Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w68 1/4 blz. 213-222
  • Schokkende religieuze vervolging in Malawi

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Schokkende religieuze vervolging in Malawi
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
  • Onderkopjes
  • Wie zijn de slachtoffers?
  • Waarom de vervolging?
  • Wie zijn de vervolgers?
  • „Donderslag bij heldere hemel”
  • Bekend als belastingbetalers
  • Geen bewijs van provocatie
  • Getuigen onwettig verklaard
  • De beschuldigingen veranderen
  • De president van Malawi
  • Hoe reageert de bevolking?
  • Zij strijden tegen God
  • Anderen trekken het zich aan
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
w68 1/4 blz. 213-222

Schokkende religieuze vervolging in Malawi

PLOTSELING is er opnieuw vervolging van een ijverige religieuze minderheid uitgebroken. Ze is opgevlamd met een gewelddadigheid en beestachtigheid die men eerder in verband brengt met de Donkere Middeleeuwen dan met het laatste derde gedeelte van deze twintigste eeuw. Gedurende het afgelopen jaar zijn huizen, zakenpanden en plaatsen van aanbidding van duizenden opgedragen christenen platgebrand of anderszins vernield omdat zij in overeenstemming met de bijbel poogden te leven. Zij zijn beroofd, meer dan duizend vrouwen zijn verkracht, mannen zijn bewusteloos geslagen en een aantal van hen is gedood. Waar is dit gebeurd? In Malawi, een smal, door andere landen ingesloten land in Centraal-Afrika, in het zuidoostelijke deel ervan.

Ja, in deze nieuwe natie van ongeveer vier miljoen inwoners, voorheen bekend als Nyasaland, vindt deze schokkende religieuze vervolging plaats. In Lilongwe, in Midden-Malawi, werden in drie nachten 170 huizen van deze christenen platgebrand. In het Fort Johnson district, iets naar het zuiden gelegen, werden tegen het einde van oktober 34 huizen en 18 voedselopslagplaatsen platgebrand. Op 27 oktober werden te Mbalame de huizen van alle christenen van twee gemeenten platgebrand, terwijl hun, met inbegrip van de vrouwen, de kleren van het lichaam werden gescheurd en zij wreed werden geslagen. In enkele van deze plaatsen gebruikten de vervolgers vrachtwagens om het geconfisqueerde huisraad van deze christenen weg te halen voordat zij hun huizen vernietigden.

Een reizende evangelieprediker in het land schreef: „Op 27 oktober werd ik van al mijn bezittingen beroofd. . . . Mijn vrouw en ik werden heel erg geslagen. De huizen van honderden van onze christelijke broeders zijn vernield. Vele plaatsen van aanbidding zijn gesloopt.”

Op één plaats werden enkelen van deze christenen bewusteloos geslagen en een van hen werd boven op een stapel hout gelegd, die toen in brand werd gestoken. Dit alles geschiedde op aansporing van een lid van het parlement van Malawi. Maar toen bedacht deze politicus zich en het de bewusteloze christen daarom snel van de stapel aftrekken.

Ergens anders werd een groep van deze christenen op zekere nacht gewekt door beambten van de Congress Party. De mannen werden geslagen en hun werden snijwonden toegebracht met stokken en pangas (kapmessen), waarna zij werden gedwongen toe te kijken hoe tien van hun vrouwen werden verkracht. Twee van de vrouwen waren zwanger, en ten gevolge van deze mishandeling had een van hen later een miskraam.

Tegen het einde van oktober werd een groot aantal christelijke vrouwen van het Mlanje gebied aangevallen en verkracht, en op 25 oktober 1967 werd een vijftienjarig meisje te Mkuwila Village, omdat zij weigerde een compromis aan te gaan met betrekking tot haar religieuze overtuigingen, aan een boom gebonden en zes maal verkracht. Hoe sadistisch deze vervolgers waren, blijkt wel hieruit, dat zij zelfs een houten stop met geweld in het lichaam van één christelijke vrouw duwden.

Deze schokkende vervolging heeft velen van deze christenen in een ziekenhuis doen belanden, en tot op het einde van november 1967 werden er ten minste vijf van hen gedood. Honderden zijn voor veiligheid naar de rimboe gevlucht, terwijl letterlijk duizenden anderen de wijk hebben genomen naar de aangrenzende Portugese provincie Mozambique, waar hun voedsel en onderdak is verschaft.

The Times van Blantyre, Malawi’s belangrijkste industriestad, die in het zuiden van het land is gelegen, vertelde in zijn uitgave van 9 november dat 3000 van deze christenen in Lilongwe voor de rechtbank waren verschenen op de beschuldiging leden van een onwettig genootschap te zijn. Om de waarheid van dit bericht na te gaan, bezochten twee zendelingen Lilongwe. Zij vonden daar 2400 van hen in de gevangenis en vernamen dat daar vijf baby’s waren geboren en dat er 800 christenen op het politiebureau werden vastgehouden. Ofschoon de meesten van dezen onder de blote hemel hadden geslapen en het geregend had, was hun geest goed en waren zij vastbesloten pal te staan. Zo’n geloof is beslist prijzenswaardig, maar maakt een regering die hen zo hardvochtig behandelt zich niet te schande voor de gehele wereld?

Wie zijn de slachtoffers?

Deze vervolgde slachtoffers behoren tot een religieuze minderheidsgroep die als de christelijke getuigen van Jehovah bekendstaat, welke getuigen in de gehele wereld bekendheid genieten vanwege hun krachtige, op de bijbel gebaseerde geloof. Ongetwijfeld kent u enkele getuigen van Jehovah in uw omgeving en hebt u opgemerkt dat zij hun religie de eerste plaats in hun leven toekennen, hetgeen Jezus zijn volgelingen ook gebood toen hij zei: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken” (Matth. 6:33). Jehovah’s getuigen in Malawi doen dit eveneens.

Deze christenen bevinden zich reeds sinds de Eerste Wereldoorlog in Malawi en zijn sinds 1933 door het Wachttoren Genootschap georganiseerd voor de prediking van „dit goede nieuws van het koninkrijk” (Matth. 24:14). Tegen augustus 1967 waren er in Malawi 18.519 christelijke getuigen van Jehovah actief bezig met het verrichten van hun opvoedkundige werk en zij ondervonden betrekkelijk weinig hinder. Toen zij in de zomer van 1967 hun „Maak discipelen”-districtsvergaderingen hielden, waren er in totaal 25.830 personen, of ruim 7000 personen méér dan er Getuigen in het land waren, aanwezig en zij luisterden met belangstelling. Onder de aanwezigen waren waarnemers van de regering die er niet aan konden ontkomen diep onder de indruk te geraken van de liefde, eenheid en vreedzaamheid die de Getuigen ten toon spreidden, waarbij vele duizenden personen van verschillende stammen als één grote familie met elkaar omgingen.

Waarom de vervolging?

Aangezien de getuigen van Jehovah zich aldus gedragen, waarom dan al deze gewelddadige vervolging in Malawi tegen hen? Een van de voornaamste redenen is dat de Getuigen weigeren een lidmaatschapskaart van de Malawi Congress Party te kopen en ook weigeren insignes te kopen en te dragen met de foto van de president van Malawi, Dr. H. Kamuzu Banda. Andere religieuze organisaties — katholieke, protestantse en mohammedaanse — zijn in deze opzichten alle bezweken, maar Jehovah’s getuigen niet. Waarom niet? Omdat zij zich stipt aan Gods Woord houden.

Als christelijke getuigen van Jehovah volgen zij het voorbeeld van Gods Zoon, Jezus Christus, die zich afzijdig hield van de politiek van zijn tijd. Hij heeft gezegd dat zijn volgelingen „geen deel van de wereld [zijn], evenals ik geen deel van de wereld ben” (Joh. 17:16). En voor de Romeinse politieke regeerder van Judea, Pontius Pilatus, legde hij het volgende getuigenis af: „Mijn koninkrijk is geen deel van deze wereld. Indien mijn koninkrijk een deel van deze wereld was, zouden mijn dienaars hebben gestreden, opdat ik niet aan de joden overgeleverd zou worden. Maar mijn koninkrijk is nu eenmaal niet uit deze bron” (Joh. 18:36). Daarvóór, toen de joden hem wilden grijpen om hem koning te maken, ontweek hij hen en trok zich alleen op een berg terug. — Joh. 6:15.

Ja, Jezus predikte en was een trouw onderdaan van „het koninkrijk der hemelen”, „het koninkrijk Gods”. Jehovah’s getuigen, die als oprechte opgedragen christenen in Jezus’ voetstappen treden, hebben geen ander alternatief dan zich afzijdig, „onbevlekt van de wereld”, te houden. Aangezien zij hun trouw alleen aan Jehovah God en zijn koninkrijk kunnen geven, voelen zij zich verplicht zich te onthouden van elke actie die zulk een toewijding aan politieke leiders geeft. Daarom blijven zij dus neutraal ten aanzien van de politieke aangelegenheden van Malawi, evenals zij dit zijn met betrekking tot de politieke aangelegenheden van elk ander land waarin zij toevallig wonen. Wegens deze christelijke neutraliteit worden zij in Malawi vervolgd. — Matth. 4:17; Mark. 1:15; Jak. 1:27.

Wie zijn de vervolgers?

De mensen van Malawi staan bekend als een vredelievend volk, en zij weten dat de christelijke getuigen van Jehovah de vrede eveneens liefhebben. Waarom dan de vervolging? Het komt door de geest van het nationalisme, waardoor zovelen van de bevolking van dit land, vooral de jonge mensen die lid zijn van de Youth League (jeugdbond), zich in woede hebben laten ontsteken. Zij lijken op de nazi-jeugd, wier optreden zoveel joden het leven heeft gekost toen Hitler in Duitsland aan de macht was, en de Rode Gardisten, die zoveel mensen in communistisch China, die naar hun mening niet nationalistisch genoeg waren, geterroriseerd hebben. Om in de ogen van deze groeperingen goede onderdanen te zijn, is het niet voldoende belasting te betalen en alle wetten van het land te gehoorzamen, hetgeen Jehovah’s getuigen getrouw hebben gedaan, doch iedereen moet nu lid van de Malawi Congress Party worden en bewijzen dat hij dit is door een lidmaatschapskaart te kopen en een insigne te dragen met de foto van president H. Kamuzu Banda erop.

Zelfs al maanden voordat Malawi op 6 juli 1964 onafhankelijkheid verkreeg, ondergingen de christelijke getuigen van Jehovah van januari tot maart 1964 een golf van bruut geweld en meedogenloze vervolging wegens het standpunt dat zij in deze kwestie innamen. Toen werden 1081 van hun huizen en meer dan 100 van hun Koninkrijkszalen platgebrand of anderszins vernield. Ook werden er 588 akkers vernietigd waarop maïs, gierst, bonen, cassave en katoen stond. Vele Getuigen werden in ziekenhuizen opgenomen, vrouwen werden verkracht en acht Getuigen stierven als gevolg van mishandeling of omdat zij ter plaatse werden gedood. Velen van deze vervolgde Getuigen moesten wekenlang in de rimboe slapen met nauwelijks iets te eten, terwijl zij de extreme weersomstandigheden in het regenseizoen en de bedreiging van slangen en andere wilde beesten moesten verduren.

Toentertijd deden Jehovah’s getuigen in Malawi door bemiddeling van hun vertegenwoordigers hun best om te trachten met hen die verantwoordelijke regeringsposities bekleedden, te redeneren, opdat er een halt aan deze gewelddadige vervolging van onschuldige mannen, vrouwen en kinderen zou worden toegeroepen. Bij één gelegenheid hadden zij een ontmoeting met de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Yatuta Chisiza (die later tegen Dr. Banda in opstand kwam en onlangs door Malawi’s veiligheidspolitie werd doodgeschoten). Hij maakte hun duidelijk dat het hem zeer mishaagde dat de Getuigen de enigen waren die weigerden lidmaatschapskaarten van de Malawi Congress Party te kopen en hij zei tot de zegsman van de Getuigen dat, tenzij hij van gedachten veranderde, hem „een droevig ongeluk” wachtte. Ook hier viel te bemerken dat de Getuigen vervolgd werden wegens het neutrale standpunt dat zij ten opzichte van de nationale politiek innamen.

Ondanks de onbevredigende wijze waarop deze ontmoeting met minister Chisiza — evenals een eerdere ontmoeting met president Banda — eindigde, verbeterde de toestand voor de Getuigen in Malawi echter. Zij konden in de meeste gevallen naar hun dorpen terugkeren en hun huizen en Koninkrijkszalen herbouwen. Velen van hen die eens Jehovah’s getuigen mishandelden, kwamen hun nu vergeving vragen en een aantal van hen zijn thans zelf Getuigen. Gedurende deze tijd, zo zou men kunnen zeggen, trad er voor de Getuigen in Malawi ’een periode van vrede in en werden zij opgebouwd’, zo ongeveer als met de eerste christenen onder soortgelijke omstandigheden het geval was. — Hand. 9:31.

„Donderslag bij heldere hemel”

Gezien de redelijk gunstige omstandigheden waaronder de christelijke getuigen van Jehovah tijdens de jaren 1965 en 1966 hun predikingsactiviteiten ten uitvoer konden brengen, kwam het inderdaad als een „donderslag bij heldere hemel” toen de Getuigen op 23 april 1967 hun radio aanzetten en president H. Kamuzu Banda een aanval op hen hoorden doen. In de ongeveer een half uur durende boodschap, waarin hij verscheidene problemen besprak waarmee zijn land werd geconfronteerd, besteedde hij een derde van de tijd om een uitgebreide aanval op de Getuigen te doen. Hij verklaarde onder andere:

„Ik ben gealarmeerd door de berichten die mij uit bijna elk district bereiken van de opzettelijke provocatie door Jehovah’s getuigen van mijn aanhangers, leden van de Malawi Congress Party, in het bijzonder leden van de Youth League en Young Pioneers. Deze opzettelijke provocatie van de leden van mijn partij . . . neemt verschillende vormen aan. Eén ervan is dat Jehovah’s getuigen zelf weigeren belasting te betalen. Doch in plaats van het alleen maar bij de weigering te laten zelf belasting te betalen, verhinderen de Jehovah’s Getuigen anderen belasting te betalen of trachten zij dit te verhinderen, en als partijfunctionarissen hun zeggen de mensen niet te vertellen geen belasting te betalen, gaan zij de partijleiders opzettelijk beledigen. . . . Nog een vorm is dat de Jehovah’s Getuigen leden van de Malawi Congress Party verhinderen hun lidmaatschapskaart te vernieuwen of nieuwe lidmaatschapskaarten van de Malawi Congress Party te kopen. En als dan de leiders van de Malawi Congress Party . . . hun zeggen de mensen niet te beletten hun lidmaatschapskaarten van de Malawi Congress Party te vernieuwen of nieuwe kaarten te kopen, zeggen Jehovah’s Getuigen: ’Ja, ik wil dat u mij slaat, u kunt mij niet beletten hen te beletten. Ik doe dit opzettelijk zodat u mij kunt slaan, opdat ik u naar de politie kan meenemen.’ . . . De regering zal iedere ordelievende onderdaan tegen molestatie door wie maar ook beschermen . . . doch ze zal Jehovah’s getuigen niet de vrijheid geven wie maar ook te provoceren. . . . Ik wens dit volkomen duidelijk te maken. Jehovah’s getuigen moeten ermee ophouden anderen te provoceren, de mensen te provoceren. En als zij er niet mee ophouden en dat blijven doen, dan moeten zij zich niet beklagen als en wanneer zij afgeranseld worden.”

Bekend als belastingbetalers

De beschuldiging dat de christelijke getuigen van Jehovah hun belasting niet betalen en dat zij anderen ervan proberen te weerhouden hun belasting te betalen, is niet waar. Hun lectuur wijst herhaaldelijk op de schriftuurlijke verplichting die christenen hebben om de belasting die door dit samenstel van dingen geheven wordt te betalen, want Jezus gelastte het betalen van belastingen, toen hij zei: „Betaalt caesar daarom terug wat van caesar, maar God wat van God is.” Ook de apostel Paulus wees op dit vereiste toen hij aan de christenen in Rome schreef: „Geeft aan allen wat hun toekomt, aan hem die vraagt om de belasting, de belasting; aan hem die vraagt om de schatting, de schatting.” — Matth. 22:15-22; Rom. 13:7.

De reputatie die Jehovah’s getuigen in Malawi als belastingbetalers hebben is zelfs zo algemeen bekend dat, toen Dr. Banda hen ervan beschuldigde geen belasting te betalen, velen het openlijk met hem oneens waren. Meer nog, als welke christelijke getuige maar ook opzettelijk geweigerd had belasting te betalen of tussenbeide gekomen zou zijn als anderen hun belasting wilden betalen, dan zou hij uit zijn christelijke gemeente uitgesloten of eruit verwijderd zijn. Het is in dit verband beslist interessant te zien dat toen Jezus Christus, de Zoon van God, werd gearresteerd, onder andere de valse beschuldiging werd geuit: „Wij hebben bevonden dat deze man onze natie tot opstand aanspoort en verbiedt belastingen aan caesar te betalen” (Luk. 23:2). De regering van Malawi heeft thans verkozen dezelfde handelwijze te volgen als deze mannen die over Jezus Christus de dood brachten.

Zij die bekend zijn met Jehovah’s getuigen in Malawi berichten dat de Getuigen niet alleen gewetensvol hun belasting betalen, maar ook hun aandeel in de last van de zogenoemde ’eigen hulp’-projecten van de regering dragen, door te helpen bij het bouwen van scholen, ziekenhuizen, enzovoort. Jehovah’s getuigen in Malawi zijn in feite zo’n goed voorbeeld geweest in hun steun aan deze projecten, dat veel dorpshoofden en leiders de Getuigen in het openbaar hebben geprezen voor hun gewetensvolle krachtsinspanningen in deze aangelegenheden. Zij zijn zelfs door vele regeringsfunctionarissen en plaatselijke autoriteiten geprezen omdat zij de beste belastingbetalers van het land zijn. En toen een Portugese functionaris de omstandigheden van een grote groep personen die naar Mozambique had moeten vluchten, onderzocht, ontdekte hij dat ieder van hen een bewijs kon laten zien waaruit bleek dat hij zijn belasting betaald had, waardoor de beschuldiging dat zij „weigeren belasting te betalen” als een moedwillige leugen aan de kaak werd gesteld.

Geen bewijs van provocatie

De beschuldiging dat de Getuigen anderen opzettelijk uitlokken hen aan te vallen, is eveneens ongegrond. Bedenk dat deze nationalistische jongeren en anderen de getuigen van Jehovah niet alleen maar sloegen, maar de bezittingen van de Getuigen bij karrevrachten vol wegsleepten. Zij verbrandden de huizen en Koninkrijkszalen van de Getuigen, verkrachtten vrouwen en hebben zelfs mannen gedood. Het vergt beslist het uiterste van iemands lichtgelovigheid de beschuldiging te kunnen uiten dat de Getuigen deze plunderingen moedwillig hebben uitgelokt. Het feit dat duizenden Getuigen hun toevlucht hebben gezocht in Mozambique, bestempelt de beschuldiging van provocatie als vals.

Er is verder nog een wettelijk bewijs van het tegendeel, want dit was niet de eerste keer dat deze beschuldiging werd geuit. De waarnemend rechter Mr. L.M.E. Emejulu zei bij de uitspraak in strafzaak No. 46 van 1964, toen Dafter Biziweck en zeven anderen schuldig werden bevonden aan de moord op Elton Mwachande, een van Jehovah’s getuigen in Malawi, het volgende:

„Ik zie geen bewijzen voor provocatie. Het is waar dat Jehovah’s getuigen vastbesloten hun geloof hebben verbreid en hebben geprobeerd bekeerlingen te maken, maar zij leefden in overeenstemming met hun burgerplichten en zij hebben alles gedaan wat hun werd gevraagd, met inbegrip van de ontwikkeling van de gemeenschap. Zij hebben alleen geweigerd zich bij welke politieke partij maar ook aan te sluiten. . . . Er is geen bewijs dat zij ooit iemand hebben gedwongen of hebben geprobeerd iemand te dwingen hun religie te aanvaarden. Het tegendeel is bewezen. De Grondwet waarborgt hun het recht wel of niet tot enige politieke partij te behoren. Ik zie geen bewijzen voor provocatie.”

In verband met deze speciale moordzaak berichtte The Glasgow Herald (Schotland) op donderdag 29 oktober 1964:

„Acht personen ter dood veroordeeld. Moord op Jehovah’s getuige. Blantyre, Malawi. Woensdag. — Acht mannen, waaronder drie functionarissen van de Malawi Congress Party, werden deze week door het Hooggerechtshof ter dood veroordeeld voor de moord op een van Jehovah’s getuigen die geweigerd had zich te laten inschrijven voor de Algemene Verkiezingen. Zoals uit het bewijs bleek, werd de heer Elton Barnett Mwachande afgelopen februari in Mlanje ’neergeslagen en gedood’ toen Jehovah’s getuigen vluchtten voor mannen die de huizen verbrandden van mensen die weigerden zich te laten inschrijven. — Reuter.”

Getuigen onwettig verklaard

Hoewel de positie van Jehovah’s getuigen in 1964 aldus wettelijk werd verdedigd, droeg The Times in Blantyre, Malawi, op 18 september 1967 op de frontpagina de kop: „MALAWI STELT JEHOVAH’S GETUIGEN WELLICHT BUITEN DE WET.” Er werd in bericht dat de Congress Party tijdens de jaarvergadering die midden september was gehouden (en waar president Banda en alle ministers van zijn kabinet aanwezig waren), twaalf resoluties had aangenomen, waarvan de achtste luidde: „Ten sterkste wordt aangeraden de groepering van Jehovah’s getuigen in dit land onwettig te verklaren, daar de houding van de aanhangers hiervan niet alleen schadelijk is voor de vooruitgang van dit land, doch eveneens in elk opzicht zo negatief is dat de stabiliteit en vrede en rust die voor een goed verloop van onze Staat onontbeerlijk zijn, erdoor in gevaar worden gebracht.”

The Times berichtte eveneens het commentaar dat Dr. Banda op deze resolutie heeft gegeven, welk commentaar via de radio over het hele land werd uitgezonden:

„Zij veroorzaken overal moeilijkheden . . . De Regering zal wellicht een wet aannemen die zo is opgesteld dat elk gebied of elk district zelf kan beslissen of Jehovah’s getuigen daar wel of niet gewenst zijn. Als de mensen in een bepaald gebied ’Neen’ zeggen, dienen daar geen Jehovah’s Getuigen te zijn. Elk gebied zal dan het recht hebben voor zichzelf te beslissen, en als de Jehovah’s Getuigen dan hun boeltje niet pakken, worden zij gevangen gezet.”

„Veroorzaken overal moeilijkheden” — dit roept ons een gelijkluidende beschuldiging uit de dagen van de apostelen voor de geest! De christelijke zendeling en apostel van de natiën, Paulus, werd er eveneens valselijk van beschuldigd overal moeilijkheden te veroorzaken. — Hand. 24:2-9.

De resolutie die de Malawi Congress Party op haar algemene politieke bijeenkomst had aangenomen en waarin werd geadviseerd Jehovah’s getuigen onwettig te verklaren, werd niet in Malawi’s uit vijftig leden bestaande parlement — dat voor negentig percent uit christenen beweert te bestaan — besproken, noch werd erover gedebatteerd. In plaats van deze aangelegenheid aan elk district over te laten, besloot de regering bovendien Jehovah’s getuigen in het gehele land onwettig te verklaren, zoals in The Times van 23 oktober 1967 werd bericht, waarin onder de met grote hoofdletters afgedrukte kop „MALAWI VERKLAART ’GEVAARLIJKE SEKTE’ ONWETTIG”, stond te lezen:

„Er is ten aanzien van de religieuze organisatie van de Jehovah’s Getuigen verklaard dat ze ’gevaarlijk voor de goede regering van Malawi’ is, zodat ze nu een onwettig genootschap vormt. Deze bekendmaking werd in een speciaal Government Gazette Supplement gedaan, dat in het weekend werd gepubliceerd. In de kennisgeving No. 235, die persoonlijk door president Dr. Banda is ondertekend, wordt verklaard dat de actie wordt ingesteld onder Sectie 70 (2) (ii) van het wetboek van strafrecht van Malawi. De bekendmaking heeft tot gevolg dat de Jehovah’s Getuigen niet langer vergaderingen mogen houden, lectuur mogen verkopen of verspreiden of geld mogen ophalen . . . In de wet betreffende onwettige genootschappen wordt verklaard dat iedereen die de leiding heeft over een onwettig genootschap of hierin een leidinggevende functie bekleedt, zich aan een overtreding schuldig maakt en een gevangenisstraf van 14 jaar kan verwachten. In een ander gedeelte van de wet wordt verklaard dat geen lid mag toestaan dat er in ’enig huis of gebouw of op enig terrein’ dat hem toebehoort of door hem wordt bewoond, een vergadering van het genootschap of van leden van het genootschap wordt gehouden. Hier staat een gevangenisstraf van zeven jaar op. Er is in het wetboek van strafrecht ook een voorziening opgenomen op grond waarvan de politie een onderzoek mag instellen in elk pand dat het genootschap of zijn leden toebehoort of door hen wordt bewoond. Geen enkel lid mag aanplakbiljetten ten toon spreiden of ’enige slagzin roepen of uitspreken of enig teken maken’ dat verband houdt met het genootschap. De wet voorziet ook in de aanstelling van een functionaris die de zaken van een onwettig genootschap zal afwikkelen.”

Twee weken later, op 7 november, werd aan de acht Europese en Amerikaanse Getuigen die aldaar als zendelingen gestationeerd waren en van wie sommigen al tien jaar in het land dienst verrichtten, het ultimatum gesteld: „U krijgt hierbij bevel Malawi binnen 24 uur na deze kennisgeving en order te verlaten, tenzij u zich vóór die tijd op een overheidspersoon beroept.” Terzelfder tijd werd het moderne en goed geoutilleerde bijkantoor van Jehovah’s getuigen in Malawi door de regering overgenomen en onder politietoezicht gesteld. Alle door de Watch Tower Bible and Tract Society uitgegeven lectuur werd verbeurd verklaard.

Aangezien de zendelingen wisten dat zij niets verkeerds gedaan hadden, maakten zij geen aanstalten het land vrijwillig te verlaten. De volgende dag kwam de politie en werden zij alle acht gearresteerd. Vier werden onmiddellijk onder politiegeleide in een vliegtuig gezet. De overige vier werden in de Chichiri-gevangenis vastgehouden, vanwaar zij twee dagen later naar Mauritius werden gedeporteerd.

The Times van 9 november bevatte op de voorpagina een artikel waarboven met grote letters stond: „3000 IN GERECHTSGEBOUW ALS LEIDERS WEGGAAN”, terwijl daarin ook foto’s en details van de deportatie werden gepubliceerd. In dit artikel werd verder bericht dat een lid van het parlement van Malawi, J. D. Gunda, „het afgelopen weekend vroegere leden van de onwettig verklaarde religieuze Jehovah’s Getuigen-sekte had gewaarschuwd voor de zware straffen die aan degenen zouden worden opgelegd die de Wet opzettelijk zouden overtreden door als lid met de buiten de wet gestelde organisatie verbonden te blijven”.

De beschuldigingen veranderen

Ofschoon tegen Jehovah’s getuigen de beschuldiging was ingebracht dat zij een gevaarlijke organisatie vormen die wetteloos is en anderen tot wetteloze daden aanzet, worden zij er nu van beschuldigd alleen maar „dwaas en achterlijk” te zijn — stellig geen grote misdaad! Zo wijdde The Malawi News, de spreekbuis van de regering, het gehele bovenste stuk, een derde gedeelte, van de voorpagina van zijn uitgave van 24 november 1967, aan opschriften over Jehovah’s getuigen zoals „JEHOVAH’S GETUIGEN ZIJN DWAAS EN ACHTERLIJK”. „ZIJ ZIJN HET NIET WAARD DAT IEMAND ZICH DRUK OM HEN MAAKT.”

Het vermeldde onder andere: „President Ngwazi [de Veroveraar] zei dat deze mensen dwaas en achterlijk zijn, want als zij dan toch niet in de regering geloofden maar de hemel toebehoorden, waarom stuurden zij hun kinderen dan naar school, kwamen zij naar ziekenhuizen wanneer zij ziek waren en zochten na ’één klein schrammetje’ bescherming bij de politie.” Maar spotternij is geen vervanging voor logica, noch kan het de feiten teniet doen. Als belastingbetalers hebben Jehovah’s getuigen volledig het recht om naar regeringsziekenhuizen te gaan wanneer zij ziek zijn en om, wanneer zij aangevallen worden, een beroep op de politie te doen voor bescherming. Maar men zou heel terecht de vraag kunnen stellen: Betreft het slechts „één klein schrammetje” wanneer huizen worden geplunderd en afgebrand, wanneer vrouwen worden verkracht en mannen bewusteloos geslagen en zelfs gedood worden?

Waarom moeten Jehovah’s getuigen de ene maand onwettig worden verklaard omdat zij een gevaarlijke sekte vormen en de volgende maand eenvoudig als „dwaas en achterlijk” beschreven worden? Bovendien, indien de Getuigen het werkelijk ’niet waard zijn dat iemand zich druk om hen maakt’, waarom heeft de regering dan zulke drastische maatregelen tegen hen getroffen?

Het is duidelijk dat de houding van de regering niet consequent is. Waarom? Omdat de beschuldigingen niet waar zijn. De kwestie is dat er thans een campagne van openbare laster wordt gevoerd in een wanhopige poging de handelingen van de regering voor het publiek te rechtvaardigen.

