Hoe te bidden om door God verhoord te worden
DE BIJBEL zegt over Jehovah God: „O, Hoorder van het gebed, ja, tot u zullen mensen van alle vlees komen” (Ps. 65:2 [3], NW). Ja, God hoort gebeden. En mensen op heel de aarde die waarheidlievend zijn, die graag zijn wil doen en die zich op de door hem goedgekeurde wijze tot hem wenden, kunnen zich in dit kostbare voorrecht verheugen (Hand. 10:34, 35). Het is werkelijk een wonderbaarlijk voorrecht, met de verheven Heerser van het hele universum te kunnen spreken in de wetenschap dat hij u hoort! — Ps. 8:1, 3, 4 (2, 4, 5), NW; Jes. 45:22.
In zijn geschreven Woord staat de aanmoedigende belofte: „Weest over niets bezorgd, maar laat in alles door gebed en smeking te zamen met dankzegging uw smeekbeden bij God bekend worden, en de vrede van God, die alle gedachte te boven gaat, zal uw hart en uw geestelijke vermogens behoeden door bemiddeling van Christus Jezus.” — Fil 4:6, 7.
Er kunnen echter personen zijn die eraan twijfelen of God wel naar gebeden luistert, omdat het lijkt alsof veel van hun gebeden niet zijn verhoord. Waarom niet? Het is belangrijk dat wij de reden hiervoor weten. God maakt in zijn Woord duidelijk wat hij met betrekking tot het gebed verlangt.
HOE MEN IN GEBED TOT GOD MOET NADEREN
De bijbel vertelt ons dat „wie tot God nadert, moet geloven dat hij bestaat en dat hij de beloner wordt van wie hem ernstig zoeken” (Hebr. 11:6). Merk op dat deze schriftplaats zegt dat wij tot ’God moeten naderen’.
Jehovah, de ware en levende God, wenst dat wij tot niemand anders dan tot hèm bidden. Het gebed is een onderdeel van onze aanbidding en dient daarom alleen tot de Schepper, Jehovah, gericht te worden (Matth. 4:10). Jezus Christus leerde zijn volgelingen tot zijn „Vader in de hemelen” te bidden (Matth. 6:9). Jezus leerde hun niet, tot hem of tot zijn menselijke moeder Maria of tot ook maar iemand anders te bidden. Jehovah is almachtig, alwijs, volkomen rechtvaardig en volmaakt in liefde. Waarom zouden wij ons dus tot iemand richten die geringer is? Bovendien verzekert de geïnspireerde apostel Paulus ons dat God „niet ver is van een ieder van ons”, als wij hem op de juiste wijze zoeken. — Hand. 17:27.
Maar, zult u zeggen: „Hoe kunnen wij, als onvolmaakte schepselen die met de erfzonde belast zijn, tot een God bidden die volmaakt en rechtvaardig is?” Jehovah heeft dit liefdevol in aanmerking genomen en een „helper” verschaft, die in de hemel ten gunste van ons spreekt. Die helper is „Jezus Christus, een rechtvaardige”. — 1 Joh. 2:1, 2.
Jezus heeft zijn leven als losprijs voor de mensheid gegeven. Bovendien heeft Jehovah hem als zijn Hogepriester aangesteld. Jehovah verlangt dat wij de positie die zijn Zoon in Zijn voornemen inneemt, erkennen en al onze gebeden in zijn naam opzenden. Daarom zei Jezus tot zijn volgelingen: „Niemand komt tot de Vader dan door bemiddeling van mij” (Joh. 14:6). Jezus verklaarde ook: „Indien gij de Vader om iets vraagt, zal hij het u in mijn naam geven” (Joh. 16:23). Willen onze gebeden daarom aanvaardbaar zijn voor God, dan moeten wij door bemiddeling van zijn Zoon, dat wil zeggen, in de naam van Jezus, tot Jehovah God bidden.
GEBEDEN DIE GOD WELGEVALLIG ZIJN
Wij lezen in 1 Petrus 3:12: „De ogen van Jehovah zijn op de rechtvaardigen en zijn oren tot hun smeking.” Onze gebeden zijn God dus alleen dan welgevallig, wanneer wij er oprecht moeite voor doen in overeenstemming met de rechtvaardige beginselen van Gods Woord te leven. Als iemand Gods Woord verwerpt en zijn wil niet wenst te doen, kan hij niet verwachten dat God hem, wanneer hij in tijd van nood om hulp bidt, verhoort. De bijbel verklaart duidelijk: „Hij die zijn oor afwendt van het horen der wet — zelfs zijn gebed is iets verfoeilijks.” — Spr. 28:9, NW; 15:29.
Tot hen die geen eerbied hebben voor de heiligheid van het leven, zegt God bijvoorbeeld: „Ook al zendt gij veel gebeden op, ik luister niet; met bloedvergieten zijn uw eigen handen vervuld geworden” (Jes. 1:15, NW). In deze „tijd van het einde”, nu geweld, immoraliteit, oneerlijkheid, valse aanbidding en andere vormen van verkeerd gedrag steeds algemener worden, dienen wij, als het onze wens is dat God onze gebeden verhoort, onze dagelijkse levenswijze beslist ernstig te onderzoeken. — 1 Joh. 3:21, 22.
Of God onze gebeden verhoort, hangt in hoge mate af van datgene waar wij om bidden. Jezus gaf zijn discipelen een modelgebed, om hun te tonen wat voor gebeden God aanvaardt. Hij zei: „Gij dan moet aldus bidden: ’Onze Vader in de hemelen, uw naam worde geheiligd. Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde. Geef ons heden ons brood voor vandaag; en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren hebben vergeven. En breng ons niet in verzoeking, maar bevrijd ons van de goddeloze.’” — Matth. 6:9-13.
Dit gebed laat zien dat Gods naam en voornemens de eerste plaats in onze gebeden dienen in te nemen. Vervolgens mogen wij vragen om onze materiële behoeften, om vergeving, om verlossing uit verzoeking en om bevrijding van de goddeloze. Merk ook op dat Jezus ons leert bidden: „Onze Vader . . . Geef ons heden ons brood . . . en vergeef ons.” Dit toont aan dat wij bij het bidden niet alleen aan onszelf, of aan onze eigen problemen en behoeften dienen te denken, maar onzelfzuchtig ook anderen in onze gebeden dienen te gedenken. Wij dienen niet slechts voor onze eigen gezins- en familieleden te bidden, maar ook voor anderen die God trachten te behagen, en in het bijzonder voor degenen die God onder beproevingen en moeilijkheden dienen. — Jak. 5:16; Ef. 6:18-20.
De apostel Johannes schrijft: „Dit is het vertrouwen dat wij jegens hem hebben, dat, ongeacht wat wij vragen overeenkomstig zijn wil, hij ons hoort” (1 Joh. 5:14). Er is in het leven van een christen niets wat hij niet terecht tot een aangelegenheid van gebed kan maken. Het is evenwel belangrijk dat datgene waar hij om vraagt, in overeenstemming met Gods wil is. Veel gebeden worden niet verhoord, omdat ze niet in overeenstemming met Gods wil zijn. De persoon heeft niet werkelijk de bijbelse raad toegepast: „Vertrouw op Jehovah met heel uw hart en steun niet op uw eigen verstand. Sla in al uw wegen acht op hem . . . Vrees Jehovah.” — Spr. 3:5-7, NW.
Is het dus niet passend eerst na te gaan wat God van ons verlangt, wat zijn wil met betrekking tot ons is, en onze gebeden dan dienovereenkomstig te formuleren, in plaats van zelf te bepalen wat wij willen doen of hebben, en God daar in gebed om te vragen? Wij zullen stellig niet geclassificeerd wensen te worden onder hen over wie is geschreven: „Gij vraagt en toch ontvangt gij niet, omdat gij met een verkeerde bedoeling vraagt, om het te besteden voor uw begeerten naar zingenot.” Wij dienen in onze gebeden altijd Jehovah’s wil in aanmerking te nemen. — Jak. 4:3, 13-15.
Wij kunnen zijn wil leren begrijpen door zijn Woord te bestuderen en door hem samen met andere ware christenen te dienen (Rom. 12:2). De psalmist bad: „Geef mij verstand, opdat ik uw wet moge nakomen en opdat ik haar met het gehele hart moge onderhouden. Doe mij het pad van uw geboden betreden, want daarin heb ik behagen gevonden. Neig mijn hart tot uw vermaningen, en niet tot gewin.” — Ps. 119:34-36, NW.
Als wij in geloof tot God bidden, zal hij ons overvloedig de wijsheid schenken die wij nodig hebben om de problemen van het leven het hoofd te bieden (Jak. 1:5-8). Hij zal ons helpen datgene in te zien en te doen wat zijn eigen grote naam tot eer strekt, en dit zal ook tot resultaat hebben dat wij zelf gelukkig zijn. — Ps. 84:11, 12 (12, 13), NW.
DE JUISTE MANIER VAN BIDDEN
Verlangt God van ons dat wij tijdens het gebed een bepaalde houding aannemen of dat wij naar een speciaal gebouw gaan om te bidden? Zijn Woord laat zien dat hij dat niet verlangt. In de dagen van Gods dienstknecht Ezra bijvoorbeeld bogen aanbidders zich met het gelaat ter aarde. Daniël bad drie maal per dag knielend in zijn zolderkamer. Anderen stonden. Jezus sloeg zijn ogen ten hemel. — Neh. 8:6; Dan. 6:11 10; Mark. 11:25; Joh. 11:41.
Jezus wees erop dat het, wanneer men een persoonlijk gebed wil opzenden, goed is zijn eigen kamer in te gaan, om alleen te zijn (Matth. 6:6). En hoewel Jezus zelf bij gelegenheid op openbare plaatsen bad, veroordeelde hij het sterk om in het openbaar te bidden ten einde door de mensen gezien te worden en „vroom” te schijnen. Hij gaf ook te kennen dat God het niet goedkeurt wanneer men bij het bidden steeds weer dezelfde woorden herhaalt (Matth. 6:5, 7, 8). Waarom niet?
Omdat het er bij God op aankomt wat er in ons hart omgaat. „Want wat Jehovah aangaat, zijn ogen gaan de gehele aarde rond om zijn sterkte te tonen ten behoeve van hen wier hart onverdeeld is jegens hem” (2 Kron. 16:9, NW). Hoe zou een gebed dat wij alleen maar uit een gebedenboek oplezen, tot uitdrukking kunnen brengen wat er in ons hart omgaat? Ons gebed dient dus uit het hart te komen en van nederigheid te getuigen. „God weerstaat de hoogmoedigen, maar hij geeft onverdiende goedheid aan de nederigen.” — Jak. 4:6.
Het heeft geen waarde wanneer wij in onze gebeden ongewone of hoogdravende woorden gebruiken. Wij dienen veeleer tot God te spreken zoals wij dat tegen een intieme en vertrouwde vriend zouden doen, of zoals een zoon tot zijn vader spreekt. Wij kunnen zelfs een stil gebed, in ons hart, opzenden (1 Sam. 1:12, 13). Wellicht kunnen wij niet altijd de juiste woorden vinden om onze gedachten aan God kenbaar te maken. Maar wij kunnen erop vertrouwen dat God onze behoeften kent en ons eenvoudige gebed zal begrijpen.
HET VOORRECHT VAN HET GEBED WAARDEREN
Er doen zich in het leven van ons allemaal tijden voor waarin er geen menselijke hulp beschikbaar is, of waarin de hulp van mensen ontoereikend is voor onze behoeften. Dan kunnen wij ons alleen maar tot God wenden. Wanneer wij Jehovah echter liefhebben en het voorrecht van het gebed waarderen, zullen wij beslist niet op zulke gelegenheden wachten om tot hem te spreken. In plaats daarvan zullen wij ons regelmatig en dikwijls tot hem wenden, om hem onze dank en lof te brengen en ook om hem onze smeekbeden en verzoeken kenbaar te maken (Ef. 6:18; 1 Thess. 5:17, 18). Een gezin trekt heel veel voordeel van gebeden, zelfs van het eenvoudige dankgebed, dat, in navolging van Jezus’ voorbeeld, aan de maaltijd tot God wordt opgezonden. — Matth. 14:19.
Ja werkelijk, zowel persoonlijke gebeden als gebeden die in de gezinskring en in gemeenteverband worden opgezonden, werpen schitterende voordelen af. Door het gebed erkennen wij openlijk dat wij voor alles volkomen van God afhankelijk zijn. Het brengt ons nader tot onze medeaanbidders. Het schenkt ons de vrede van de liefdevolle Schepper. Het bevordert de toestroming van Gods heilige geest in ons leven. Het helpt ons met vertrouwen de toekomst tegemoet te zien. Het is een gave van God, die wij dienen te waarderen en te gebruiken.