Groei — Krachtig gestimuleerd door Jehovah
1. Beschrijf hoe de mens groei beziet.
OVERAL kan men dingen zien groeien — dieren, planten, bomen, alle mogelijke vegetatie, de mensheid, organisaties, steden, landen, toestanden, ondernemingen. Wanneer er sprake is van een bepaalde verandering, kan er feitelijk van groei gesproken worden. Situaties of toestanden kunnen van kwaad tot erger groeien. Omdat sommigen geen uiterlijke veranderingen kunnen waarnemen, concluderen zij dat er geen groei is. In deze hedendaagse tijd ziet de mens naar grote vooruitgang en drastische veranderingen uit. De mens heeft geleerd op het gebied van de communicatie- en vervoersmogelijkheden, modegrillen, architectuur, ontspanning en de alledaagse levensstandaard buitengewoon grote veranderingen te verwachten en er ook naar uit te zien. Veranderingen gaan vaak gepaard met avontuur en opwinding, waardoor de aandacht van de mens wordt vastgehouden en hij tijdelijk van zijn sleurse kijk op het alledaagse leven wordt verlost. Toch bekijkt de mens zich elke dag in de spiegel, terwijl hij nauwelijks enige verandering opmerkt. Fysiek verandert hij heel erg langzaam. Als hij eenmaal volwassen is geworden, blijft hij jaren achtereen min of meer dezelfde. Wat valt er echter over de groei te zeggen die niet door een blik in een spiegel kan worden waargenomen? Hoe staat het met mentaal evenwicht, geestelijke groei? Ja, hoe staat het met uw groei als een dienstknecht van God?
2. Waardoor wordt groei gestimuleerd? Kan deze worden belemmerd?
2 Achter dit alles staat de stimulerende kracht die tot groei aanzet. Wij weten natuurlijk dat regen en voedzame grond tot groei van het gewas leiden en dat voedsel ook bij de mens fysieke groei stimuleert. Waardoor wordt de mens er echter toe gestimuleerd geestelijk te groeien? Waardoor wordt iemand ertoe aangezet God te aanbidden? Waardoor komt het dat hij niet alleen jaar in jaar uit getrouw blijft, maar dat dienstknechten van God in een steeds vollediger mate in alle vruchten van de geest, zoals die in Galaten 5:22, 23 worden beschreven, blijven groeien? Op het gebied van vegetatie en onder dieren kunnen wij altijd slecht ontwikkelde exemplaren aantreffen, die op de een of andere wijze in hun groei belemmerd schijnen te zijn. Bij nader onderzoek blijkt dit verschijnsel zich ook in de christelijke gemeente voor te doen. (Zie Galaten 5:7.) Waarom? Dient het niet zo te zijn dat allen die Jehovah dienen goed op hun rijke geestelijke dieet gedijen en voorspoed genieten?
3. Verschaf redenen waarom er zowel fysieke als geestelijke groei dient te zijn.
3 Een schepsel beantwoordt pas aan het doel waarvoor het is gemaakt, wanneer het zowel fysiek als geestelijk groeit. Fysieke groei wordt krachtig door Jehovah gestimuleerd, omdat hij dadelijk in het begin reeds in de stoffelijke dingen voorzag die de mens nodig had en waaraan hij vreugde zou beleven. Hij heeft ervoor gezorgd dat er in de loop van de vele geslachten een overvloedige hoeveelheid voedsel, lucht en water was, en hoewel de mens deze voorzieningen heeft misbruikt, leven er thans nog steeds miljarden mensen doordat zij zich deze levensbehoeften ten nutte maken. Jehovah is in het verschaffen van deze behoeften niet terughoudend geweest, en ook heeft hij niet de handelwijze gevolgd die soms onder mensen gebruikelijk is door de paar goede mensen krap te houden omdat de vele slechte mensen toch maar misbruik van hun goedheid maken. Neen, „hij laat zijn zon opgaan over goddelozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (Matth. 5:45). Hij heeft ook zijn Woord, zijn Zoon en zijn geest verschaft om de mens met het oog op zijn groei te voeden. Hoewel God wordt genegeerd en tegengestaan, kunnen wij nog steeds zijn Woord raadplegen, dat in vele talen beschikbaar is. Zijn Zoon leeft nog steeds, de losprijs is betaald en de voordelen ervan blijven de gehele mensenwereld ter beschikking staan (Joh. 3:16). In deze tijd is Gods geest evenzeer werkzaam om zijn wil te volbrengen als in het allereerste begin. — Gen. 1:2; 2 Petr. 1:21.