De president van Malawi

Aangezien er zulke schokkende vervolgingen in Malawi aan de gang zijn, zouden enkele lezers kunnen denken dat president Banda slechts een provinciaal stamhoofd is die weinig van democratische beginselen afweet. Maar een dergelijke mening zou verkeerd zijn. Niet alleen heeft Dr. Banda alle voordelen van een westerse opleiding genoten — aangezien hij in de Verenigde Staten drie instellingen voor hoger onderwijs heeft bezocht en in Londen zeven jaar medicijnen heeft gestudeerd — maar hij heeft ook veel contact gehad met de religies van de christenheid. Het waren de methodisten, zo vernamen wij, die hem in de eerste plaats hielpen naar de Verenigde Staten te komen en hem de middelbare school lieten doorlopen. Ook is hij een ouderling van de Kerk van Schotland, een van de strengere protestantse denominaties, geweest. Hij heeft eens gezegd: „Ik ben een man van God.”

Tijdens een particuliere lunch met de president van de V.S. Lyndon Johnson, op 8 juni 1967, merkte hij op dat zijn gevoelens dezelfde waren als die van de man die eens zei: „Ik weet niet welke handelwijze anderen misschien zullen volgen, maar wat mij betreft, geef mij vrijheid of geef mij de dood.” Verder vertelde hij president Johnson: „Ik wil u graag doen weten, mijnheer de president, dat ik, wat het mij ook mag kosten, altijd doe wat volgens mijn geweten juist is.” — United States Departement of State Bulletin, 10 juli 1967.

Dr. Banda is door de Europeanen zeer geprezen. In de tijd dat Malawi onafhankelijkheid verkreeg, merkte een vooraanstaande Britse functionaris op: „De hemel zij gedankt voor Dr. Banda; hij is een man van onberispelijke rechtschapenheid, misschien de meest opmerkelijke, levende Afrikaan” (The Christian Century, 17 juni 1964). Europese functionarissen die in Malawi werkzaam zijn en de ruggegraat van de handel en de regeringsadministratie vormen, zijn zeer ingenomen met Dr. Banda. Zij hebben gezegd: „Je kunt hier alles zijn wat je wilt, behalve communist. Wij zijn bang als wij eraan denken dat er iets met Banda zou gebeuren” (Newsweek, 8 juli 1966). Maar nu kan iemand in Malawi niet wettig een van Jehovah’s getuigen zijn!

Op 4 november 1967 stuurde de bedienaar van het evangelie die in Malawi de leiding had, de goed opgeleide president van Malawi, Dr. Banda, een brief waarin hij de schokkende vervolging van de christelijke getuigen van Jehovah onder de aandacht van de president bracht en hem eerbiedig verzocht zijn macht te gebruiken om deze geweldpleging een halt toe te roepen. Hij herinnerde hem eraan dat hij had gezegd dat „de regering . . . iedere ordelievende onderdaan tegen molestatie door wie maar ook [zal] beschermen”. Aan het einde werd hem dringend verzocht al zijn „krachten [te gebruiken] om dergelijke daden van geweldpleging tegen onschuldige mensen een halt toe te roepen”. Hij hield zich echter doof voor dit verzoek.

Hoe reageert de bevolking?

Hoe denkt de bevolking van Malawi over de verbodsbepaling? Ook hier kunnen wij een vergelijking vinden in de bijbel. Zoals in de dagen van Jezus’ apostelen, toen de regeringsmachten onder de joden hun prediking onwettig verklaarden terwijl de gewone mensen hen graag hoorden, is het ook in Malawi. In de eerste plaats worden de radicaal nationalistische jeugdgroeperingen, verre van bij de mensen populair te zijn, door hen gevreesd. Toen zij hoorden dat Jehovah’s getuigen onder een verbodsbepaling stonden, riepen sommigen van deze mensen uit: „Nu weten wij dat wij het einde der wereld naderen, nu Gods volk in ons land verboden is!” En toen een oudere politieagent van het bevel tot deportatie van de buitenlandse zendelingen van Jehovah’s getuigen hoorde, vroeg hij met opgewonden stem: „Waar moet dit naar toe?” — Hand. 5:28; 6:7.

Na de eerste waarschuwing omtrent het onwettig verklaren van Jehovah’s getuigen, ging een vooraanstaand lid van de Malawi Congress Party, net zoals Nikodémus onder dekking van de nacht bij Jezus kwam, midden in de nacht naar een Getuige toe en vroeg: „Wat moet ik doen om een van Jehovah’s getuigen te worden? Ik wil liever met jullie in de gevangenis sterven dan erbuiten zijn zonder Jehovah’s getuigen in de buurt” (Joh. 3:1, 2). Op de laatste dag dat de zendelingen nog in Malawi waren, kwam een jongeman naar hun bureau in Blantyre en vroeg vergeving voor de wijze waarop hij de Getuigen had mishandeld. Hij zei dat hij van nu af aan zijn levenswijze ging veranderen en uitte het innige verlangen met een van de Getuigen de bijbel te bestuderen.

Zij strijden tegen God

Jehovah’s getuigen zullen er niet mee ophouden God te dienen alleen maar omdat hun christelijke loopbaan niet door president Banda wordt goedgekeurd. Zij zijn net als de christenen uit de eerste eeuw, die gehoorzaamheid aan God vóór gehoorzaamheid aan mensen lieten komen. Toen de apostelen voor de regeerders werden gesleept die tot hen zeiden: „Wij hebben u uitdrukkelijk bevolen niet door te gaan met onderwijzen op basis van deze naam, en ziet! nochtans hebt gij Jeruzalem met uw leer vervuld, en gij zijt vastbesloten het bloed van deze mens [Jezus Christus] over ons te brengen”, antwoordden zij onbevreesd: „WIJ MOETEN GOD ALS REGEERDER MEER GEHOORZAMEN DAN MENSEN.” — Hand. 5:28, 29.

Aan de andere kant zullen zij ook niet tegen de regering opstaan en kwaad met kwaad vergelden. De wapens die deze christenen gebruiken, zijn niet vleselijk maar geestelijk, voornamelijk het Woord van God. Zij zijn zich bewust van de verplichting het voorbeeld na te volgen, dat hun Leider Jezus Christus hun gesteld heeft, over wie staat geschreven: „Wanneer hij werd beschimpt, ging hij niet terugschimpen. Wanneer hij leed, ging hij niet dreigen.” Zij trachten niet zichzelf te wreken doch ’geven plaats aan de gramschap’, wetend dat er staat geschreven: „Aan mij is de wraak; ik zal vergelden, zegt Jehovah.” — 1 Petr. 2:21, 23; Rom. 12:19.

Neen, niet van Jehovah’s getuigen hebben president Banda en zijn aanhangers iets te vrezen, maar van de Almachtige God zelf. Zij hebben zich tegen Jehovah God verheven en zich tot strijders tegen God gemaakt (Hand. 5:38, 39). Zij behoeven deze handelwijze echter niet te blijven volgen. Zij kunnen veranderen. Zullen zij dit doen? Dat is een vraag die niet alleen door Dr. Banda onder ogen moet worden gezien, doch door elk lid van het parlement van Malawi, alsook door elke regeringsfunctionaris in Malawi. Ja, deze vraag moet door een ieder onder ogen worden gezien die hem als lid van zijn politieke partij steunt.

Anderen trekken het zich aan

De president van Malawi is misschien van mening dat wat hij als president van Malawi doet, zijn zaak is en niet die van de rest van de wereld. Maar moet hij niet geholpen worden te beseffen dat de rest van de wereld er nota van neemt wanneer het recht met voeten wordt getreden en onschuldige christenen wreed worden mishandeld? Moet hem niet krachtig onder de aandacht worden gebracht dat hij zich door deze actie niet geliefder heeft gemaakt, noch bij zijn eigen volk noch bij rechtgeaarde personen in enig ander deel van de wereld?

Indien u iemand bent die vrijheid, waarheid en rechtvaardigheid op prijs stelt, is het uw voorrecht uw stem te laten horen ten behoeve van degenen die zo wreed worden mishandeld wegens hun geloof in God. Protestbrieven kunnen worden gericht aan:

Zijne Excellentie

Dr. H. Kamuzu Banda

President van Malawi

P.O. Box 53

Zomba, Malawi, Centraal-Afrika

De Hoogedelgestrenge Heer J.D. Msonthi, M.P.

Minister van Transport en Verbindingen

Zomba, Malawi, Centraal-Afrika

De Hoogedelgestrenge Heer G.W. Kumtumanji, M.P.

Minister van Plaatselijk Bestuur en Minister van Gezondheid

Zomba, Malawi, Centraal-Afrika

De Hoogedelgestrenge Heer M.Q.Y. Chibambe, M.P.

Regionaal Minister voor de Northern Region

Zomba, Malawi, Centraal-Afrika

De Hoogedelgestrenge Heer A.M. Nyasulu, M.P.

Minister van Staat in het Ministerie van Buitenlandse Zaken

P.O. Box 943

Blantyre, Malawi, Centraal-Afrika

De Hoogedelgestrenge Heer G. Chakuamba, M.P.

Minister van Onderwijs

Zomba, Malawi, Centraal-Afrika

De Hoogedelgestrenge Heer Aleke Banda

Minister van Economische Zaken en Openbare Werken

Zomba, Malawi, Centraal-Afrika

De Hoogedelgestrenge Heer J.T. Kumbeweza, M.P.

Regionaal Minister voor de Central Region

Zomba, Malawi, Centraal-Afrika

De Hoogedelgestrenge Heer J.Z.U. Tembo, M.P.

Minister van Financiën

Zomba, Malawi, Centraal-Afrika

De Hoogedelgestrenge Heer A.A. Muwalo

Minister van Staat in het Bureau van de President

Zomba, Malawi, Centraal-Afrika

De Hoogedelgestrenge Heer A.B.J. Chiwanda

Minister van Arbeid

Zomba, Malawi, Centraal-Afrika

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen