op de rede en het verstand deed. Toen ik de brochure uit had, zocht ik mijn vriend op om hem te vragen of hij nog meer publikaties zoals die brochure had. Hij zei dat hij een boek van meer dan 300 bladzijden had, en ik zei: „Geef het mij.” Hij beloofde het de volgende dag mee naar zijn werk te zullen nemen. Hoewel ik beloofde het om 12 uur te komen ophalen, kon ik niet wachten en ging om tien uur ’s morgens naar de plaats waar hij werkte. Hij overhandigde mij het boek Het goddelijke plan der eeuwen. Ik nam het mee naar huis en las het gretig.

Klaarblijkelijk had het lezen van Het goddelijke plan der eeuwen meer van mijn tijd in beslag genomen dan ik had beseft, want op een avond zei mijn vrouw tot mij: „Sinds je die lectuur leest, verwaarloos je mij en de kinderen”, en zij barstte in tranen uit. Ik zei tot haar: „Morgenavond zal ik de eetkamer opruimen en afwassen terwijl jij de kinderen naar bed brengt. Dan zullen wij gaan zitten en zal ik je uitleggen wat ik te weten ben gekomen.” Toen wij de volgende avond gingen zitten, opende ik het boek en begon haar uit te leggen wat Gods voornemen is met de mens en met de aarde, en hoe wij daarin pasten. Tien minuten later zei ze: „Nu begrijp ik het.” Vanaf dat moment studeerden wij samen.

EEN VERANDERING VAN RELIGIE

Mijn vrouw nam de waarheden aan die wij uit onze studies leerden kennen en hield er trouw aan vast totdat zij in 1917 stierf. Zij was een toegewijd lid van de Episcopale Kerk geweest, maar na onze eerste studie ging zij niet meer naar die kerk. Ook ik bracht een verandering aan. Ik bekleedde vele functies in de Methodistenkerk, doch begreep evenals mijn vrouw, dat ik dat alles moest opgeven ten einde in overeenstemming met Gods geschreven Woord te zijn.

Toen ik op een samenkomst van de kerk mijn ontslag indiende, weigerde de dominee mijn brief voor te lezen. Hij wilde geen lid verliezen dat zoveel kerkelijke functies bekleedde. Ik las dus de brief voor met een nadruk die de predikant er niet aan had kunnen geven. Hij gaf ten antwoord dat hij niet kon zeggen dat ik ongelijk had maar dat, als ik ooit terug wilde komen, de kerkdeur wijd voor mij openstond. Ik zei hem dat ik nooit terug zou komen. Vanaf dat moment waren mijn vrouw en ik Bijbelonderzoekers die het Wachttorengenootschap erkenden als het instrument dat God gebruikt om het goede nieuws van zijn koninkrijk bekend te maken.

Toen ik mij in 1901 aan God opdroeg, verklaarde ik dat het mijn verlangen was hem getrouw te dienen. Ik heb hier altijd naar gestreefd. Ongeveer twintig jaar lang was mijn dienst voor hem beperkt tot het plaatselijk deelnemen aan de bediening, in de staat Ohio. Maar kort na de dood van mijn vrouw onderbrak de president van het Wachttorengenootschap, J. Rutherford, een van zijn reizen in Cincinnati. Hij vroeg mij of ik er iets voor voelde voor het Genootschap te reizen. Hoewel het altijd mijn hartewens was geweest al mijn tijd aan de bediening te besteden, moest ik de uitnodiging afslaan wegens mijn verantwoordelijkheid jegens mijn kinderen, van wie de jongste twaalf jaar was. Ik bood echter wel aan mijn vier weken vakantie te besteden om overal te gaan waarheen het Genootschap wilde. Er opende zich dus een nieuw dienstvoorrecht voor mij. Ik reisde naar New Orleans in de staat Louisiana, terwijl ik mijn reis in vele steden langs de route onderbrak en ten slotte in New York mijn reis beëindigde.

MIJN NEGERBROEDERS DIENEN

Twee jaar later, toen ik voorzitter van een congres was dat door Jehovah’s volk in de stad New York werd gehouden, liep de president van het Wachttorengenootschap op een avond met mij mee naar de plaats waar ik logeerde en vertrouwde mij toe dat het Genootschap er regelingen voor had getroffen dat ik speciaal werk onder de negers in de Verenigde Staten zou verrichten. Mijn twee dochters waren toen getrouwd en ook een van mijn zoons, en ik meende dus dat ik deze verantwoordelijkheid op mij kon nemen.