4. Illustreer hoe aangenaam het is dat men tijdens de groei vreugde in het leven kan scheppen.
4 Jehovah heeft meer verschaft dan alleen maar het allernoodzakelijkste. Hij heeft in een overvloed voorzien, in extra’s, die het leven zoveel aangenamer maken. Denk alleen maar eens aan de noodzaak van eten. Men kan best in leven blijven wanneer men in alle haast en terwijl men slechts over beperkte faciliteiten beschikt, eenvoudig voedsel tot zich neemt. Besteed nu echter eens wat meer tijd aan de bereiding van het voedsel, waarbij men er geurige aroma’s en specerijen aan toevoegt, dien elke gang op een smakelijke en kleurrijke wijze op, dek de tafel op een eenvoudige, smaakvolle wijze en voeg er de warmte van flikkerende kaarsen aan toe. Laat vervolgens waarderende vrienden aanzitten en luister naar hun aangename, opgewekte conversatie, misschien met zachte, ontspannende muziek op de achtergrond. Is dit niet een buitengewoon aangename gebeurtenis? Deze extraatjes, al is het er maar één, blijken bijzonder stimulerend te zijn voor de groei en deze in een veel grotere mate te bevorderen dan wanneer men alleen maar haastig wat voedsel tot zich neemt. Toch zijn dit allemaal extra voorzieningen waarin de mens zich kan verheugen, niet alleen op het gebied van eten, maar ook in andere aspecten van het leven.
5. Waarom kunt u niet een schema voor de groei van iemand anders opstellen?
5 Het is ook goed in gedachten te houden hoe men met zijn broeders dient om te gaan. Iedereen heeft een bepaalde grens, en iedereen weet hoe ver hij wijselijk dient te gaan. Het komt echter vaak voor dat anderen zich met deze persoonlijke verantwoordelijkheid inlaten door iemand tot meer activiteit aan te sporen dan hij wenst te verrichten. Het is de waarheid uit Gods Woord onder Jehovah’s geest die zijn volk tot meer dienst aanzet. Zij moeten aan God rekenschap afleggen voor hun daden. Zij gaan naar hun eigen geweten te werk. Niemand kan naar het geweten van een ander luisteren of voor hem tot God spreken. Het dient derhalve niet noodzakelijk te zijn zich met het doen en laten of de motieven van uw broeder in te laten, waarbij u van hem verlangt dat hij over al zijn daden verslag uitbrengt. Als uw broeder een toewijzing of dienstvoorrecht weigert, trek dan niet haastig de conclusie dat hij langzamerhand de waarheid uitgaat (Spr. 18:13). Als zijn dienst wat achteruitgaat, werkt hij misschien aan een ander facet van zijn bediening die aandacht behoeft, hetgeen zijn persoonlijke zaak is. Als iemand een vakantie neemt of na ingespannen arbeid voor rust zorgt, is het helemaal niet nodig zich hier al te zeer over op te winden. Jezus zag in dat rust noodzakelijk was en dat het goed was zich af en toe aan de druk van de dagelijkse activiteit te onttrekken. Na een bijzonder druk programma brachten de apostelen hierover verslag uit aan Jezus, waarna hij hun zei: „Komt, gij alleen, naar een eenzame plaats en rust wat uit.” Want „er waren er velen die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen gelegenheid om een maaltijd te nuttigen”. (Mark. 6:31; zie ook Matthéüs 14:13.) Toch had dit niet tot gevolg dat Jezus of de apostelen zwak in het geloof werden of ongestadig waren in hun groei. Zou u zich met de knecht van iemand anders bemoeien wanneer hij de hem toegewezen taken verricht? Neen, natuurlijk niet. Welnu, zo beschrijft Paulus de aangelegenheid in Romeinen 14:4: „Wie zijt gij, dat gij de huisknecht van een ander oordeelt? Hij staat of valt voor zijn eigen meester. Hij zal trouwens staande worden gehouden, want Jehovah kan hem staande houden.”
6, 7. (a) Wat is het onkruid in het veld van de groei? Hoe schiet het op? (b) Op welke wijze kunnen wij onszelf tegen alle binnendringende twijfels beschermen?
6 Twijfels zouden op het veld van groeiende bedienaren van het evangelie met onkruid vergeleken kunnen worden, dat de kracht ondermijnt en schade toebrengt aan iemands tevredenheid, vrede des geestes en vreugde in de dienst van Jehovah. Twijfels kunnen als gevolg van onvoldoende kennis over een bepaald onderwerp rijzen en ons met zorg vervullen. Anderen ontwikkelen misschien een persoonlijke voorliefde voor iets, en omdat dit niet meteen wordt erkend, gaan zij aanmerkingen maken en beginnen zij eraan te twijfelen of Jehovah zijn „getrouwe en beleidvolle slaaf” wel steunt. Anderen verslappen in hun aanbidding, en omdat zij in dit oude samenstel van dingen voortdurend door de geest van onafhankelijkheid en rebellie worden gebombardeerd, hebben zij niet de kracht hun geest vrij te houden van twijfels. Velen maken zich heel erg bezorgd over stoffelijk voedsel, kleding, huizen en allerlei luxe, terwijl zij hun geest met begeerlijke dingen vullen, hetgeen hun een scheef beeld geeft van wat werkelijk waardevol is en hen vervult van angst bij de gedachte dat zij het zonder deze dingen moeten stellen. In Lukas 12:29 wordt de volgende raad gegeven: „Houdt er daarom mee op te zoeken wat gij zult eten en wat gij zult drinken, en verkeert niet langer in bezorgde spanning.”
7 Zelfdiscipline heeft heel veel met de verdediging tegen alle binnendringende twijfels te maken. Jezus zei dat waar geloof werd aangetroffen, twijfel zou ontbreken (Matth. 21:21). Het is derhalve noodzakelijk onze denkwijze te beschermen, en hiervoor is zelfdiscipline nodig, zoals zo levendig in Spreuken 5:1, 2 (NW) wordt uiteengezet: „Mijn zoon, o schenk toch aandacht aan mijn wijsheid. Neig tot mijn onderscheidingsvermogen uw oren, om het denkvermogen te behoeden.” Paulus toont in Filippenzen 4:7 aan dat de vrede van God „uw hart en uw geestelijke vermogens [zal] behoeden door bemiddeling van Christus Jezus”. Als men zich in zijn geest voortdurend met een bepaald streven bezighoudt, koestert men naar alle waarschijnlijkheid het verlangen dat doel op den duur te bereiken. Deze denkwijze wordt vervolgens door een verdere kennis van dit onderwerp gevoed en gesterkt, terwijl het onderwerp met het verstrijken van de tijd een steeds grotere aantrekkingskracht op de persoon gaat uitoefenen en dit verlangen als een motor wordt die hem ertoe brengt dat doel te verwezenlijken. „Want zij die in overeenstemming met het vlees zijn, zetten hun zinnen op de dingen van het vlees” (Rom. 8:5). Als men dat doel niet wil bereiken, dient men zelfbeheersing te oefenen en niet meer aan de zaak te denken. Dit wordt in Spreuken 23:7 (NW) als volgt beschreven: „Want als iemand die binnen in zijn ziel berekeningen gemaakt heeft, zó is hij.” Job legt uit dat Jehovah in overeenstemming met zijn gedachten en verlangens handelt; merk op wat in Job 23:13 (NW) staat: „Hij is van één gedachte, en wie kan hem weerstaan? En zijn eigen ziel heeft een begeerte, en hij zal ze volvoeren.”
8, 9. (a) Hoe beschouwen sommigen wellicht een leven dat door bijbelse beginselen wordt bestuurd? (b) Geef in het kort een beschrijving van het terrein waarop de mens zich door redelijkheid dient te laten leiden.
8 Zo komt het dat groei vaak tot stilstand komt of wordt geremd doordat personen er geen moeite voor doen werkelijk vreugde in het leven te scheppen. Anderen zijn van mening dat de dienst van God en vasthouden aan bijbelse beginselen hen beperkt en in hun groei belemmert. Toch zal een onderzoek aan het licht brengen dat iemand die volgens bijbelse beginselen leeft, zich in een vollediger mate kan ontplooien en verder kan reiken dan waartoe de meeste mensen tot dusver in staat zijn geweest. De bijbel brengt in dit verband een belangrijk beginsel onder onze aandacht: „Uw redelijkheid worde aan alle mensen bekend.” — Fil. 4:5.
9 Op dit terrein van redelijkheid nemen onze behoeften een centrale positie in. Aan de ene kant hebben wij te maken met de dingen waar wij van houden, wat wij graag willen, onze verlangens en de nooit eindigende verscheidenheid van dingen die door Jehovah zijn verschaft, de dingen waar wij niet van houden en de vrijheid waarop anderen recht hebben. Hier staat tegenover dat er buiten het terrein van redelijkheid rages worden aangetroffen, opstand, onafhankelijkheid en vrees, zoals mensenvrees en vrees voor de toekomst, de vrees onze betrekking te verliezen en geen voedsel, kleding en onderdak meer te hebben en de vrees voor de dood en voor rampspoed.
’S MENSEN BEHOEFTEN
10. Welke behoeften heeft de mens, en hoe wordt erin voorzien?
10 De mens heeft behoefte aan eenvoudig, gewoon, versterkend voedsel, zoals dit overal op aarde wordt aangetroffen, de allernoodzakelijkste dingen waardoor hij in leven wordt gehouden en sterk genoeg blijft om zijn werk te verrichten. Dit voedsel kan in brood, rijst, vis, fruit, vlees of groenten bestaan, maar het is er. Wij hebben hier een verzekering van die honderden jaren oud is en nog steeds van toepassing is, namelijk wat in Psalm 104:14, 15, 24 (NW) staat opgetekend: „Hij laat het groene gras ontspruiten voor de dieren, en de plantengroei ten dienste van de mensheid, om voedsel uit de aarde te doen voortkomen, en wijn, die het hart van de sterfelijke mens verheugt, om het gezicht van olie te doen glanzen, en brood, dat zelfs het hart van de sterfelijke mens verkwikt. Hoe talrijk zijn uw werken, o Jehovah! Gij hebt ze alle in wijsheid gemaakt. De aarde is vol van uw voortbrengselen.” En even verder, in Psalm 136:25 (NW) wordt gezegd: „Degene die voedsel geeft aan alle vlees: want zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde tijd.” Wij hebben kleding nodig, en hierin heeft Jehovah in het allereerste begin van ’s mensen bestaan, voorzien (Gen. 3:21). Onderdak, nog een fundamentele behoefte, wordt op verscheidene manieren en in de vorm van verschillende bouwstijlen door de mens zelf vervaardigd, waarbij hij van de materialen gebruik maakt die door Jehovah zijn verschaft.
WAAR DE MENS VAN HOUDT EN ZIJN VERLANGENS
11. Dient de mens te genieten van de dingen die hij verlangt en kan verkrijgen?
11 Afgezien van de fundamentele behoeften zijn er nog vele dingen waar wij van houden en waarnaar onze verlangens uitgaan. Toen Jehovah de Israëlieten instructies gaf, zei hij tot hen: „Gij zult dat geld besteden voor alles waarin gij lust hebt, voor runderen of kleinvee, voor wijn of bedwelmende drank, of wat gij ook wenst, en gij zult daar voor het aangezicht van den HERE, uw God, eten en u verheugen, gij met uw huisgezin” (Deut. 14:26). Wij voegen aan onze behoeften dus smakelijke gerechten toe, een verscheidenheid in kleding, gerief in ons huis, aangename geluiden voor onze oren en opbouwende omgang met onze broeders en zusters. Jehovah verschaft nog veel meer: „Gij opent uw hand en verzadigt de begeerte van al wat leeft.” — Ps. 145:16, NW.
EINDELOZE VERSCHEIDENHEID DIE DOOR JEHOVAH IS VERSCHAFT
12. Overschrijden de verlangens van de mens hetgeen Jehovah hem ten gebruike heeft gegeven? Verklaar dit alstublieft.
12 De mens komt er, bij het bevredigen van zijn verlangens, zelfs die welke binnen zijn bereik liggen, op geen stukken na aan toe de kwantiteit en de kwaliteit van de stoffelijke dingen die God voor het genoegen van de mens op aarde heeft geschapen, volledig te benutten. Paulus riep uit: „O de diepte van Gods rijkdom en wijsheid en kennis!” (Rom. 11:33). Gods wijsheid kan gemakkelijk in talloze dingen voor de mens worden waargenomen. Wij worden er met de volgende woorden toe uitgenodigd er gebruik van te maken: „Elke schepping van God [is] voortreffelijk . . ., en niets dient verworpen te worden indien het met dankzegging wordt aanvaard” (1 Tim. 4:4). Beperkt? In enkele minuten nagevorst? In Prediker 8:17 (NW) wordt over de navorsingen van één onderzoeker opgemerkt: „En ik zag al het werk van de ware God, hoe de mensheid niet in staat is het werk dat onder de zon is gedaan, te doorgronden; hoezeer de mens ook hard blijft werken om te zoeken, toch doorgrondt hij het niet. En ook al zou hij zeggen dat hij wijs genoeg is om het te weten, hij zou niet in staat zijn het te doorgronden.” De mens kan van een onbeschrijfelijke schoonheid genieten. Welk schilderspenseel of welke cameralens kan de kleur, de diepte, de sfeer en de uitgestrektheid van de hemelen weergeven? Hebt u al met alle geuren en smaken die thans bestaan, kennis gemaakt? Hebt u alle muziek en alle liederen op aarde gehoord? Hebt u meegenoten van de zorgeloze blijheid van het onbevangen kind, voor wie elke bocht in de weg een onvergetelijke ervaring vertegenwoordigt? Hebt u ervaren welk een wonderbaarlijke mensenwereld er bestaat door met mensen van elke natie en stam van de aarde om te gaan?
WAAR DE MENS NIET VAN HOUDT EN ZIJN VOOROORDELEN
13. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat redelijkheid het van onze vooroordelen wint? Wat is de veilige handelwijze die gevolgd dient te worden?
13 Vooroordeel, dat uit onwetendheid voortspruit, staat nauw in verband met trots en een wankele traditie. Het wordt gewoonlijk aangetroffen onder degenen die niet voldoende kennis over andere mensen bezitten en die daarom bereid zijn op horen zeggen of ongefundeerde propaganda af te gaan. Er bestaan vele soorten van vooroordeel: trots op iemands ras, familie, land, rijkdom, klasse, beroep of religie, en trots met betrekking tot onrecht en andere dingen. De houding is algemeen: ’Als ik er niet van houd, is het verkeerd en dient het niet toegestaan te worden’. Petrus zei, zoals in Handelingen 10:34, 35 staat opgetekend: „Ik bemerk zeer zeker dat God niet partijdig is, maar in elke natie is de mens die hem vreest en rechtvaardigheid werkt, aanvaardbaar voor hem.” Nog een schriftplaats waarin wordt onthuld hoe Jehovah over deze aangelegenheid denkt, is 1 Korinthiërs 4:6, 7: „’Gaat niet buiten de dingen die geschreven staan’, opdat niemand van u opgeblazen wordt ten gunste van de een en tegen de ander. Want wie doet u van een ander verschillen? Ja, wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen? Indien gij het nu inderdaad hebt ontvangen, waarom roemt gij dan alsof gij het niet hadt ontvangen?” De gevoelens waardoor uw beslissingen worden beïnvloed, staan aan veel te veel factoren bloot, zodat het niet veilig is u te laten leiden door dat waar u niet van houdt of door vooroordelen. Door de zienswijze van uw ouders, uw eigen plooibare jaren in verscheidene milieus en de verschillende soorten van druk waaraan u thans als gevolg van de geest van dit samenstel van dingen blootstaat, zult u niet geheel vrij van begunstiging kunnen zijn. Het is onder mensen een veel voorkomende fout de verkeerde dingen van anderen te onthouden, terwijl men zich één verkeerde handeling jaren later nog zal herinneren en er in overeenstemming mee zal handelen. Iedere keer wanneer de naam van de persoon wordt genoemd, brengt men zich de fout weer te binnen. Het is een manier waarop men het de ander betaald probeert te zetten, hoewel de zaak in het reine was gebracht en uit de geest weggewist had moeten zijn. Men doet er derhalve goed aan bijbelse beginselen op te volgen. Heb lief wat God liefheeft en haat wat God haat. — Zie Spreuken 6:16-19; Psalm 97:10; 11:5; Hebreeën 1:9.
VRIJHEID DIE AAN ANDEREN WORDT TOEGESTAAN
14. Welk bijbelse onderricht dienen wij bij het schenken van vrijheid aan anderen, op te volgen? Hoe ver kunnen wij in dit opzicht gaan?
14 In de aanmatigende antipathie die wij ten opzichte van bepaalde dingen hebben, zouden wij wel eens kunnen bemerken dat wij anderen van de vrijheid beroven waar zij recht op hebben. Paulus behandelt deze aangelegenheid heel vrijmoedig in hoofdstuk veertien van Romeinen. „Aanvaardt degene die zwakheden heeft in zijn geloof, . . . want God heeft hem aanvaard” (Rom. 14:1-3). Voedsel en drank kunnen in deze tijd net zulke problemen veroorzaken als destijds, en Paulus zei zulke dingen niet op te blazen maar de aandacht veeleer op het Koninkrijk te vestigen. „Houd ermee op het werk Gods af te breken ter wille van voedsel” (Rom. 14:20). Dit kan nog tot meer dingen worden uitgebreid dan alleen maar voedsel. IJverige broeders zouden zo in de waarheid kunnen opgaan, dat zij anderen voortdurend tot meer activiteit aansporen, zonder hen in de gelegenheid te stellen voor zichzelf te beslissen hoeveel tijd zij aan verschillende activiteiten in de gemeente wensen te besteden. Ga slechts zo ver als de Schrift gaat (1 Kor. 4:6). Sta anderen toe voor hun eigen verantwoordelijkheden zorg te dragen, die u misschien niet goed begrijpt of waar u zelfs niet eens van af weet. Help waar u kunt, maar oefen geen druk uit. „De wijsheid van boven is allereerst zuiver, vervolgens vredelievend, redelijk, bereid tot gehoorzamen, vol van barmhartigheid en goede vruchten.” — Jak. 3:17.
BUITEN HET TERREIN VAN REDELIJKHEID — SCHADELIJKE BEGEERTEN
15. Wat blijkt buiten het terrein van redelijkheid de overhand te hebben? Is het verstandig de meerderheid der mensen of hun ideeën te volgen?
15 De mens wordt in dit huidige samenstel van dingen door krachtige begeerten beheerst en tot handelen aangezet. Met het oog op de explosieve krachten waardoor de mensen thans worden aangezet, wordt het steeds moeilijker mensen te vinden die de raad in Titus 3:2 opvolgen om „over niemand nadelig te spreken, niet strijdlustig te zijn, redelijk te zijn, alle zachtaardigheid tonend jegens alle mensen”. In de wereld overheerst de geest de aandacht op zichzelf te vestigen, zich op de voorgrond te dringen en het niet zo nauw met de moraal te nemen. De gehele opvatting waardoor de geest van de wereld wordt gekenmerkt, wordt duidelijk onder woorden gebracht in 1 Johannes 2:16: „Alles wat in de wereld is — de begeerte van het vlees en de begeerte der ogen en het opzichtige geuren met de middelen voor levensonderhoud die men heeft — spruit niet voort uit de Vader, maar uit de wereld.” Deze schadelijke begeerten strekken zich over een groot terrein van activiteiten uit. Rages die erop gericht zijn zelfzuchtige belangen te bevredigen, overspoelen de bevolking als epidemieën, terwijl ze alleen maar van het toneel verdwijnen als gevolg van een nieuwe golf van uitersten. Waarom zou een redelijk persoon haastig willen voorbijgaan aan de onbegrensde voorzieningen die Jehovah God voor ’s mensen genoegen heeft getroffen, ten einde zich tot het voortbrengsel van laag-bij-de-grondse gedachten van immorele menselijke schepselen te verlagen? Kledingmodes zijn ontworpen om sex te verkopen; brilleglazen, die eens een uitsluitend nuttig en noodzakelijk doel dienden, zijn nu ontworpen om de aandacht op de drager of draagster te vestigen. Voedsel en drank worden niet alleen meer gebruikt voor het doel waarvoor ze oorspronkelijk dienden, maar worden op een dusdanige wijze aangewend dat ze in opwinding en sensatie voorzien.
BUITEN HET TERREIN VAN REDELIJKHEID — VREES
16. Beschrijf de vele soorten van vrees waardoor de mens wordt gekweld, en wat is volgens u de beste manier om deze soorten van vrees te overwinnen?
16 De vrees voor mensen is een beperkende kracht: ze kan de groei verstikken en de dienstknecht van God zo benauwen dat hij tot inactiviteit komt. Indien u op de hoogte bent van de bijbelse beginselen waarnaar u dient te leven en uw best doet ze op te volgen, waarom zou u dan bang zijn voor wat mensen, ja, zelfs voor wat uw broeder, denkt? Vrees duidt op een gebrek aan de kennis van wat juist is of op het feit dat men verzuimt iets te doen waarvan men weet dat het juist is. Indien men weet wat juist is en dit doet zonder bang te zijn voor wat mensen denken, groeit men. Jezus zei: „Ziet er goed op toe dat gij uw rechtvaardigheid niet voor het oog van de mensen beoefent om door hen opgemerkt te worden” (Matth. 6:1). Verwerf veeleer de zegen waarmee de vrees van Jehovah vergezeld gaat, zoals in Spreuken 15:33 (NW) wordt opgemerkt: „De vrees voor Jehovah is streng onderricht tot wijsheid”, en ook in Psalm 145:19: „Hij vervult den wens van wie Hem vrezen.” Wij kunnen dus redelijk zijn en de vrees voor andere goden, voor bijgeloof en voor rampspoed vermijden. De resultaten: „In vrede kan ik mij te ruste begeven en aanstonds inslapen, want Gij alleen, o HERE, doet mij veilig wonen” (Ps. 4:9 8). De dood verliest zijn beangstigende greep op ons en wij hebben de belofte dat wij spoedig van de macht van de heer ervan bevrijd zullen worden (Hebr. 2:14, 15). Met een juiste waardigheid en achting, en zonder lafhartige vrees, vermijden wij vele problemen: „Vrees voor mensen spant een strik.” — Spr. 29:25.
17. Wat dient tot in alle eeuwigheid de conclusie van de nederige mens te zijn?
17 Het leven is al gecompliceerd genoeg zonder er extra problemen aan toe te voegen die de groei van iemand anders belemmeren of onze groei vertragen. Geniet thans van het leven terwijl u Jehovah dient. En hoeveel dienstvoorrechten u ook mag ontvangen, hoe bekwaam u uw werk ook verricht, hoe efficiënt u ook bent en hoe doeltreffend u uw werk ook indeelt, vertrouw voor groei nooit op de bekwaamheid van de mens maar blijf altijd erkennen dat ’God het wasdom geeft’. — 1 Kor. 3:7.