Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w71 1/9 blz. 517-519
  • Een God die zorgt

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een God die zorgt
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ZORG KENBAAR IN DE SCHEPPING
  • BEWIJS UIT DE ECOLOGIE
  • JOB ONDERWEES DAT GOD ZORGT
  • Insekten
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Insekten — Een zegen of een vloek?
    Ontwaakt! 1973
  • Voortreffelijke gaven waardoor de God van liefde wordt geopenbaard
    Het leven heeft wel degelijk een doel
  • Insekten
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
w71 1/9 blz. 517-519

Een God die zorgt

HOE weten wij dat God goed is? Waarom zou de Almachtige God niet evengoed slecht kunnen zijn of op zijn minst iets slechts in zich kunnen hebben? Hoe weten wij dat hij werkelijk goed voor de mensheid zorgt en om de mensen geeft?

Dit zijn vragen die bij iemand kunnen opkomen wanneer hij de verklaring van de psalmist beschouwt: „Goed en oprecht is Jehovah” en Jezus’ woorden leest: „Niemand is goed, behalve één.” — Ps. 25:8; Mark. 10:18.

Wil God goed zijn, dan moet hij beslist een God zijn die om zijn schepping geeft, die zich om elk deel ervan bekommert. Hij moet een God zijn die voor zijn schepselen zorgt en in hun onderhoud voorziet.

Indien God goed is, moet hij bovendien meer verschaffen dan alleen maar het stoffelijke onderhoud voor zijn menselijke schepping. Hij moet er ook regelingen voor treffen dat ’s mensen geest door middel van de vijf zintuigen wordt gevoed. Gods met verstand begiftigde schepselen zijn er klaarblijkelijk niet voor gemaakt een saai en monotoon leven te leiden — alleen maar te bestaan; zij beschikken over het vermogen om hun omgeving te waarderen en ervan te genieten. In het geval van de mens dient zijn tehuis — de aarde — datgene te bezitten wat hem vreugde en geluk zal schenken. Wordt dit door de feiten te kennen gegeven?

ZORG KENBAAR IN DE SCHEPPING

Om te beginnen zal een blik op de schepping ons klaarheid verschaffen. Beschouw de produktiviteit van de aarde eens. Wanneer ze goed wordt bebouwd en verzorgd, draagt ze overvloedig vrucht. Mediteer eens over het wonder van een vruchtboom. Zulke bomen zijn in werkelijkheid fruit-„fabrieken”. Hun takken hangen zwaar van een verbazingwekkend groot aantal voedzame produkten. Ze werken rustig en zonder verontreiniging: geen rook, straling of rustverstoring. Stelt u zich eens voor waarop een door mensen gemaakte fabriek zou lijken (als die uitgevonden zou kunnen worden) die de opbrengst van een boomgaard zou leveren. Denk eens aan het lawaai, de verontreiniging en de onooglijkheid die daar het gevolg van zouden zijn!

Vruchtbomen, die voedsel produceren, zijn tevens een lust voor het oog, terwijl het aangenaam is in een boomgaard te kuieren. Ze voorzien bovendien in schaduw en ze verfrissen de atmosfeer, aangezien ze zuurstof afgeven.

Hier komt nog bij dat hun vruchten meer zijn dan alleen maar voedsel. Ze zijn verrukkelijk en het is een genot ze te eten, hetgeen trouwens van alle voedsel gezegd kan worden waarin God heeft voorzien.

Dan is er de enorme kleurenpracht waarvan de hele schepping vervuld is, de geur en de schoonheid van bloemen, de indrukwekkende zonsondergangen en talloze andere dingen op aarde in de grootste verscheidenheid. Al deze aangename dingen zijn „extraatjes”, speciale „premie”-gaven als het ware, ten einde de zintuigen te strelen.

Toch zullen sommigen hier bezwaar tegen maken en zeggen dat de geur van bloemen, de kleuren, enzovoort, noodzakelijk zijn aangezien ze insekten aantrekken die de planten bestuiven. Misschien is dat waar. Maar als dat functionele doel de enige reden is voor het bestaan van deze „extraatjes”, hoe komt het dan dat ze ook zo’n bron van verrukking zijn en de mens zo’n vrede des geestes en zo’n gevoel van welbehagen schenken?

De bijbel zegt ons dat de mens naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen en net als zijn Schepper de hoedanigheid bezit dingen te waarderen (Gen. 1:26). Dat God deze schitterende en aangename dingen aan ons heeft verschaft, vormt er een bewijs voor dat hij zijn schepping liefheeft en voor de allerkleinste details ervan zorgt. Een God van het kwade of waarin enig kwaad zou zetelen, zou nooit zo royaal en zo liefdevol voor alles zorgen, op een wijze die het voorstellingsvermogen van de mens totaal te boven gaat.

Denk bovendien eens aan de zorg waarmee de aarde, en vooral dat wat erop leeft, is ontworpen. Alles past bij de omstandigheden waarin het leeft en voelt zich er wel bij. De mens past zich aan de verschillende klimaten op aarde aan, maar de meeste schepselen voelen zich niet zo behaaglijk en prettig wanneer zij uit hun natuurlijke omgeving zijn weggehaald, en sommigen kunnen op een andere plaats zelfs niet eens in leven blijven. De samengesteldheid en ingewikkeldheid, de onderlinge afhankelijkheid en de absolute noodzaak van elk soort van leven voor het leven van andere soorten, zou niet het voortbrengsel kunnen zijn van een God die zich nergens wat van aantrekt.

BEWIJS UIT DE ECOLOGIE

Ecologen zijn geleerden die er een studie van maken hoe al het leven in een gebied, het biologische of biotische milieu, in verband staat tot elkaar en tot het fysische milieu van aarde, water, lucht en energie. Er is een energiecyclus in de „voedselketen”. Bovendien hebben ecologen ontdekt dat hoe grondiger men een bepaald dier bestudeert, des te duidelijker aan het licht treedt dat deze diersoort absoluut onontbeerlijk voor de ecologie van dat gebied is. De ene soort van dierlijk leven kan niet blijven bestaan wanneer bepaalde andere soorten worden weggenomen; en een verstoring van het ecologische evenwicht betekent rampspoed voor andere vormen van leven, waardoor zelfs de mens getroffen wordt.

Beschouw als slechts één voorbeeld het nederige insekt. Wanneer het woord insekten valt, is er gewoonlijk een gevoel van afkeer en schiet het woordje „plaag” in de gedachten. Wanneer echter de insektenwereld, die uit veel meer soorten bestaat dan al het andere dierlijke leven, wordt onderzocht, wordt het duidelijk dat er afgezien van de mensheid zelf geen ander gebied van de natuurlijke schepping is waar Gods zorg meer op de voorgrond treedt. Denkt u maar eens na over datgene wat C. D. Duncan, hoogleraar in de entomologie en de plantkunde aan het San Jose State College, in het jaarrapport van het Smithsonian Instituut (1947) schreef:

„De insektensoorten die schadelijk zijn voor het menselijke welzijn of de mens vijandig gezind zijn, vormen in werkelijkheid slechts een klein deel van het totaal van het insektenleven en . . . de grote meerderheid van de insekten is òf direct òf indirect nuttig voor de mens of bevindt zich in een neutrale categorie. Dr. F. Lutz heeft geschat dat niet meer dan een half of één percent van alle insekten in de Verenigde Staten werkelijk een plaag vormt.”

Betreffende de diensten die insekten in de bossen verrichten, zegt het artikel:

„Het is derhalve duidelijk dat onze bossen zonder de nuttige diensten van talloze bosinsekten nooit hun huidige pracht hadden gekregen; hun produktiviteit zou veel geringer zijn dan deze thans is, het timmerhout zou inferieur zijn, de bossen zouden minder geschikt zijn als tehuis voor nuttige, in het wild levende dieren en de waarde ervan op esthetisch gebied en voor ontspanningsdoeleinden zou veel geringer zijn als thans het geval is. Ze zouden bovendien een warnet vertonen van dode takken en kleine bomen die een brandgevaar zouden leveren dat veel groter is dan men thans kent, of, wat nog waarschijnlijker is, ze zouden zo veelvuldig door vernietigende branden worden geteisterd dat ze nooit de status van een volgroeid bos bereikt zouden hebben zoals wij dit thans kennen.”

En in verband met de bijdrage die insekten leveren tot de vruchtbaarheid van de grond, wordt P. Knight geciteerd:

1. Bodemorganismen veroorzaken een voortdurende uitwisseling van gronddeeltjes door deeltjes van de ondergrond naar de oppervlakte te brengen. De geleidelijke verrijking van deze gronddeeltjes doet de dikte van de rijke bovenlaag toenemen. 2. De gangen die bodemorganismen graven, voorzien in een betere afwatering en een betere aëratie (bodemademhaling). 3. De dode lichamen van dieren zoals insekten en wormen verrijken de grond met een grote hoeveelheid organisch materiaal. 4. De excrementen van insekten laten zich wat hun waarde voor de vruchtbaarheid betreft, gunstig vergelijken met de uitscheidingsprodukten van andere dieren. Hoewel de uitscheidingsprodukten van één insekt oneindig klein zijn, overtreft de totale hoeveelheid van alle van insekten afkomstige excrementen die van de grotere dieren en vormt ze een belangrijke factor in de vruchtbaarheid van de bodem.”

Professor Duncan besluit: „Het is niet overdreven te zeggen dat insekten het karakter van de wereld van de mens in een veel grotere mate bepalen dan de mens zelf, en dat als ze plotseling helemaal van het toneel zouden verdwijnen, de wereld zo enorm zou veranderen dat het uiterst twijfelachtig is of de mens de een of andere georganiseerde maatschappij zou kunnen handhaven.”

Na Adams zonde en het daaruit voortvloeiende gemis aan leiding van God heeft de onevenwichtigheid die werd teweeggebracht door de wijze waarop de mens met de aarde en het dierenleven omsprong, tot gevolg gehad dat bepaalde dieren, vooral insekten, een „plaag” werden. Ook hebben de onreinheid van de mens en door hem veroorzaakte verontreiniging en verstoring van de ecologie door sommige levensvormen uit te roeien, een grote toename in bepaalde insektensoorten tot gevolg gehad. Waarnemingen zullen onthullen dat insekten voornamelijk de afvalprodukten of de zieke of verrotte delen van een plant of dier aanvallen. Voor een groot deel zijn ze nuttige aasdieren. Doordat de mens evenwel het evenwicht heeft verstoord, zijn er zulke zwermen insekten gekomen dat ze het persoonlijke domein van de mens zijn binnengedrongen. Insekten gaan zich dan te goed doen aan de voedselvoorraden van de mens en bevuilen zijn eigendommen. Een voorbeeld hiervan wordt in grote steden aangetroffen, waar afval en rioolwater grote zwermen vliegen en andere insekten, alsmede ratten en andere knaagdieren aantrekken.

JOB ONDERWEES DAT GOD ZORGT

Jehovah God, de Schepper, sprak vanuit een storm tot zijn dienstknecht Job en vestigde diens aandacht op Zijn scheppingswerken en op de wijze waarop Hij ze ten behoeve van de aarde en de daarop levende schepselen aanwendt (Job, de hoofdstukken 38, 39). Hij vroeg Job:

„Kunt gij voor een leeuw een prooi jagen

En kunt gij de grage eetlust van jonge leeuwen bevredigen,

Wanneer ze ineenduiken in de schuilplaatsen,

Of blijven liggen in de schuilhoek van kreupelhout voor een hinderlaag?

Wie bereidt voor de raaf zijn voedsel,

Wanneer zijn eigen jongen tot God krijsen om hulp?”

— Job 38:39-41.

De bijbelcommentator M. Henry schrijft: „God toont Job hier aan hoe weinig hij bekend was met de ongetemde schepselen die vrij in het wild rondlopen maar onder de zorg staan van de Goddelijke Voorzienigheid.”

Aangezien God zo zorgvuldig voor de dieren zorgt, hoeveel groter is dan zijn liefdevolle zorg voor de mens! Jezus Christus, die de Vader beter kende dan ieder ander, vertroostte zijn discipelen met de woorden: „Worden niet twee mussen voor een geldstuk van geringe waarde verkocht? Toch zal er niet één van op de grond vallen zonder medeweten van uw Vader. Vreest daarom niet: gij zijt meer waard dan vele mussen.” — Matth. 10:29, 31; 11:27.

Wanneer wij de alles overtreffende liefdevolle zorg waarderen die God alleen al in de schepping ten toon heeft gespreid, hoe ijverig dienen wij er dan moeite voor te doen om niet alleen meer aandacht te schenken aan de schepping, maar vooral aan Gods Woord, door middel waarvan hij rechtstreeks contact onderhoudt met ons, die hij liefheeft. Daarin vinden wij zijn grootse voornemen met betrekking tot degenen die hem dienen, een voornemen dat menselijke ogen nooit zouden kunnen waarnemen en dat nooit in de geest van mensen zou kunnen opkomen (1 Kor. 2:9, 10). Ja, Hij is werkelijk zoals de psalmist Hem heeft beschreven:

„Gij zijt mijn Goddelijke, en ik zal u prijzen;

Mijn God — ik zal u verhogen.

Dankt Jehovah, want hij is goed;

Want zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde tijd.”

— Ps. 118:28, 29.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen