Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w68 1/12 blz. 707-711
  • Wat de geestelijken doen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Wat de geestelijken doen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ZIJ KLEINEREN DE BIJBEL
  • MAATSCHAPPELIJKE TAKEN HEBBEN VOORRANG
  • ZIJ ZIJN BIJ DE POLITIEK BETROKKEN
  • HET CHRISTELIJKE STANDPUNT
  • EEN DEEL VAN DE WERELD
  • De rol van de geestelijken in de huidige crisis
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Wat zal er met de kerken gebeuren? — De betekenis voor u
    Ontwaakt! 1970
  • Geven de religies van de wereld de juiste leiding?
    Ware vrede en zekerheid — Hoe kunt u die vinden?
  • Religie en oorlog in recente tijd
    Ontwaakt! 1972
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
w68 1/12 blz. 707-711

Wat de geestelijken doen

EEN jongetje pakte thuis een stoffige bijbel op en vroeg aan zijn moeder: „Is dit Gods Boek?”

„Ja”, antwoordde zijn moeder.

Toen zei de jongen: „Zouden we het niet beter kunnen terugbrengen, omdat we het nooit gebruiken?”

In een kop in het tijdschrift This Week van 25 februari 1968 werd de vraag gesteld: „Wat is er aan de hand met religie?” Het tijdschrift merkte op: „Protestanten beschuldigen hun religie ervan dat ze ’wordt gedreven als een zaak’. Katholieken zeggen dat geboortenbeperking een persoonlijke zaak is en zij verwerpen de onfeilbaarheid van de paus. Nonnen verlaten het klooster om in de stad in flats te gaan wonen. Priesters verlaten in ongekende aantallen de kerk om te trouwen. Een van de best bekende anglicaanse bisschoppen van het land wordt beschuldigd van ketterij. Leraren van religie verkondigen dat ’God dood is’. . . . Chaos, bitsheid en verwarring schijnen in deze tijd aan de orde van de dag te zijn.”

Waarom al deze chaos? Welnu, ligt de bijbel in de meeste huisgezinnen die beweren christelijk te zijn, onder het stof? Waarom worden de wetten van God zo vaak genegeerd en gekleineerd? En waarom is er thans zo’n groeiend gebrek aan respect voor geestelijken?

ZIJ KLEINEREN DE BIJBEL

Jezus Christus, zijn apostelen en de eerste-eeuwse christenen hadden allen een diepe eerbied voor Gods woord zoals dit in de bijbel staat. Jezus zei in gebed tot God: „Uw woord is waarheid” (Joh. 17:17). De apostel Paulus zei tot de christenen in zijn tijd: „Toen gij Gods woord hebt ontvangen, hetwelk gij van ons hebt gehoord, hebt gij het niet als het woord van mensen aangenomen, maar, wat het ook inderdaad is, als het woord van God.” — 1 Thess. 2:13.

In de Providence Journal van 30 september 1967 verscheen echter het volgende bericht:

„Washington — (RNS) — De Weleerw. D. Howlett, van de unitarische „All Saints”-kerk, zei, na het Onze Vader regel voor regel geanalyseerd te hebben zoals het in het Evangelie van Matthéüs staat, dat het in zijn kerk niet langer gebruikt zou worden. De predikant vertelde de gemeente dat het gebed werkelijke betekenis mist . . . Als voorbeeld voor zijn redenatie zei Dhr. Howlett dat de zinsnede ’uw naam worde geheiligd’ een ’grap’ is in een tijdperk waarin de naam van God ’niet eens meer even heilig is als de naam van Washington, Lincoln of Kennedy’.”

Dit is heus niet een op zichzelf staand geval. Steeds meer geestelijken kleineren de bijbel. Een Newyorkse krant bevatte de kop: „Geestelijke staat kritisch tegenover bijbels onderwijs.” Er werd in opgemerkt dat de geestelijke H. Smith uit Londen heeft gezegd dat het geven van bijbels onderwijs aan jongelui „tijdverspilling is en schadelijk kan zijn”. De apostel Paulus zei christelijke vaders echter betreffende hun kinderen: „Blijft hen in het strenge onderricht en de gezaghebbende raad van Jehovah grootbrengen.” — Ef. 6:4.

In de Toronto Star Weekly kon men op de voorpagina lezen dat predikant G. Goth had gezegd: „De tien geboden zijn dood.” De indruk die zijn artikel wekte was, dat God tegenwoordig eist dat de mensen de Mozaïsche wet gehoorzamen, dat deze niet ter zake dienend is en dat alle Hebreeuwse Geschriften waardeloos zijn. Hij verklaarde nergens wat zo duidelijk in de bijbel staat, namelijk dat de Mozaïsche wet niet bindend is voor christenen, maar dat ze vol staat met beginselen en profetische patronen, die voor hen van bijzonder groot belang zijn. — Rom. 6:14; Hebr. 10:1.

De meeste geestelijken hebben de dynamische, inspirerende boodschap van de bijbel zo volledig naar beneden gehaald, dat de religieuze redacteur van de Oakland Tribune zei: „Een recente studie onthult dat . . . de tijd van de preek die 30 tot 40 minuten duurde, voorbij is. De studie deed de suggestie dat predikanten hun opmerkingen beperken tot 10 minuten, en zeker niet langer dan 15.” Sommigen stellen trouwens een nog radicalere beperking voor. De Canadees P. Berton beweert in zijn boek The Comfortable Pew: „De lauwe kansel maakt degenen die er gebruik van maken, tot huichelaars . . . het hele probleem van de zondagse preek en haar gebrek aan overtuiging is een probleem dat mensen met een overtuiging ernstig zorgen baart. Geen wonder dat sommigen in wanhoop in alle ernst een moratorium op alle preken hebben voorgesteld . . . voor een periode van minstens een jaar en waarschijnlijk nog langer.”

De schuld voor dit gebrek aan belangstelling voor God en zijn Woord moet grotendeels bij de geestelijkheid worden gezocht. Zij hebben de mensen zo in verwarring gebracht dat zij niet meer weten wat zij kunnen geloven. Merk op hoe dit wordt aangetoond in het boek A Church Without God, geschreven door de geestelijke E. Harrison:

„W. Pelz, die een boek de titel gaf God Is No More [God bestaat niet meer], is predikant van de Kerk van Engeland; W.H. Dubay, die beweert dat Christus ’religie heeft afgeschaft’, is een rooms-katholiek priester . . . Pater Jackson, die zegt: ’Als er een God bestaat, kunnen wij niet over hem spreken als over een opperwezen’, is kapelaan aan een universiteit; T. Altizer [God is dood], die The Gospel of Christian Atheism schreef, is assistent hoogleraar in bijbelse studies aan een Amerikaanse universiteit; ik behoor tot de staf van een anglicaanse parochie in Toronto. Ik maak er aanspraak op een christen en een anglicaan te zijn; toch kan ik in alle ernst zeggen, dat er geen God bestaat.”

De schrijver Berton, een voormalig lid van de anglicaanse kerk in Canada, merkt op hoe ver de geestelijken van de christenheid van de christelijke maatstaven zijn afgeweken, als hij zegt:

„Men is helemaal vergeten dat het christendom begonnen is als een revolutionaire religie, wier volgelingen een stelsel van waardebepalingen aanhingen die volslagen verschilde van die welke door de andere leden van de maatschappij werden aanvaard. Die oorspronkelijke waarden komen nog steeds in botsing met de waarden van de huidige maatschappij; toch is de religie thans een even conservatieve kracht geworden als de kracht waar de oorspronkelijke christenen mee in botsing kwamen.”

Ja, de geestelijken van de christenheid hebben de ware christelijke leerstellingen en gebruiken verlaten. Zij zijn precies datgene gaan doen waarvan Jezus en de eerste-eeuwse christenen duidelijk aan de kaak stelden dat het tegengesteld was aan Gods wil. Zij zijn als degenen tot wie Jezus zei: „Gij [hebt] het woord Gods krachteloos gemaakt ter wille van uw overlevering. Huichelaars, hoe passend heeft Jesaja over u geprofeteerd, toen hij zei: ’Dit volk eert mij met hun lippen, maar hun hart is ver van mij verwijderd. Tevergeefs blijven zij mij aanbidden, omdat zij mensengeboden als leerstellingen onderwijzen.’” — Matth. 15:6-9.

MAATSCHAPPELIJKE TAKEN HEBBEN VOORRANG

Veel tijd van de geestelijken is tegenwoordig niet aan het onderwijzen en bestuderen van de bijbel, maar aan maatschappelijke aangelegenheden gewijd. The Saturday Evening Post zei over de gemiddelde geestelijke van tegenwoordig:

„Hij is in plaats daarvan . . . een organisator van comités, voorzitter van een club, iemand die onbetekenende ruzietjes tussen eerbare dames van het altaargilde bijlegt. Hij is iemand die aan geld probeert te komen, een bouwer, een spreker op lunchpartijen, iemand die meedoet aan en bijdragen levert voor elke maatschappelijke onderneming die de moeite waard is, aan wie voortdurend zo gerukt en getrokken wordt dat hij zich letterlijk moet verstoppen als hij er tijd voor wil maken de bronnen van zijn geest door meditatie, gebed en een studie van de Schrift weer te vullen.”

Het boek The Comfortable Pew merkt op overeenkomstige wijze op: „De ketenen van het leven in een parochie maken het hem moeilijk eruit los te breken en iets anders te zijn, daar te veel van zijn tijd gewijd is aan het balanceren met porselein en het onschuldig babbelen met de plaatselijke bewoners. . . . De overheersing van het leven in een parochie, waarin de sfeer heerst van een sociale club, betekent dat de kerk hecht verbonden is met de wereldlijke maatschappelijke hiërarchie van de samenleving.”

ZIJ ZIJN BIJ DE POLITIEK BETROKKEN

Een van de voornaamste redenen voor de teruggang in achting voor de geestelijken, is dat zij betrokken zijn in de politiek en de oorlogen van deze wereld. Steeds meer personen beginnen in te zien hoe onlogisch het is dat geestelijken beide zijden steun verlenen, in het bijzonder bij militaire strijd. De New York World–Telegram and Sun berichtte in dit verband op 11 maart 1966:

„Vertegenwoordigers van drie religieuze geloven hebben gisteren geprobeerd een groep studenten uit Brooklyn ervan te overtuigen dat het bijbelse verbod te doden, niet van toepassing is op de oorlog in Vietnam.

Over het algemeen genomen was de poging zonder succes. De toehoorders . . . gingen weg met het idee — zoals één student het formuleerde — dat de sprekers ’ons beetnamen’.”

De hierbij betrokken geestelijken waren katholiek, joods en protestants. Een van hen zei, in een poging het goed te praten wanneer men in een oorlog gewikkeld is: „Men moet doden met een zuiver hart.”

Bij een opinieonderzoek onder geestelijken die dienst doen als aalmoezenier en veldprediker, ontdekte men dat hun standpunt met betrekking tot de moraliteit van de moderne oorlogvoering, absoluut niet verschilde van dat van andere militairen. De schrijver Berton merkt daarover op: „Geen van hen vond dat de individuele soldaat enige andere verantwoordelijkheid droeg dan zijn land te dienen. Deze zienswijze is precies gelijk aan de zienswijze welke de kern vormde van de verdediging van Adolf Eichmann tijdens zijn proces in Israël.”

Bertrand Russell zei dat in Engeland „de Anglicaanse Kerk elk standpunt van de regering hooghoudt, met inbegrip van dat betreffende oorlog en doden”. Hij merkte op dat de kerk in feite een kracht is geworden voor het scheppen van „verzet tegen gewetensbezwaren”.

De New York Times van 29 december 1966 berichtte betreffende de Katholieke Kerk:

„Aan traditie vasthoudende katholieken ondersteunen de oorlogshandelingen van de natie en schuiven de morele verantwoordelijkheid voor het optreden van oorlogen op de politieke autoriteiten. . . .

In het verleden hebben plaatselijke katholieke hiërarchieën bijna altijd de oorlogen van hun natiën ondersteund; zij hebben troepen gezegend en gebeden opgezonden voor de overwinning, terwijl een andere groep bisschoppen aan de andere kant in het openbaar bad voor de tegengestelde uitslag. En bij dit alles bewaarde het Vaticaan gewoonlijk zorgvuldig zijn neutraliteit en pleitte voor een spoedig beëindigen van de vijandelijkheden. . . .

De tegenstrijdigheid van de christelijke geest en het gedrag tijdens de oorlog, dat door theologische spitsvondigheden vaak verdoezeld werd, treedt voor velen steeds duidelijker aan het licht naarmate de wapenen onmenselijker worden.”

Bij de begrafenis van een soldaat die bij een gevecht gesneuveld was, leidde de predikant van een lutherse kerk in Des Moines, Iowa, de dienst. In de Register van 10 februari 1968 werd gezegd: „De Eerw. M. Haerther, predikant van de kerk, zei . . . dat hij wist dat het Gods wil was.” De geestelijke voegde eraan toe: „Als een soldaat in een rechtvaardige oorlog sterft terwijl hij zijn plicht doet, dan is dat niet alleen een eervolle dood in dienst van het land, maar het is ook een gezegend einde voor hem . . . Ik ben er zeker van dat de engelen klaar gestaan hebben om zijn ziel naar de hemel te brengen, en nu geniet hij vrede.”

Deze geestelijke sprak over een „rechtvaardige” oorlog. Een door de Nationale Raad van Katholieken in de Verenigde Staten uitgegeven brochure, The Church and War, levert hier commentaar op. Een schrijver van United Press International, L. Cassels, merkte bij een overzicht van de brochure op dat „de belangrijkste richting van de christelijke traditie vertegenwoordigd wordt door de leer van de ’rechtvaardige oorlog’, die in de 5de eeuw n. Chr. door de grote St. Augustinus nauwkeurig geformuleerd is”. Wat waren Augustinus’ regels voor een „rechtvaardige” oorlog? 1. Hij zal alleen maar gevoerd worden als dat absoluut noodzakelijk was; 2. het enige wettelijke doel ervan is zo spoedig mogelijk een rechtvaardige en stabiele vrede tot stand te brengen; 3. hij zal met barmhartigheid gestreden worden, elke nodeloze onmenselijkheid zal worden vermeden en het gebruik van geweld zal tot een minimum beperkt worden.

Bij zijn verslag over de publikatie van deze brochure maakte Cassels duidelijk: „In de Tweede Wereldoorlog werd echter aan beide zijden elk voorwendsel van een ’minimum’ aan geweld prijsgegeven voor een algehele, ’totale’ oorlog. Van elke zijde liet men het bommen regenen op steden van de andere kant, en miljoenen burgers, waaronder vrouwen, kinderen en bejaarden, werden gedood, verminkt of werden dakloos.”

Toch beschouwden de geestelijken van beide zijden de oorlog als een „rechtvaardige” oorlog. Geestelijken van dezelfde religie baden om de overwinning aan elk van de elkaar bestrijdende zijden!

HET CHRISTELIJKE STANDPUNT

Is een oorlog die „broeders” van dezelfde „christelijke” religie tegen elkaar opzet, werkelijk een „rechtvaardige” oorlog? Wie bepaalt dat? Augustinus? Maar is Augustinus een grotere autoriteit betreffende een christelijk gedrag en de christelijke leer dan Jezus Christus, of de apostelen, of Gods geschreven Woord, de bijbel?

Jezus zei degenen die er aanspraak op wilden maken christenen te zijn: „Hieraan zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt, indien gij liefde onder elkaar hebt” (Joh. 13:35). De apostel Paulus zei tot christenen: ’Gij zult allen in overeenstemming met elkaar spreken en er zal geen verdeeldheid onder u zijn. Bestaat de Christus dan verdeeld?’ (1 Kor. 1:10, 13) Kan er een grotere verdeeldheid bestaan dan die welke tot resultaat heeft dat leden van dezelfde religie elkaar doden?

Sommige geestelijken geven werkelijk toe dat er in het vroege christendom absoluut geen basis is voor de steun die zij de oorlogen van deze wereld hebben gegeven. De geestelijke I. Evans, vroeger redacteur van Blackfriars, een Britse krant, erkende dat een dergelijk bloedvergieten onverenigbaar was met de „onverbrekelijk met het christendom verbonden traditie, de andere wang toe te keren”. De Eugene Register-Guard van 22 januari 1967 berichtte: „Evans zei dat christenen tot 313 n. Chr. niet deelnamen aan de oorlogen van het Romeinse Rijk. Bij het Edict van Milaan in 313 n. Chr. gaf keizer Constantijn de minderheidsgroep der christenen de volledige rechten en verplichtingen als Romeinse burgers. Volgens Evans was dit het begin van de theorie van de rechtvaardige oorlog.” Later werkte Augustinus dit verder uit.

Merk op wat de bronnen zijn van de „rechtvaardige oorlog”-theorie. Ze komt niet van God, niet van Jezus Christus, niet van de apostelen, niet van de eerste-eeuwse christenen. In plaats daarvan vindt ze haar oorsprong bij politici en bij geestelijken die tegen de vierde eeuw van onze gewone tijdrekening reeds afvallig geworden waren.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog aanvaardde de overgrote meerderheid der geestelijken van alle belangrijke religies in Duitsland de onschriftuurlijke zienswijzen van Constantijn en Augustinus. Zij ondersteunden Hitlers oorlogsmachine. Toch oordeelde men tijdens de Neurenbergprocessen van de politieke en militaire leiders der nazi’s dat zij er schuldig aan waren Hitlers moordzuchtige bevelen te hebben uitgevoerd. De geestelijken waren echter even schuldig, daar zij hun volgelingen hadden aangemoedigd Hitlers bevelen tot massamoord te gehoorzamen. Aan de andere kant hebben Jehovah’s getuigen het ware christelijke standpunt hooggehouden en als één man geweigerd de moordzuchtige plannen van de nazi’s te volvoeren. Zij gingen liever naar concentratiekampen dan de christelijke maatstaf van neutraliteit in de oorlog geweld aan te doen, omdat zij wisten dat „wij . . . God als regeerder meer [moeten] gehoorzamen dan mensen”. — Hand. 5:29.

Hoewel er sindsdien veel schande over Hitler gekomen is, en de steun die hem door geestelijken gegeven werd, duidelijk aan het licht gekomen is, houden sommige geestelijken thans zijn gedachtenis nog steeds hoog! In de uitgave van 12 mei 1968 van La Vanguardia Española in Barcelona, luidde een kop: „Begrafenisriten voor de eeuwige rust van Hitler.” In het begeleidende artikel stond:

„In de kerk van San Martín, in de Desengañostraat, werd gisteren een mis opgedragen voor de eeuwige rust van Hitlers ziel. Op de bidprentjes die tijdens de dienst werden rondgedeeld, werd nauwkeurig verklaard dat de mis werd opgedragen ’voor de eeuwige rust van Adolf Hitler en van allen die gevallen zijn bij de verdediging van de christenheid en de westerse beschaving’.”

EEN DEEL VAN DE WERELD

Doordat de geestelijken verwikkeld zijn in de politiek en de oorlogen van deze wereld, zijn zij er een deel van geworden. Hierbij komt nog dat zij de „nieuwe moraal” verdedigen en pogingen doen de leer en gebruiken zo te veranderen dat ze in overeenstemming zijn met wat populair is, in plaats van met wat juist is.

Toen een tweedejaars studente van het Barnard College onlangs gevaar liep van school gestuurd te worden voor het overtreden van de regels, omdat zij met haar vriend op kamers samenleefde buiten het terrein van de school, getuigden twee geestelijken ten gunste van dit meisje. De New York Daily News zei in een kop op de voorpagina: „Geestelijken steunen Linda in liefdesproces.” De krant zei:

„Een predikant, een rabbi en een hoogleraar in de filosofie spraken ten gunste van haar . . . en beweerden dat de school er wettelijk niet het recht toe heeft regels te stellen voor privé-zaken van de studenten. . . . De Eerw. W. Starr, protestants raadsman van de Columbia universiteit, noemde de regels van het huis ’belachelijk’. . . .

Starr werd in de getuigenbank opgevolgd door rabbi A. Bruce Goldman, joods raadsman van de Columbia universiteit. Goldman prees Linda voor wat hij haar moed en overtuiging noemde, en hij zei dat het verhoor een ’proef op de burgerlijke en persoonlijke rechten’ was.”

Ook Time Magazine van 10 mei 1968 berichtte: „Dient het christendom polygamie toe te staan? Onder bepaalde omstandigheden, ja, betoogt een rooms-katholieke missionaris in Afrika. . . . Zijn advies is: ’Als polygamie een gevestigde gewoonte is in een bepaalde plaats, neem de hele bubs dan in de kerk op — met kinderen en al.’”

Maar ziet het ware christendom hoererij en overspel door de vingers? Nee, het handhaaft hoge morele maatstaven (1 Kor. 6:9, 10). Hoe kunnen geestelijken zich dus christenen noemen en toch ideeën voorstaan die zo tegengesteld aan het christendom zijn? Wat zij voorstaan, kan niet de ware religie zijn die door God wordt goedgekeurd.

De geestelijken zijn werkelijk een deel van deze wereld. Zij passen de methoden, de tactiek, de leerstellingen en de moraal ervan toe. Gods Woord waarschuwt echter: „Weet gij niet dat de vriendschap met de wereld vijandschap met God is? Al wie daarom een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God.” — Jak. 4:4.

Spoort de bijbel oprechte personen ertoe aan te proberen de religies en de geestelijken die weigeren aan Gods maatstaven vast te houden, te verbeteren? Neen. In plaats daarvan dringt Gods Woord erop aan: „Gaat daarom uit hun midden vandaan en scheidt u af.” — 2 Kor. 6:17.

Waarom is het zo dringend nodig zich af te scheiden? Omdat God zeer binnenkort zijn oordeel zal voltrekken aan alle religies en religieuze leiders die zijn wetten verbreken en anderen ertoe brengen hetzelfde te doen. Zij zullen allemaal spoedig aan hun eind komen evenals degenen die hun trouw blijven. Daarom geeft Gods Woord met betrekking tot valse religie de waarschuwing: „Gaat uit van haar, mijn volk, indien gij niet met haar in haar zonden wilt delen, en indien gij geen deel van haar plagen wilt ontvangen. Want haar zonden hebben zich helemaal tot aan de hemel opgehoopt, en God heeft zich haar ongerechtigheden herinnerd.” — Openb. 18:4, 5.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen