Vervolging werkt als een boemerang
In de Verenigde Arabische Republiek zijn van november 1966 tot september 1967 in de steden waar gemeenten van Jehovah’s getuigen zijn, meer dan 100 van deze Getuigen voor openbare bestuurders geleid. De opzet van deze oproepen was, hun door bedreigingen vrees aan te jagen en hierdoor zowel een einde te maken aan de groepsstudies met de vrienden als aan de aankondiging van Gods opgerichte koninkrijk. Het resultaat was echter tegengesteld aan wat men verwacht had. Het aantal vrienden bleef toenemen en hun activiteit werd intensiever. De „superieure autoriteiten” begonnen daarom, op voortdurende aanstichting van de voorstanders van de valse religie, een campagne van arrestaties en van fysieke mishandeling van de gevangenen. De golf van vervolging werd nog heviger toen de autoriteiten op 15 juni 1967 hoorden van het uitbreken van de Arabisch-Israëlische oorlog. De Inlichtingendienst ging in veel steden behoorlijk tekeer en ging naar het huis van wel twintig broeders toe, arresteerde zonder onderscheid te maken alle broeders van achttien jaar en ouder, en zette hen in de gevangenis. Tot op het ogenblik dat dit geschreven werd, zijn al deze broeders nog steeds opgesloten.
Heeft deze campagne een einde gemaakt aan het werk? In geen geval! Het heeft er alleen toe bijgedragen dat aan de autoriteiten een verder getuigenis gegeven werd, en tevens aan de mensen in het algemeen, zoals Jezus ook duidelijk gemaakt had: „De mensen [zullen] de handen aan u slaan en u vervolgen en u overleveren aan . . . gevangenissen, ja, gij zult voor koningen en bestuurders worden gesleept ter wille van mijn naam. Het zal voor u uitlopen op een getuigenis.” — Luk. 21:12, 13.