Waarom zoveel te doen?
GEEN twijfel aan, tegenwoordig hebben de christelijke getuigen van Jehovah veel te doen. Zij moeten de bijbel en bijbelse lectuur lezen en bestuderen; er zijn vijf wekelijkse vergaderingen waarop zij zich moeten voorbereiden en die zij moeten bijwonen; er zijn alle verschillende takken van de christelijke velddienst, zoals de prediking van huis tot huis, het brengen van nabezoeken en het leiden van huisbijbelstudies bij de mensen. Ook is het noodzakelijk hun christelijke broeders te helpen, en zij moeten zich ook voorbereiden op aandelen aan de verschillende programma’s, enzovoorts. Zij die dienaren in de gemeente zijn, moeten zich bovendien van nog meer plichten kwijten.
Veel te doen? Geen twijfel aan! Maar hebt u er ooit aan gedacht dat christelijke bedienaars niet beslist de enigen zijn die veel te doen hebben? Mensen met een beroep als dat van huisarts, hebben dikwijls ook veel te doen. Een gewetensvol huisarts besteedt wellicht zeventig of meer uur per week aan zijn beroep, alleen wegens de eisen die zijn patiënten aan hem stellen. En daarnaast moet hij heel wat lezen om met het voortschrijden van de medische wetenschap gelijke tred te houden.
Indien de gewetensvolle huisarts redenen heeft om het druk te hebben, indien hij veel te doen heeft, hebben Jehovah’s christelijke getuigen zelfs nog meer redenen om het druk te hebben. Hoe dat zo? Omdat hun werk veel belangrijker is, namelijk dat van geestelijke gezondmaking, dat tot eeuwig leven leidt, en, wat meer is, iedereen heeft de soort van genezing die zij bieden, nodig. Hun werk eist echter veel tijd en geduld omdat zij de mensen eerst moeten aantonen hoezeer zij geestelijke genezing nodig hebben en hoe ernstig het is wanneer men geestelijk ziek is, want de meeste mensen zijn zich niet van hun geestelijke nooddruft bewust.
DE DRINGENDHEID VAN ONZE TIJD
Nog een reden waarom zulke bedienaars het zo druk hebben, zoveel te doen hebben, is dat er nog maar zo weinig tijd rest om geestelijke gezondmaking in te verrichten. Wij leven inderdaad in een dringende tijd. Jezus vergeleek onze dringende tijd met de dagen van Noach, en wij weten dat Noach veel te doen had: voor zijn huisgezin zorgen, prediken, een ark bouwen, de dieren bijeenbrengen en voor allen voedselvoorraden voor een jaar opslaan (Gen. 6:13–7:5; Matth. 24:37-39). En herinnert u zich Gideon en zijn groep die de Midianieten op de vlucht joegen? Zij hadden een dringende taak voor de boeg als zij de overwinning wilden behalen, en wij lezen dan ook dat zij „ondanks hun vermoeidheid de vervolging voortzetten”. — Richt. 8:4.
Als christenen zijn wij in een geestelijke oorlog, weerstaan wij de krachten die geestelijke ziekte veroorzaken. Het houdt ons druk bezig en soms worden wij moe, maar wij zetten, als het ware, de achtervolging voort. Wij blijven voortgaan omdat wij weten dat er levens op het spel staan.
Jezus zei bij één gelegenheid: „Wij moeten de werken doen van hem die mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, waarin niemand kan werken.” Zulk een nacht daalde over Jezus. Maar in deze tijd komt Armageddon, hetgeen niet veraf kan zijn, want het geslacht van 1914 zal niet voorbijgaan voor het komt! Geen twijfel aan, de tijd loopt ten einde! Is het dus niet passend dat wij veel te doen hebben naarmate Armageddon naderbij komt? — Joh. 9:4; Matth. 24:34.
EEN BESCHERMING VOOR ONS
In werkelijkheid is „volop te doen hebben in het werk van de Heer” een bescherming, een zegen voor ons (1 Kor. 15:58). In welk opzicht? Omdat, daar wij geen deel van de wereld zijn, veel te doen hebben ons beschermt tegen haar verleidingen en valstrikken die ons aan alle kanten omringen. Het is van de zijde van de „getrouwe en beleidvolle slaaf” zorgzaam om ons volop te lezen en te studeren te geven, ons veel vergaderingen te laten bezoeken en veel in de velddienst te doen te geven. Door met deze dingen bezig te blijven, zullen wij bemerken dat onze geest met opbouwende dingen is gevuld. Dit beschermt onze geest tegen de geest van deze wereld en onszelf tegen het ons bezighouden met de werken van het vlees. — Gal. 5:19-23; Fil. 4:8.
Trek lering uit koning David. Hij zou nooit de afschuwelijkste fout van zijn leven hebben begaan, als hij bezig was gebleven. Eens bleef koning David thuis, klaarblijkelijk besloten om het „kalmpjes-aan te doen”. Als hij samen met zijn generaal Joab bezig zou zijn geweest de zonen van Ammon te Rabba te bestrijden, zou hij nimmer aan die verleiding zijn blootgesteld waarvoor hij zwichtte en waarvan hij nadien o zo’n bittere spijt had! Als u achterom kijkt, bemerkt u dan niet dat veel te doen hebben u er soms misschien voor heeft behoed een ernstige fout te maken? — 2 Sam. 11:1; Ps. 51.
VOORZIENINGEN TEN GERIEVE VAN ELKEEN
Het feit dat de „getrouwe en beleidvolle slaaf” ons zoveel te doen geeft in de velddienst, betekent niet dat van iedereen verwacht wordt alles te doen wat alle anderen doen. De plaatselijke gemeente, bijvoorbeeld, heeft misschien voorzieningen getroffen dat men dinsdagavond voor de boekstudie een uur in de velddienst gaat, woensdagavond nabezoeken brengt, midden in de week overdag een actie heeft, zaterdag tijdschriftenwerk, en zondag van huis tot huis- en nabezoekwerk verricht. Deze regelingen zijn niet getroffen met de gedachte dat iedereen praktisch iedere dag in de week in de dienst uittrekt. De velddienstbijeenkomsten zijn voor ons gemak, om ons te helpen.
Voor christelijke huisvrouwen die een ongelovige man hebben die wil dat zij ’s zondags thuis blijven, is er een actie in de week. Dan is de één misschien in de gelegenheid deel te nemen aan de activiteit vóór de boekstudie op dinsdagavond, de ander misschien niet, maar zij kan misschien op woensdagavond gaan. Weer iemand anders is misschien in staat zaterdags aan het tijdschriftenwerk deel te nemen, maar de ander kan misschien alleen zondags in de velddienst uittrekken. Doordat wij vele regelingen hebben getroffen, is er voor allen gelegenheid naar hun toestand en omstandigheden een aandeel te hebben, en niemand behoeft zich gedrongen of gedwongen te voelen op een tijd uit te trekken die niet gelegen komt.
En dan, niet allen hebben dezelfde kracht en energie. Sommigen kunnen misschien slechts één of twee uur op zondagmorgen of -middag besteden. Het is beter om dat ene uur te besteden als helemaal niet te gaan. In dit verband kan men moed putten uit de weduwe met haar geldstukken van zeer geringe waarde. Waar het om gaat is, dat zij alles gaf wat zij had; zij gaf niet weinig omdat zij niet meer verlangde te geven. — Luk. 21:1-4.
Ieder van ons kan dus zijn eigen toestand onderzoeken. Als wij met hart en ziel in Jehovah’s dienst staan, hebben wij reden ons te verheugen. Doch als wij terughoudend zijn ten aanzien van de dienst omdat wij de voorkeur aan andere activiteiten geven, moeten wij onze geestelijke kijk verbeteren.
VOLDOENDE GEESTELIJK VOEDSEL VOOR ALLEN
Hetzelfde beginsel is van toepassing op ons lezen van de publikaties van het Wachttorengenootschap. Sommigen hebben meer tijd om te lezen dan anderen; sommigen lezen sneller dan anderen; sommigen kunnen de dingen sneller bevatten dan anderen. Wij zouden onze geestelijke voorzieningen kunnen vergelijken met een groot banket dat voor vele gasten, oud en jong, groot of klein, wordt aangerecht. Niet allen kunnen dezelfde hoeveelheid voedsel eten, maar er is voor allen in overvloed. Zo is het ook met ons geestelijke voedsel. — Jes. 25:6.
Niet iedereen is wellicht in staat alles te lezen wat het Genootschap publiceert. Maar stellig dienen allen er naar te streven tijd te vinden om de bijbel regelmatig te lezen en het officiële tijdschrift van het Genootschap, De Wachttoren van begin tot eind te lezen. Als wij bemerken dat wij dat niet doen, kunnen wij ons terecht afvragen: Maken wij wel een zo goed mogelijk gebruik van de tijd die ons ter beschikking staat? Kan het zijn dat wij tijd besteden aan het lezen van wereldse tijdschriften, die wij zouden kunnen besteden aan het lezen van De Wachttoren? Of besteden wij te veel tijd aan de dagelijkse krant en het kijken naar de televisie?
Hoe staat het met het lezen van het tijdschrift Ontwaakt!? Om veel verschillende soorten van mensen aan te trekken, bevat het een grote verscheidenheid van artikelen. Een zuster heeft wellicht geen interesse voor wat het heeft te zeggen over de verzorging van het motorische gedeelte van auto’s en een broeder heeft misschien niet veel belangstelling voor een artikel over naaien. Maar er is iets voor iedereen, een grote verscheidenheid van onderwerpen voor personen in verschillende omstandigheden.
Verklein de waarde van Ontwaakt! echter niet. Als u kunt, lees dan ieder nummer van begin tot eind. Ontwaakt! beschermt ons voor de schepselaanbidding waartoe wereldse tijdschriften aanmoedigen door de aandacht op persoonlijkheden te vestigen, en het geeft ons tevens op alles wat het bespreekt het theocratische perspectief. Wereldse tijdschriften spreken bijvoorbeeld wellicht over het opkomen van „situatie-ethiek”, maar ze geven ons niet Gods standpunt hierover. Misschien hebben ze interessante verslagen over spookhuizen, maar ze hebben geen idee van wat erachter zit. Ontwaakt!-artikelen worden door Gods organisatie voorbereid, die belang stelt in ons geestelijke welzijn. — Rom. 8:6.
Als christelijke getuigen van Jehovah hebben wij veel te doen op het gebied van het persoonlijk lezen van de bijbel en bestuderen van bijbelse lectuur, het bezoeken van vergaderingen en het verrichten van velddienst. Maar als wij begrijpen waarom wij zoveel te doen hebben — wegens de belangrijkheid van ons werk en de dringendheid van onze tijd — beklagen wij ons niet. Veel te doen hebben is echt een bescherming voor ons. En door de geest van gezond verstand te gebruiken, kunnen wij een goed evenwicht vormen tussen wat er te doen is en waartoe wij in staat zijn, tot lof van Jehovah en tot ons eigen welzijn.
Laten wij zonder wankelen vasthouden aan de openbare bekendmaking van onze hoop, want hij die beloofd heeft, is getrouw. En laten wij op elkaar letten ten einde tot liefde en voortreffelijke werken aan te sporen, het onderling vergaderen niet nalatend, zoals voor sommigen gebruikelijk is, en dat te meer naarmate gij de dag ziet naderen. — Hebr. 10:23-25.