Mijn werk bestond uit het bezoeken van de negerdienstknechten van Jehovah in de verschillende delen van het land en hen te helpen bij het geven van bijbels onderricht aan anderen en bij het rapporteren van hun activiteit aan het Genootschap. Dit werd het pelgrimwerk genoemd. De pelgrimbroeders reisden naar georganiseerde gemeenten, hielden openbare bijbellezingen en hielpen de gemeenten in organisatorisch opzicht. Op de leeftijd van vijftig jaar, eenentwintig jaar nadat ik mij aan God had opgedragen, ging ik dus al mijn tijd aan zijn dienst besteden. Mijn hartewens werd vervuld.

Een gedeelte van mijn werk was op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn, waar ik een correspondentenarchief van personen van mijn eigen ras opbouwde, op grond waarvan mijn reizen werden geregeld. Mijn maanden op het hoofdbureau, dat als Bethel bekend staat, waren zeer gelukkig. Ik genoot daar van de nauwe omgang met mijn broeders in Jehovah’s dienst.

Toen het correspondentiearchief gereed was, begon ik in het noordelijke en zuidelijke deel van de Verenigde Staten te reizen om mijn negerbroeders in hun dienst voor Jehovah te helpen. Daar ik uit het noorden kwam, was ik niet geheel en al voorbereid op de vele beledigingen die ik in het zuiden wegens mijn ras te verduren kreeg, zoals segregatie in bussen, treinen, restaurants, enzovoort. De eerste paar onaangename bejegeningen waren een ware beproeving voor mij, doch ze sterkten mij voor latere ervaringen. Enkelen van de negerbroeders namen aanstoot en wilden zich niet schikken naar de segregatiewetten in het zuiden. Zij zijn niet meer in Jehovah’s dienst en zijn er al lang geleden mee opgehouden. Ik besefte dat de mensheid naar Gods nieuwe ordening van rechtvaardigheid moest uitzien om te beleven dat onrechtvaardigheden voorgoed worden uitgewist. Zolang wij ons in dit oude samenstel van dingen bevinden, moeten wij christenen ons aan caesars wetten onderwerpen en doen wat de bijbel voorschrijft, namelijk: „[Wees] onderworpen aan de superieure autoriteiten” (Rom. 13:1). Hoewel er in de wereld een grens bestaat die door de huidkleur wordt bepaald, bestaat deze onder Jehovah’s dienstknechten niet. Dit werd mij bij vele gelegenheden bewezen.

DIENST IN BUITENLANDSE GEBIEDEN

Gedurende de jaren van 1922 tot 1937 brachten mijn reizen voor de organisatie van de Heer mij op vele plaatsen, waaronder Panama, Costa Rica en Jamaïca. Toen ik in 1937 uit Jamaïca naar New York terugkeerde, vroeg de president van het Wachttorengenootschap mij welk bezwaar ik ertegen had op Jamaïca te blijven. Ik had geen enkel bezwaar. Waar Jehovah’s organisatie mij ook wenste heen te zenden, was ik bereid te gaan. Hij zei dus: „De volgende keer dat ik je naar Jamaïca zend, zul je er een poosje blijven.” Toen maakte hij bekend dat hij wilde dat ik daar het opzicht zou hebben over het werk van het Genootschap doordat ik met de leiding van het bijkantoor op Jamaïca zou worden belast.

In 1938 werd ik aan het eiland Jamaïca toegewezen. Er waren toen ongeveer 390 personen die daar het goede nieuws van Gods koninkrijk bekendmaakten en zij waren in 53 gemeenten georganiseerd. Sindsdien zijn de gemeenten tot op deze tijd tot 151 toegenomen, terwijl er thans 4866 personen actief mee zijn verbonden. In die eerste jaren was er niet zoveel kantoorwerk op het bijkantoor van het Genootschap te doen als thans. Mijn werk bestond er dus voornamelijk in, met een geluidswagen over het hele eiland bijbellezingen ten gehore te brengen die op platen waren opgenomen en bovendien ’s avonds nog bijbellezingen te houden.

Niet lang na mijn aankomst op Jamaïca werd, als gevolg van de druk die door geestelijken die ons tegenstonden op politieke leiders werd uitgeoefend, de invoer van de publikaties van het Wachttorengenootschap verboden. Wij schakelden de diensten in van een hooggeplaatst regeringsambtenaar, in een poging het verbod opgeheven te krijgen. Hij vertelde mij: „Toen ik uw correspondentie las die aan de gouverneur was gericht, kreeg ik zeer veel belangstelling voor uw zaak.” Hij zei vervolgens dat hij zijn best zou doen de zaak aan het Huis voor te leggen om te trachten het verbod herroepen te krijgen. Dit deed hij, maar het duurde enige tijd eer wij iets van hem hoorden. Intussen moesten wij onze bediening voortzetten met wat wij nog aan bijbelse lectuur bezaten.

Ondanks de poging van onze vijanden ons te beletten bijbelse lectuur te ontvangen, zorgde Jehovah ervoor dat wij één exemplaar van elke uitgave van het tijdschrift De Wachttoren kregen. Soms was het uitgeschreven en ons als persoonlijke brief toegezonden. Wij hadden een stencilmachine die wij gebruikten om die ene uitgave te vermenigvuldigen. Op die manier konden wij de gemeenten van Jehovah’s volk op Jamaïca van exemplaren van die officiële publikatie van het Wachttorengenootschap voorzien. Zij hebben nooit een uitgave gemist.

De regering nam slechts bepaalde publikaties die wij hadden in beslag en liet ons de andere houden. Deze gebruikten wij in ons predikingswerk en deden daar zo lang mogelijk mee. Net toen de voorraad bijna uitgeput was, hief de regering het verbod dat ten onrechte op onze lectuur was geplaatst op en gaf ons de publikaties terug die ze in beslag had laten nemen. Veel van wat teruggegeven werd, kon niet meer worden gebruikt omdat het doortrokken was van water of door termieten was beschadigd. Doch daarna hadden wij geen moeilijkheden meer bij het ontvangen van voorraden bijbelse lectuur van het hoofdbureau van het Genootschap, ter verspreiding onder de mensen van Jamaïca die van de bijbel hielden.

Omdat mijn gezondheid en kracht mij in de steek lieten, was het in 1946 noodzakelijk dat iemand die jonger en sterker was de verantwoordelijkheid van bijkantoordienaar van Jamaïca overnam. Ik kreeg de keuze naar de Verenigde Staten terug te keren en bij mijn kinderen te gaan wonen of op het bijkantoor van het Genootschap op Jamaïca te blijven wonen, waar ik elk soort van werk waartoe mijn gezondheid mij maar in staat zou stellen, zou kunnen verrichten. Daar Jamaica mijn toewijzing was, gaf ik er de voorkeur aan daar te blijven. Ik was toen vijfenzeventig jaar oud. Nu [namelijk in 1965, toen dit artikel werd geschreven] ben ik drieënnegentig.

Mijn activiteit in Jehovah’s dienst is door ziekte en leeftijd belemmerd geworden, maar ik geniet nog altijd van het leven op het bijkantoor van het Genootschap hier op Jamaïca. Het is maar enkele stappen van mijn kamer naar de Koninkrijkszaal in het gebouw waar zich het bijkantoor bevindt, waardoor het mij mogelijk is alle gemeentevergaderingen die hier worden gehouden bij te wonen. Mijn gezicht is nog altijd goed, zodat ik alle publikaties van het Genootschap kan lezen en mij in de waarheden die ze bevatten en die zowel op het verstand als op het hart van de mens een beroep doen, kan verheugen. Ik neem iedere gelegenheid te baat om over Jehovah’s voornemens en de waarheden van zijn Woord met mijn bezoekers te spreken of door middel van het schrijven van brieven getuigenis te geven. Ik ben heel gelukkig dat ik mijn dagen op aarde in mijn buitenlandse toewijzing en nog steeds in Jehovah’s volletijddienst kan voleindigen.

Ik ben nu praktisch een jonge man, want als mijn verwachtingen verwezenlijkt worden, zal ik een eeuwigheid van leven in de toekomst hebben. Daarom beschouw ik deze drieënnegentig jaar als slechts het begin van mijn leven. Al mijn tijd aan Jehovah’s dienst te besteden is de vreugde van mijn leven geweest, en ik verlang ernaar mijn dienst in eeuwigheid te kunnen voortzetten in vereniging met Jezus Christus en zijn „heiligen in het licht”. — Kol. 1:12.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen