Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w69 1/12 blz. 709-712
  • De ontwikkeling van de drieëenheid in de geloofsbelijdenissen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De ontwikkeling van de drieëenheid in de geloofsbelijdenissen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ONBEKEND AAN VROEGE KERKVADERS
  • DE APOSTOLISCHE GELOOFSBELIJDENIS
  • DE GELOOFSBELIJDENIS VAN NICEA
  • DE GELOOFSBELIJDENIS VAN ATHANASIUS
  • WIJD EN ZIJD AANVAARD
  • EEN ONSCHRIFTUURLIJKE GEDACHTE
  • Deel 4 — Wanneer en hoe heeft de Drieëenheidsleer zich ontwikkeld?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1992
  • Geloofsbelijdenissen — Hebben ze enige functie in de ware aanbidding?
    Ontwaakt! 1985
  • Is God een drie-eenheid?
    Ontwaakt! 2013
  • Hoe heeft deze leer zich ontwikkeld?
    Moet u geloof stellen in de Drieëenheid?
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1969
w69 1/12 blz. 709-712

De ontwikkeling van de drieëenheid in de geloofsbelijdenissen

WAARSCHIJNLIJK de meeste kerkgangers in deze tijd geloven dat Jezus Christus en zijn apostelen de leerstelling van de Drieëenheid hebben ontwikkeld. Professor E. Washburn Hopkins verklaart echter in zijn boek Origin and Evolution of Religion op bladzijde 336: „Aan Jezus en Paulus was de leerstelling van de drieëenheid klaarblijkelijk onbekend; zij zeggen er in elk geval niets over.” Zij hebben geen geloofsbelijdenis geformuleerd waarin een Drieëenheid wordt omschreven.

Het woord „drieëenheid” komt in feite zelfs niet eenmaal in de bijbel voor en men treft er evenmin zulke uitdrukkingen in aan als „één God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest”, of „één in wezen met de Vader”. Integendeel, de bijbel spreekt over Christus als „het begin van de schepping door God”, en zegt dat „God het hoofd van de Christus” is (Openb. 3:14; 1 Kor. 11:3). Zo zegt de New Catholic Encyclopedia over de Drieëenheid: „Ze is niet, zoals reeds is gebleken, direct en rechtstreeks het woord van God.” — Deel 14, blz. 304.

ONBEKEND AAN VROEGE KERKVADERS

Het begrip van ’drie personen in één God’ werd ook niet onmiddellijk na de dood van Jezus en zijn apostelen ontwikkeld. Dit wordt opgemerkt door de episcopale hoogleraar in de kerkgeschiedenis, J. A. Muller, die schrijft: „Dit ontbreken van een geformuleerde leerstelling van de Drieëenheid geeft de theologische gedachte van de tweede eeuw weer. In de werken van Justinus Martyr, die omstreeks 150 n. Chr. heeft geschreven, wordt de nadruk gelegd op het voorbestaan van de Zoon, maar met betrekking tot de Vader wordt er over Hem gezegd dat hij ’op de tweede plaats’ komt.” — Creeds and Loyalty, blz. 9.

Zelfs tegen het eind van de tweede eeuw sprak de vooraanstaande kerkvader Irenaeus over Christus als zijnde ondergeschikt aan God, niet gelijk aan hem. — Zie Oud-Christelijke Geschriften, Irenaeüs II, blz. 71.

De Drieëenheid was aan de vroege kerkvaders dus onbekend. In werkelijkheid werd de opvatting van ’drie personen in één God’ pas ongeveer 400 jaar of langer na de dood van Christus door mensen geformuleerd en in de kerk ingevoerd.

DE APOSTOLISCHE GELOOFSBELIJDENIS

„Maar”, zo werpen sommigen wellicht tegen, „hebben niet de apostelen zelf de Apostolische geloofsbelijdenis opgesteld en wordt hierin niet de Drieëenheid geleerd?”

Eeuwenlang is geleerd, en vroom geloofd, dat de apostelen deze geloofsbelijdenis hebben geschreven. Deze bewering is echter onwaar gebleken. De bewijzen onthullen in werkelijkheid dat de „Apostolische geloofsbelijdenis” door mensen werd ontworpen die honderden jaren later hebben geleefd!

In The Faith of Christendom, een naslagwerk over geloofsovertuigingen en -belijdenissen, uitgegeven door B. A. Gerrish, wordt opgemerkt: „Verre dus van door de apostelen persoonlijk te zijn opgesteld, hebben wij geen reden aan te nemen dat de geloofsbelijdenis die hun titel draagt, minder dan vijfhonderd jaar na hun tijd is verschenen.” Gaat u eens de onderstaande Apostolische geloofsbelijdenis na:

„Ik geloof in God de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde. En in Jesus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer; die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de Maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven; die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden; die opgestegen is ten hemel, zit aan de rechterhand van God de almachtige Vader; van daar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden. Ik geloof in de Heilige Geest; de heilige katholieke Kerk; de gemeenschap van de heiligen; de vergeving van de zonden; de verrijzenis van het lichaam; het eeuwige leven. Amen.”a

U ziet dat hier nergens wordt gezegd dat God, Jezus Christus en de Heilige Geest „één God” zijn. In de jaren dat de Apostolische geloofsbelijdenis werd geformuleerd, ontstond er echter een hevige controverse over de natuur van Christus. Wat was nu precies zijn verhouding tot God? Was hij minder dan en onderscheiden van God, of was Jezus God zelf?

DE GELOOFSBELIJDENIS VAN NICEA

Tegen de vierde eeuw betoogden sommige kerkvaders, onder wie de jonge aartsdeken Athanasius, dat Jezus en God één en dezelfde persoon waren. Mannen zoals de presbyter Aríus hielden daarentegen aan het standpunt van de bijbel vast dat Jezus door God werd geschapen en ondergeschikt aan zijn Vader was. In 325 G.T. kwam te Nicea, in Klein Azië, een door de Romeinse keizer Constantijn bijeengeroepen concilie samen om over deze geschilpunten te beslissen. Op dit concilie steunde de heidense keizer Constantijn de zijde van Athanasius. De denkbeelden die Aríus naar voren bracht, werden derhalve, hoewel ze stevig op de bijbel waren gegrond, als ketters beschouwd.

Zo volgde er een ’geëxperimenteer met woorden en verduidelijking van zinsneden’ ten einde een geloofswapen te smeden dat gebruikt kon worden tegen hen die van oordeel waren dat Christus een begin had en niet van dezelfde zelfstandigheid als de Vader was. De geloofsbelijdenis van Nicea was in haar oorspronkelijke vorm duidelijk ontworpen om het standpunt van Aríus te bestrijden. Ze eindigde met de volgende uitspraak, die later uit de geloofsbelijdenis werd weggelaten:

„Zij echter die zeggen dat er een tijd was dat hij niet was, of dat hij niet was voordat hij werd geboren; of dat hij werd gemaakt van wat geen aanzijn had; of die bevestigen dat de Zoon van God van enige andere zelfstandigheid of essentie, of geschapen, of variabel, of mutabel is, dezulken worden door de Katholieke Apostolische Kerk vervloekt.”b

Eveneens opmerkelijk is het feit dat in de geloofsbelijdenis die oorspronkelijk in Nicea werd opgesteld, geen persoonlijkheid aan de Heilige Geest werd toegekend. In latere toevoegingen, die naar men denkt op het Concilie van Constantinopel in 381 G.T. werden gemaakt, werd dit echter wel gedaan. De geloofsbelijdenis die in 325 G.T. te Nicea werd opgesteld, met de wijzigingen die er later in werden aangebracht, is in de geschiedenis bekend komen te staan als de geloofsbelijdenis van Nicea. Ze luidt als volgt:

