Waarom Gods naam in de gehele bijbel dient voor te komen
MISSCHIEN bent u tijdens het lezen van de bijbel Gods naam in het zogenaamde „Oude Testament” tegengekomen. Zo hebt u misschien in de Petrus-Canisiusvertaling gelezen: „Dan zullen ze weten, dat ’Jahweh’ [of, Jehova(h)] uw Naam is; dat Gij de Allerhoogste zijt op heel de aarde, Gij alleen!” — Ps. 83:19, (18); Jes. 12:2; zie ook Van der Palmvertaling.
Doch tijdens het lezen van het „Nieuwe Testament” of de christelijke Griekse Geschriften bent u Gods naam misschien nooit tegengekomen. De meeste vertalers hebben deze naam tijdens het vertalen van dit bijbelgedeelte weggelaten. Waarom? Eén reden is dat er tot dusver geen oude handschriften van de oorspronkelijke tekst van de christelijke Griekse Geschriften zijn gevonden waarin de goddelijke naam in zijn volledige vorm voorkomt.
Maar aan de andere kant komt Gods naam wel in afgekorte vorm in zowel de oude Griekse handschriften als de vertalingen ervan voor. Hebt u bij het lezen van de bijbel in Openbaring 19:1, 3, 4 en 6 de uitdrukking „Halleluja(h)” opgemerkt? Volgens Webster’s New Collegiate Dictionary betekent „Hallelujah”: „Looft Jah (Jehovah).”
Dat Gods naam in afgekorte vorm voorkomt, toont aan dat het gebruik van de naam onder de eerste christenen niet was verouderd. Hoe komt het dan dat Gods naam in zijn volledige vorm in geen enkel bestaand handschrift van de Griekse bijbeltekst voorkomt? Wordt door de afwezigheid van Gods naam in deze oude handschriften te kennen gegeven dat Jezus en zijn discipelen de naam Jehovah niet gebruikten?
UITLEG DIE NIET LANGER DEUGDELIJK IS
Men is lang van mening geweest dat Gods naam niet in zijn volledige vorm in de voorhanden zijnde handschriften van de christelijke Griekse Geschriften voorkomt doordat men ervan uitging dat de eerste christenen de Griekse Septuaginta-vertaling van de Hebreeuwse Geschriften gebruikten en dat zij eenvoudig de daarin gevolgde gewoonte volgden om de goddelijke naam weg te laten. Omstreeks 280 v.G.T. werd er een begin mee gemaakt deze Griekse Septuaginta-vertaling voor de Grieks-sprekende joden gereed te maken, en ze is de vertaling van de Hebreeuwse Geschriften die naar alle waarschijnlijkheid door de vroege discipelen van Jezus Christus is gebruikt.
Men is eenstemmig van mening geweest dat de vertalers van de Griekse Septuaginta, wegens een joods bijgeloof met betrekking tot Gods naam, in hun vertaling de Griekse titels Kurios (Heer) of ho Theos (de God) in de plaats hebben gezet van het Tetragram, de vier Hebreeuwse letters (יהוה), waardoor Gods naam Jehovah wordt voorgesteld. Betrekkelijk recente ontdekkingen hebben evenwel aan het licht gebracht dat de oudste fragmenten van de Griekse Septuaginta Gods naam wel in zijn Hebreeuwse vorm bevatten!
Dr. P. E. Kahle zegt hierover: „Wij weten nu dat de Griekse bijbeltekst [de Septuaginta], voor zover deze door joden en voor joden werd geschreven, de Goddelijke naam niet met kurios [Heer] weergaf, maar dat het Tetragram, dat met Hebreeuwse of Griekse letters werd geschreven, in zulke hss [handschriften] bewaard bleef.”
Wie hebben de goddelijke naam in exemplaren van de Griekse Septuaginta dan vervangen door de titels „Heer” of „God”? Dr. Kahle antwoordt vervolgens: „De christenen hebben het Tetragram door kurios [Heer] vervangen toen de goddelijke naam, die in Hebreeuwse lettertekens werd geschreven, niet langer werd begrepen.” — The Cairo Geniza, blz. 222, 224.
Maar wanneer hebben „christenen” Gods naam, in zijn Tetragramvorm, zoals die in hun Griekse vertalingen van de Hebreeuwse Geschriften voorkwam, dan door de titels Kurios (Heer) en ho Theos (de God) vervangen? Als wij dit kunnen vaststellen, zal dit licht werpen op de vraag of de schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften Gods naam werkelijk in hun geïnspireerde geschriften hebben gebruikt en of de vroegste exemplaren van hun oorspronkelijke geschriften de goddelijke naam bevatten.
WANNEER DE GODDELIJKE NAAM WERD VERVANGEN
De vervanging van Gods naam, zoals deze in de Tetragramvorm in de christelijke Griekse Geschriften voorkwam, geschiedde klaarblijkelijk in de eeuwen na de dood van Jezus en zijn apostelen. Dit blijkt wel uit het feit dat de goddelijke naam in de Griekse vertalingen van het „Oude Testament”, of de Hebreeuwse Geschriften, die in de eerste eeuwen van de gewone tijdrekening door belijdende christenen werden vervaardigd, wordt aangetroffen. In Aquila’s Griekse vertaling, die uit omstreeks 128 G.T. dateert, verscheen het Tetragram bijvoorbeeld nog steeds in Hebreeuwse lettertekens.
Omstreeks 245 G.T. vervaardigde de vermaarde geleerde Orígenes bovendien zijn Hexapla, een uit zes kolommen bestaande vertolking van de geïnspireerde Hebreeuwse Geschriften. Op grond van de fragmentarische exemplaren die thans bekend zijn, zegt professor W. G. Waddell: „In Orígenes’ Hexapla . . . gaven de Griekse vertalingen van Aquila, Symmachus en LXX [Septuaginta] alle JHWH met ΠΙΠΙ weer; in de tweede kolom van de Hexapla stond het Tetragram in Hebreeuwse lettertekens.”a Anderen geloven dat het Tetragram in de oorspronkelijke tekst van Orígenes’ Hexapla in alle kolommen in Hebreeuwse lettertekens werd gebruikt. Orígenes zelf verklaarde dat „DE NAAM in de meest betrouwbare handschriften in Hebreeuwse lettertekens voorkomt, dat wil zeggen niet in modern, maar in oud Hebreeuws”.
In de vierde eeuw nog zegt Hiëronymus, de vertaler die de Latijnse Vulgata voortbracht, in zijn Prologus Galeatus, welke aan de boeken Samuël en Maleachi voorafging: „De uit vier letters bestaande naam van God (d.i., יהוה) treffen wij zelfs tot op deze huidige dag in bepaalde Griekse boekwerken nog steeds in de oude lettertekens aan.”
Wat wordt door deze inlichtingen te kennen gegeven? Er wordt duidelijk door aangetoond dat de zogenaamde „christenen” die in de Septuagint-exemplaren „het Tetragram door kurios [hebben] vervangen”, niet de eerste discipelen van Jezus waren. Het waren personen uit latere eeuwen, toen de voorzegde afval zich reeds duidelijk had ontwikkeld en de zuiverheid van de christelijke leer had verdorven. — 2 Thess. 2:3; 1 Tim. 4:1.
DOOR JEZUS EN ZIJN DISCIPELEN GEBRUIKT
Er kan dus op grond van onweerlegbare bewijzen worden gezegd dat Gods naam in exemplaren van de Schrift voorkomt die in de tijd van Jezus en zijn discipelen werden gebruikt, zowel in Hebreeuwse handschriften als in Griekse vertalingen ervan. Deze mannen hebben beslist de goddelijke naam gebruikt als zij uit zulke exemplaren van de Schrift voorlazen en de mensen erin onderwezen. Jezus Christus had hen hierin stellig het voorbeeld gegeven door de naam van zijn Vader te verheerlijken.
Beschouw de naam „Jezus” eens. Dit was de naam die Maria volgens de opdracht van de hemelse engel aan het kind moest geven dat uit haar geboren zou worden (Luk. 1:30, 31). En in die naam „Jezus” wordt Gods naam op de voorgrond geplaatst, want in het Hebreeuws betekent deze naam „Redding van Jah [Jehovah]”.
Wat meer is, Jezus heeft de naam van zijn Vader in zijn bediening herhaaldelijk aan de mensen bekendgemaakt. Hij leerde zijn discipelen bijvoorbeeld bidden: „Onze Vader in de hemelen, uw naam worde geheiligd” (Matth. 6:9). Zijn werken, zo zei hij, deed hij „in de naam van [zijn] Vader” (Joh. 10:25). En in het gebed dat hij op de avond van zijn dood opzond, zei hij dat hij ’de naam van zijn Vader openbaar gemaakt had’ aan zijn discipelen. — Joh. 17:6, 26.
Met het oog op dit alles kunnen wij beslist zeggen dat Jezus, als hij de Hebreeuwse Geschriften aanhaalde of eruit voorlas, de goddelijke naam, Jehovah, gebruikte. Hij zal dit bijvoorbeeld gedaan hebben toen hij Deuteronomium 8:3 uit de Hebreeuwse Geschriften aanhaalde en zei: „Er staat geschreven: ’De mens moet niet van brood alleen leven, doch van elke uitspraak die uit Jehovah’s mond voortkomt.’” (Matth. 4:4; vergelijk ook Matthéüs 22:37 met Deuteronomium 6:5; Matthéüs 22:44 met Psalm 110:1 en Lukas 4:16-21 met Jesaja 61:1, 2.) Het is dan ook alleen maar logisch wanneer die discipelen van Jezus die ertoe geïnspireerd werden de christelijke Griekse Geschriften op te tekenen, het voorbeeld van hun Meester navolgden door de goddelijke naam te gebruiken en deze aldus in hun bijbelse Geschriften op te nemen.
Hoe komt het dan dat de naam niet voorkomt in de oude handschriften van de christelijke Griekse Geschriften of het zogenoemde „Nieuwe Testament” die thans voorhanden zijn? Klaarblijkelijk doordat de oorspronkelijke tekst van de geschriften van de apostelen en discipelen tegen de tijd dat die oude exemplaren werden vervaardigd, hetgeen vanaf de derde eeuw G.T. en daarna gebeurde, was veranderd. De goddelijke naam (mogelijk in Tetragramvorm) werd door latere afschrijvers ongetwijfeld vervangen door Kurios en ho Theos, precies wat volgens de feiten in latere exemplaren van de Septuaginta-vertaling van de Hebreeuwse Geschriften is gebeurd.
In het besef dat dit het geval geweest moet zijn, hebben sommige vertalers de naam „Jehovah” in hun weergave van de christelijke Griekse Geschriften opgenomen. Hier bestaat een deugdelijke basis voor. Ja, Gods naam hoort in de gehele bijbel thuis.
[Voetnoten]
a The Journal of Theological Studies, Deel XLV, juli-oktober 1944, blz. 158, 159.