Pionieren — Een levenswijze
Zoals verteld door John T. Hemmaway
MIJN vrouw en ik zijn nu over de zeventig, inderdaad op leeftijd, maar wij bezitten een rijkdom aan herinneringen die wij koesteren en heel graag doorvertellen aan degenen die na ons komen (Ps. 78:6, 7). Waarom zijn deze herinneringen zo kostbaar? Omdat ze te maken hebben met dingen die wij mochten doen als gevolg van de onverdiende goedheid van Jehovah, „de Meester van de oogst”, en zijn medewerker, Christus Jezus. Zou u een paar van deze herinneringen willen vernemen?
In 1922, in de moeilijke jaren na de Eerste Wereldoorlog, leidde mijn verlangen naar een uitleg van de wereldellende mij naar de planken van onze boekenkast thuis. Mijn belangstelling ging uit naar een serie boeken met zilveren opdruk, getiteld „Schriftstudiën”. Ik had ze al vaak gezien, maar nu besloot ik ze te lezen. En weet u wat het geval was? Ik vond op de bladzijden ervan precies wat ik nodig had, wat ik het belangrijkste vond in het leven.
Mijn volgende stap was inlichtingen in te winnen over de vergaderplaats van de Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s getuigen destijds bekendstonden. Aan het einde van de eerste vergadering die ik bijwoonde, werd er een oproep gedaan voor vrijwilligers, en de volgende zaterdag hielp ik reeds bij de verspreiding van brochures die het schriftuurlijke standpunt over de doden en het spiritisme uiteenzetten. Dat kenmerkte het begin van een voldoening-schenkend leven dat talloze geestelijke beloningen heeft afgeworpen.
In datzelfde jaar ontmoette ik mijn toekomstige vrouw, Daisy Manning. Wij danken Jehovah van harte voor zijn goedheid dat hij ons bijeen heeft gehouden en ons heeft toegestaan een leven van samenwerking in zijn dienst te leiden.
In dat decennium van de jaren twintig leek het ons toe dat maar weinig mensen aan Gods boodschap voor die tijd aandacht schonken, maar sindsdien zijn wij te weten gekomen dat er vele duizenden geweest moeten zijn die in deze periode een leven van opdracht aan God zijn begonnen. Sinds wij in 1924 actief als „pioniers” aan de volle-tijdprediking begonnen deel te nemen, hebben wij velen van hen leren kennen en liefhebben. Anderen hopen wij op die grootse vergadering van „de gemeente van de eerstgeborenen”, waarover in Hebreeën 12:23 wordt gesproken, te ontmoeten.
In 1928 verlieten wij Engeland om het internationale congres van Bijbelonderzoekers in Detroit, in de Amerikaanse staat Michigan, bij te wonen. Wij vernamen dat er nog veel gebied met de Koninkrijksboodschap bewerkt moest worden, en daarom besloten wij onze pionierbediening op dat continent voort te zetten. Na tijdelijk op het Canadese bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Toronto gewerkt te hebben, dienden wij een verzoek in om als permanente bewoners in de Verenigde Staten toegelaten te worden. Van die tijd af hebben wij als pioniers of volle-tijdwerkers county na county en staat na staat afgewerkt, totdat wij zo’n dertig counties in acht staten hadden bewerkt.
PIONIERSPROBLEMEN OPLOSSEN
Ja, pionieren gaat met problemen gepaard, maar op zijn minst omvatten ze geen mopperige baas of onprettige collega’s of slechte werkomstandigheden of onaangenaam werk. De volle-tijdbediening of pioniersdienst hield iemand in die dagen wel bezig met reizen en trekken, want het ging er voornamelijk om het gebied met bijbelse lectuur te bewerken en de mensen in de kortst mogelijke tijd te helpen hun eigen gezins-bijbelstudie te organiseren. Wij moesten bereid zijn vaak te verhuizen en grote afstanden af te leggen.
Wij hadden gehoord dat sommige pioniers hun uitgaven drukten door hun eigen huis op wielen te bouwen, en daarom hielp een medegetuige uit Youngstown, Ohio, ons zo’n huis te bouwen.
Toen wij een korte tijd in de staat Kentucky waren, deden wij een bijzonder vreugdevolle ervaring op. Wij maakten een stuk land vlak bij de hoofdweg gereed voor de plaatsing van ons huis. Elke ochtend waren wij daar tussen zes en acht uur bezig. Op zekere morgen kwam er een staatspolitieagent ons erf op; hij parkeerde zijn auto in de richting van de weg, met de motor nog aan, en kwam naar ons toe. „Ik ben alleen maar nieuwsgierig wat u hier doet”, zei hij.
Het gesprek kwam al gauw op de bijbelse boodschap, en terwijl hij de hoofdweg in de gaten hield, luisterde hij naar ons getuigenis. Hij gaf toe dat het zijn geweten niet met rust liet dat hij krachtens zijn functie of uit zelfverdediging in de positie verkeerde iemand te moeten doden. Hij ging verder met patrouilleren maar kwam later terug, en er werden regelingen voor een studie met zowel hem als zijn vrouw getroffen. Zij maakten uitstekende vorderingen. Na verloop van tijd nam hij zijn ontslag bij de politie, en nu heeft hij een betrekking in Texas, met een zuiver geweten. Zijn vrouw werd onlangs gedoopt, en hij zal haar hopelijk spoedig volgen. Zij schrijven ons alsof wij hun nader staan dan familieleden.
De tijd zou me ontbreken als ik al de wonderbaarlijke dingen zou moeten vertellen die wij hebben meegemaakt doordat wij de pioniersdienst tot onze levenswijze hebben gemaakt. Herhaaldelijk komen er op congressen mensen naar ons toe die zeggen: „Kennen jullie ons nog? Jullie waren de eersten die de Koninkrijksboodschap aan ons vertelden.” En als wij geen pioniers waren geweest, zouden wij in 1938 niet het voorrecht hebben ontvangen in de „zonedienst” aangesteld te worden. Die dienst staat nu bekend als „kringwerk”, want het omvat de taak als speciale vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap een kring van gemeenten te bezoeken ten einde die gemeenten te helpen in hun dienst voor Jehovah vorderingen te maken.
In deze tak van dienst zagen wij uit de eerste hand de wonderbaarlijke expansie van de Koninkrijksbelangen en de oprichting en groei van vele nieuwe gemeenten, vooral nadat de opzieners en dienaren in de bediening van de gemeenten op theocratische wijze werden aangesteld. Tot die tijd geschiedden de aanstellingen op democratische wijze, doordat elkeen door stemming zijn keuze kenbaar maakte. Wat hebben wij vanaf dat begin van de theocratische organisatie een lange weg afgelegd tot deze tijd, nu wij het onschatbare handboek „Uw Woord is een lamp voor mijn voet” en het maandblad Koninkrijksdienst hebben, welke vol staan met suggesties voor onze bediening.
PIONIEREN IN HET BUITENLAND
Met de dood van de tweede president van het Genootschap, J. F. Rutherford, en de verkiezing van de derde president, N. H. Knorr, brak er voor degenen die de pioniersdienst tot hun levenswijze hadden gemaakt, een tijdperk van expansie en steeds grotere voorrechten aan. Nu werden wij in de gelegenheid gesteld de vijfde klas van de zendingsschool Gilead van het Genootschap te doorlopen. Nadat wij de vijfmaandse studiecursus hadden voltooid, werden wij aan Brits Guyana toegewezen. Wat opwindend! Ja, en hoe voldoening schenkend!
Om op de vuile vloer van een palmhut te zitten en met de Hindoes of Indianen over Gods koninkrijk te spreken en hun een werkelijke nieuwe levenswijze te leren, schenkt een ongekende voldoening. Wanneer men dan ziet dat deze nederige mensen gunstig op het bijbelse onderwijs reageren en vervolgens bereidwillig hun leven aan God opdragen, ervaart men iets wat men nooit meer zal vergeten.
Toen wij in Guyana waren, besteedden wij gewoonlijk zogenaamde vakantieperiodes om getuigenis te geven aan allen die wij in het binnenland van het noordwestelijke district, 320 kilometer van de kust en aan de grens van Venezuela, tegenkwamen. De bewoners waren Indianen van verschillende stammen, plus het mengsel van zes natiën waaruit het merendeel van de bevolking van het land bestaat. Wij moesten van veerboten, bussen, treinen en vrachtwagens gebruik maken om op onze plaats van bestemming aan te komen. Wij namen etenswaar, lectuur, persoonlijke bagage en een fiets mee — een fiets om de slechte wegen te berijden die naar de paden van de Indianen leiden.
Deze paden gaan alle richtingen uit en bij een kruispunt van paden moet men zijn herinneringsvermogen gebruiken of een paar takken afbreken om een veilige terugkeer te verzekeren. Wanneer men een vertegenwoordiger van de kattenfamilie op het pad tegenkomt, is het de gewoonte volkomen stil te staan en het dier strak aan te kijken. Uiteindelijk zal het rustig uit de weg gaan. Apen passeren hoog in de boomtoppen en schreeuwen luid hun protest tegen binnendringers, terwijl de luiaard, die op zijn kop hangt, iemand traag zal nakijken als hij langs komt. Sta echter niet stil om hem te aaien, want hij heeft kwaadaardige klauwen en dat langzame uiterlijk van hem is maar een vernisje. Hier en daar kan men op open plekken een glimp ontdekken van kleurrijke toekans die zich met de vruchten van de papaja voeden.
Als wij terugzien, herinneren wij ons vooral de geestdrift waarmee mensen grote afstanden aflegden om onze film van een internationaal congres van Jehovah’s getuigen te zien. Stel u eens voor dat u zich op een grote open plek in het oerwoud bevindt, waar officiële gebouwen, met inbegrip van een politiebureau, zijn gevestigd. Hier, onder de blote hemel, hadden wij een grote menigte belangstellende kijkers. Ook toen wij bij een zekere gelegenheid op een stoomboot, die een rivier afvoer, huiswaarts keerden, was er een grote vraag naar onze filmvertoning. Met toestemming van de kapitein werd het doek op het dek opgesteld en werd de projector vanuit het raam van een hut bediend. Er waren katholieke en anglicaanse priesters aan boord. Hoewel zij zich op het land niet hadden verwaardigd de film te zien, waren zij nu, misschien onwillige, kijkers aan boord. Het was zelfs zo dat wij de film vanuit hun hut vertoonden. De passagiers bestormden hen later met vragen die alleen door Jehovah’s getuigen beantwoord konden worden.
Onze vijftien jaren in Guyana zijn maar al te snel voorbijgegaan. Daar hebben wij ook veel bewijzen gezien van Jehovah’s zegen op de pioniersdienst, want wij hebben ervaren hoe heel veel mensen hun waardering voor Gods grootse boodschap van hoop voor alle mensen uitstraalden. Door onze zwakke gezondheid waren wij gedwongen naar de Verenigde Staten terug te keren, maar wij hebben meegemaakt dat het aantal Koninkrijkspredikers in Guyana van 50 tot 800 is gegroeid, en op het ogenblik zijn er in Guyana ruim duizend vreugdevolle bekendmakers van Jehovah’s naam.
Ja, onze levenswijze als pioniers is boordevol geweest van de grootste vreugden, vreugden die niet door de zelfzucht van een leven in de wereld werden verduisterd. Wij zijn dankbaar voor de mate van gezondheid en kracht die wij nog bezitten, waardoor wij in staat zijn in de vreugde-schenkende pioniersdienst voort te gaan. Onze levenswijze heeft ons geholpen ons bewust te zijn van een intieme persoonlijke verhouding tot Jehovah God en zijn Zoon, Christus Jezus.
De oproep tot de jongeren, in alle gemeenten van Jehovah’s volk, tot degenen die geen verplichtingen hebben, is stellig luid en duidelijk. De oproep voor de pionierslevenswijze is dringend. Degenen die hier gunstig op reageren en gedurende de onmiddellijk voor ons liggende tijd ijverig werken, zullen de grote voldoening smaken dat zij Jehovah’s wil doen en kostbare herinneringen vergaren.