„Ik geloof in één God, Vader almachtig, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. En in één Heer Jesus Christus, Gods eniggeboren Zoon. En uit de Vader geboren vóór alle eeuwen. God van God, Licht van Licht, ware God van de ware God. Geboren, niet gemaakt, één in wezen met de Vader; door Hem zijn alle dingen gemaakt. Die om ons mensen en om ons heil uit de hemel is nedergedaald. En het vlees heeft aangenomen door de Heilige Geest uit de Maagd Maria, en mens is geworden. Die voor ons ook werd gekruisigd, onder Pontius Pilatus heeft geleden en begraven is. En Hij is verrezen ten derden dage, volgens de Schriften. En Hij is opgeklommen ten hemel; zit aan de rechterhand van de Vader. En Hij zal wederkomen met heerlijkheid om te oordelen over levenden en doden; en er zal geen eind zijn aan zijn rijk. En in de Heilige Geest, de Heer en Levendmaker, die uit de Vader en de Zoon voortkomt. Die met de Vader en de Zoon wordt aanbeden en gelijkelijk verheerlijkt; die gesproken heeft door de profeten. En in de éne, heilige, katholieke en apostolische Kerk. Ik belijd één doopsel tot vergeving der zonden. En ik verwacht de verrijzenis der doden. En het leven van de komende eeuwigheid. Amen.”c

Na de geloofsbelijdenis van Nicea zorgvuldig te hebben gelezen, is het interessant op te merken dat de Drieëenheid daarin nog niet volledig gedefinieerd is. Er wordt in verklaard dat de Vader en de Zoon van dezelfde zelfstandigheid zijn en de Heilige Geest wordt „de Heer en Levendmaker” genoemd, doch er wordt niet gezegd dat deze drie „één God” zijn. Er moest nog meer ’met woorden geëxperimenteerd’ worden en er moesten nog meer ’zinsneden verduidelijkt’ worden.

DE GELOOFSBELIJDENIS VAN ATHANASIUS

In de geloofsbelijdenis van Athanasius werd de Drieëenheid ten slotte duidelijk omschreven. Zoals u zich herinnert, was Athanasius de jonge aartsdeken die op in het oog vallende wijze de zienswijzen die in de geloofsbelijdenis van Nicea werden uiteengezet, ondersteunde. Heeft hij deze geloofsbelijdenis, die zijn naam draagt, ook opgesteld?

Men heeft dit eeuwenlang geloofd, doch dit is ten slotte positief onwaar gebleken. In The Faith of Christendom wordt op bladzijde 61 opgemerkt: „Dat de geloofsbelijdenis aan Athanasius is toegeschreven, werd in de zeventiende eeuw door de Nederlandse geleerde G. J. Vossius ontmaskerd. Op grond van de inhoud heeft men bewezen dat het document wellicht uit de periode tussen 381 en 428 n. Chr. dateert.”

Er bestaat echter geen stellig bewijs voor zo’n vroege datering van de geloofsbelijdenis. Honderden jaren later wordt er in feite pas melding van gemaakt in haar complete vorm! Zo verklaart J. J. Moment in zijn boek over de geloofsbelijdenissen ronduit: „Athanasius was reeds vijfhonderd jaar dood toen ze verscheen” (We Believe, blz. 118). Merk op hoe de geloofsbelijdenis van Athanasius de Drieëenheid omschrijft:

„. . . wij [aanbidden] één God in de Drievuldigheid, en de Drievuldigheid in de Eenheid . . .; Weliswaar de Personen onderscheidend, maar de zelfstandigheid niet scheidend. Een ander toch is de Persoon van de Vader, een ander die van de Zoon, een ander die van de Heilige Geest. Maar van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is één de Godheid, gelijk de glorie en gelijkelijk eeuwig de majesteit. Gelijk de Vader is, zó is de Zoon, zó is de Heilige Geest. Ongeschapen is de Vader, ongeschapen is de Zoon, ongeschapen is de Heilige Geest. Onmetelijk is de Vader, onmetelijk is de Zoon, onmetelijk is de Heilige Geest. Eeuwig is de Vader, eeuwig is de Zoon, eeuwig is de Heilige Geest. Toch zijn er niet drie eeuwigen, maar één eeuwige. Eveneens zijn er niet drie ongeschapenen, noch drie onmetelijken, maar één ongeschapene en één onmetelijke. Op dezelfde wijze is almachtig de Vader, almachtig de Zoon, almachtig de Heilige Geest. En toch zijn er niet drie almachtigen, maar één almachtige. Zo is de Vader God, de Zoon God, de Heilige Geest God; En toch zijn er niet drie goden, maar is er slechts één God. Zo is de Vader Heer, de Zoon Heer, de Heilige Geest Heer; En toch zijn er niet drie Heren, maar is er slechts één Heer. Want, zoals wij krachtens de christelijke leer iedere Persoon als God en Heer moeten belijden, zo verbiedt ons de katholieke godsdienst drie goden of heren te erkennen. De Vader is door niemand gemaakt, geschapen noch voortgebracht. De Zoon is alleen van de Vader, niet gemaakt of geschapen, maar voortgebracht. De Heilige Geest is uit de Vader en de Zoon, niet gemaakt of geschapen of voortgebracht, maar voortkomend. Eén Vader dus, geen drie Vaders; één Zoon, geen drie Zonen; één Heilige Geest, geen drie Heilige Geesten. En in deze Drievuldigheid is geen vroeger of later, geen meer of minder, maar alle drie Personen zijn met elkander even eeuwig en even gelijk. Zodat in alles, gelijk boven reeds gezegd is, de Eenheid in de Drievuldigheid, en de Drievuldigheid in de Eenheid moet worden aanbeden. Wie derhalve zalig wil worden denke aldus over de Drievuldigheid. . . .”d

Vele honderden jaren na de dood van Jezus Christus werd de leerstelling van de Drieëenheid dus ten slotte geformuleerd. Mensen hadden, om het met de woorden van de theoloog N. Leroy Norquist te zeggen, „net zo lang met woorden geëxperimenteerd en zinsneden verduidelijkt, totdat zij de relatie tussen de drie ’personen’ van de Drieëenheid zodanig hadden omschreven dat zij ten slotte konden zeggen: ’Als u dit niet gelooft, bent u geen ware gelovige.’”

Op deze wijze werd derhalve het godsbegrip dat men thans in de meeste kerken heeft, geformuleerd.

WIJD EN ZIJD AANVAARD

Misschien gelooft u echter niet dat uw kerk deze geloofsbelijdenissen werkelijk goedkeurt. De tendens heeft weliswaar bestaan om niet eens te trachten de parochianen de verwarrende voorstelling die de kerken van God geven te onderwijzen, doch dit betekent niet dat de geloofsbelijdenissen door de kerken zijn verworpen. Integendeel, bijna alle kerken houden nog altijd aan hun verwarrende voorstelling van God vast.

Dat de Rooms-Katholieke Kerk dit doet, wordt duidelijk in The Catholic Encyclopedia onder het kopje „Drieëenheid” verklaard. Na een gedeelte van de geloofsbelijdenis van Athanasius te hebben aangehaald, wordt daar verklaard: „Dit leert de Kerk.”

Ook de Kerk van Engeland onderschrijft de Apostolische, Niceaanse en Athanasiaanse geloofsbelijdenis. De protestantse Episcopale Kerk doet dit eveneens en verklaart dat „het verre” van de Anglicaanse Kerk is „te trachten . . . op enig essentieel leerstellig punt af te wijken”.

Ook lutherse groeperingen hangen deze geloofsbelijdenissen aan. In de constitutie van de Lutherse Kerk in Amerika, artikel II, paragraaf 4, staat: „Deze kerk aanvaardt de Apostolische, Niceaanse en Athanasiaanse geloofsbelijdenis als waarachtige verklaringen van het geloof van de Kerk.” In de constitutie van de Verenigde Kerk van Christus wordt eveneens verklaard: „Ze eist voor zich het geloof op van de historische Kerk dat in de oude geloofsbelijdenissen tot uitdrukking komt . . .”

De presbyterianen onderschrijven de geloofsbelijdenis van Nicea, evenals de voornaamste methodistische en gereformeerde groeperingen. Deze religies houden officieel aan de trinitarische opvatting vast. Hoewel doopsgezinde groeperingen de geloofsbelijdenissen over het algemeen niet onderschrijven, merkt de ondersecretaris van de American Baptist Convention met betrekking tot de geloofsbelijdenis van Athanasius op: „Ik ben ervan overtuigd dat de meeste Amerikaanse doopsgezinden het in wezen wel met de inhoud ervan eens zouden zijn.”

Het is waar dat bepaalde kerken der christenheid misschien niet officieel geloofsbelijdenissen onderschrijven, maar bijna alle ondersteunen ze het dogma van de Drieëenheid dat ze hebben ontwikkeld. Zo schreef J. J. Moment met betrekking tot de geloofsbelijdenis van Athanasius in zijn boek We Believe: „De stereotiepe definities ervan zijn in het protestantisme, min of meer bewust, als de norm voor rechtzinnigheid erkend gebleven.”

EEN ONSCHRIFTUURLIJKE GEDACHTE

Gods Woord is echter lijnrecht in tegenspraak met deze gedachte van ’drie personen in één God’. De bijbel zegt dat God de „Koning der eeuwigheid” en zonder begin of eind is (1 Tim. 1:17; Ps. 90:2). De bijbel zegt echter ook dat Jezus, in tegenstelling tot zijn eeuwige Vader, „het begin van de schepping door God” is (Openb. 3:14). Een verder bewijs dat Jezus en God niet één en dezelfde of gelijk zijn, is dat God Jezus na zijn opstanding uit de doden „tot een superieure positie [heeft] verhoogd” (Fil. 2:9). Indien Jezus, voordat hij werd verhoogd, gelijk aan God zou zijn geweest, zou hij niet nog hoger gemaakt kunnen zijn, want dat zou hem superieur aan God hebben gemaakt. Hoe overduidelijk is het dat de leerstelling van de Drieëenheid niet door de eerste-eeuwse christenen werd onderwezen!

De bijbelse leer is duidelijk. Jehovah is de Almachtige God die „alle dingen [heeft] geschapen” (Openb. 4:11). Jezus Christus is „Gods Zoon”, niet de Almachtige God zelf (Luk. 1:35). En de heilige geest is geen persoon maar Gods werkzame kracht waarmee personen vervuld kunnen zijn (Hand. 2:4). Aangezien de kerken deze bijbelse waarheden klaarblijkelijk niet hebben onderwezen, is het, indien u uw Schepper wilt behagen, van levensbelang u volledig van zulke religieuze organisaties af te scheiden. — Openb. 18:4.

[Voetnoten]

a Encyclopedie van het Christendom, Katholiek Deel, blz. 23.

b M’Clintock & Strongs Cyclopædia, Deel 2, blz. 559-563.

c Encyclopedie van het Christendom, Katholiek Deel, blz. 23.

d Encyclopedie van het Christendom, Katholiek Deel, blz. 23, 24.

[Illustratie op blz. 710]

De heidense Romeinse keizer Constantijn riep in 325 G.T. te Nicea een concilie bijeen. Als gevolg van zijn invloed werd de Niceaanse geloofsbelijdenis met haar leer van de Drieëenheid aanvaard

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen