’Nacht en dag werken’ om discipelen te maken
„Daar wij . . . tedere genegenheid voor u hadden, hebben wij u gaarne niet alleen het goede nieuws van God meegedeeld, maar ook onze eigen ziel, want gij zijt ons lief geworden. . . . Door nacht en dag te werken, . . . hebben wij het goede nieuws van God tot u gepredikt.” — 1 Thess. 2:8, 9.
1. (a) Met welk doel werkt Jehovah’s organisatie? (b) Waarmee dienen Gods dienstknechten zich thans druk bezig te houden?
JEHOVAH’S organisatie werkt met een gevoel van dringendheid. Er moet een werk verricht worden. In overeenstemming met het gebed of Jehovah’s naam geheiligd mag worden, hebben toegewijde hemelse schepselen „dag noch nacht rust, terwijl zij zeggen: ’Heilig, heilig, heilig, is Jehovah God, de Almachtige’” (Openb. 4:8; Matth. 6:9). In deze „tijd van het einde” houden toegewijde dienstknechten van God overal op aarde zich ondanks hun menselijke beperkingen eveneens druk bezig met „heilige gedragingen en daden van godvruchtige toewijding, verwachtende en goed in gedachten houdende de tegenwoordigheid van de dag van Jehovah, waardoor de hemelen brandende ontbonden zullen worden en de elementen, intens heet, zullen smelten!” Hoe wonderbaarlijk is Gods belofte van rechtvaardige „nieuwe hemelen en een nieuwe aarde” welke op die vurige „dag” zullen volgen! — 2 Petr. 3:11-13; Dan. 12:1-4.
2. Wat is er bij dienst voor God betrokken?
2 De dienst voor God is niet de dagelijkse sleur van een gewone wereldse betrekking. Het is niet slechts een kwestie van het verrichten van dagdienst of nachtdienst. Het is een dienst waarbij men wordt aangedreven door het intense verlangen zichzelf „nacht en dag” te geven ten einde Jezus’ geboden om te prediken en discipelen te maken uit christelijke liefde te gehoorzamen (Matth. 24:14; 28:19; Joh. 13:34). Dit betekent niet dat iemand zijn behoefte aan rust en verkwikking moet negeren, aangezien dat op de duur zijn kracht en gezondheid zou aantasten. Hij dient echter de bereidheid en het verlangen te hebben anderen bij elke gelegenheid, „nacht en dag”, in geestelijk opzicht te helpen.
3. Hoe beschouwden Paulus en zijn metgezellen de gemeente in Thessaloníka?
3 Dit was precies wat de apostel Paulus en zijn metgezellen deden! Zij werden door „tedere genegenheid” voor geïnteresseerde personen bewogen. Toen zij in Thessaloníka een nieuwe gemeente oprichtten, kreeg deze al gauw beproevingen en vervolgingen te verduren. Maar wegens de door deze nieuwe christenen aan de dag gelegde rechtschapenheid onder beproevingen waren zij degenen die met hen hadden gestudeerd „lief geworden”. Paulus en zijn mededienstknechten van God waren ertoe bewogen deze Thessalonicenzen niet alleen „het goede nieuws” mee te delen, maar ook hun „eigen ziel”. Toen zij met de jonge gemeente samen waren, werkten zij „nacht en dag” hard om in hun eigen behoeften te voorzien, terwijl zij er bovendien veel tijd aan besteedden de nieuwe discipelen te onderwijzen. Op deze wijze hebben zij hun ziel werkelijk in een nacht-en-dagdienst voor Jehovah uitgestort.
4. Welke realistische houding moeten wij thans ten opzichte van onze dienst innemen?
4 Is onze bezorgdheid voor „met schapen te vergelijken” personen in ons eigen gebied zo groot? Wij weten dat wij een door God opgedragen werk te doen hebben. De meesten van ons hebben echter een wereldse betrekking, om anderen niet ten laste te komen, of hebben een gezin te verzorgen of gaan naar school. Op andere tijden nemen wij aan de velddienst deel. Hoe groot is onze bezorgdheid echter voor geïnteresseerde personen die wij tijdens onze prediking vinden? Bezitten wij werkelijk „tedere genegenheid” voor hen? Wij besteden misschien heel wat uren aan de velddienst en het schenkt ons veel vreugde enkele boeken of tijdschriften bij vriendelijk gezinde personen achter te laten. Wij brengen waarschijnlijk ook enkele nabezoeken. Maar soms gaan er één of twee maanden voorbij voordat wij teruggaan om te zien hoe geïnteresseerde personen het maken. Beseffen wij werkelijk dat het om hun leven gaat? Hebben wij „gaarne niet alleen het goede nieuws van God meegedeeld, maar ook onze eigen ziel”, opdat zij de weg ten leven kunnen vinden?
5. Wat kunnen wij van Paulus’ voorbeeld leren?
5 Paulus heeft een schitterend voorbeeld gegeven door al zijn krachten ten behoeve van zijn nieuwe broeders en andere geïnteresseerde personen te gebruiken. Toen hij definitief afscheid nam van de ouderlingen van de gemeente te Éfeze zei hij: „Blijft daarom wakker en houdt in gedachten dat ik drie jaar lang, nacht en dag, niet heb opgehouden een ieder van u onder tranen te vermanen. Ik heb u in alle dingen getoond dat gij door aldus te arbeiden de zwakken moet bijstaan en de woorden van de Heer Jezus in gedachten moet houden, toen hijzelf zei: ’Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen’” (Hand. 20:31, 35). Indien wij, evenals Paulus, oprecht bezorgd zijn voor de „schapen” zullen wij met hart en ziel manieren trachten te vinden om hen te helpen. Wij zullen trachten om indien mogelijk binnen enkele dagen nabezoeken bij hen te brengen of misschien telefonisch contact met hen opnemen om hun belangstelling te stimuleren. De Duivel en zijn werktuigen zullen die belangstelling trachten te doden, en daarom moeten wij er waakzaam moeite voor doen die „schapen” te helpen. — Luk. 8:11, 12.
„NACHT EN DAG” BEZIG BLIJVEN
6, 7. (a) Welke expansie vindt er plaats en welke uitdaging wordt hierdoor geboden? (b) Waarom moeten wij in ons gebied bezoeken afleggen en nabezoeken brengen?
6 Wanneer wij het goede nieuws blijven prediken, wordt er steeds weer nieuwe belangstelling gevonden. De omvang van het werk neemt dus steeds toe. Er worden nieuwe gemeenten opgericht en meer bijbels, boeken en tijdschriften verspreid — gedurende het dienstjaar 1974 in totaal 313.229.157 publikaties. Bovendien werden er 2.387.904 nieuwe abonnementen op de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! afgesloten. Het is dringend noodzakelijk degenen die deze lectuur ontvangen, opnieuw te bezoeken.
7 Sommige huisbewoners willen misschien niet eens lectuur hebben, maar zij laten zich wel waarderend uit over de ijver die Jehovah’s getuigen ten toon spreiden door zo vaak bij hen aan de deur te komen. De bezorgdheid van zulke mensen over de toenemende corruptie en onrechtvaardigheid op aarde opent de weg om hun verdere hulp te bieden. Rechtvaardig gezinde mensen gaan steeds meer inzien dat de zelfzuchtige, harteloze maatschappij van onze tijd absoluut geen hoop met betrekking tot de toekomst heeft te bieden (Ps. 92:7). Door zulke personen herhaaldelijk te bezoeken, kunnen wij hen er misschien van overtuigen dat er een realistische hoop bestaat. „Hiertoe werken wij hard en spannen wij ons in, omdat wij onze hoop hebben gevestigd op een levende God, die een Redder is van alle soorten van mensen, in het bijzonder van getrouwen.” — 1 Tim. 4:10.
8. Wat kan het resultaat zijn wanneer wij de raad uit Prediker 11:6 toepassen?
8 Wanneer wij „nacht en dag” bezig blijven ten einde met collega’s, buren, klasgenoten of medestudenten te spreken, zullen wij een gunstige reactie kunnen verwachten.
Een gemeente in een universiteitsstad bericht dat zes studenten onlangs geregelde vergaderingbezoekers zijn geworden. Een van hen verheugt zich nu in de gewone pioniersdienst terwijl hij nog steeds de colleges van de universiteit volgt. Een andere studente, die door deze nieuwe Getuige met de waarheid in contact kwam, keerde naar haar woonplaats terug om de pioniersdienst op zich te nemen, terwijl weer een andere studente, die door haar werd onderwezen, pas is gedoopt.
Prediker 11:6 bevat voortreffelijke raad: „Zaai in de morgen uw zaad en laat tot de avond uw hand niet rusten; want gij weet niet waar dit succes zal hebben, hetzij hier of daar, of dat beide even goed zullen zijn.” Door dus „nacht en dag” elke gelegenheid te benutten die zich voordoet om anderen in te lichten over de glorierijke hoop die in „dit goede nieuws van het koninkrijk” ligt opgesloten, zullen wij hier en daar, en vaak op onverwachte plaatsen, mensen aantreffen wier hart gunstig op de Koninkrijksboodschap reageert.
9. Waarom kunnen wij het vertrouwen hebben dat Jehovah ons zal zegenen?
9 Jehovah ’kent aller harten’. Wij behoeven slechts ijverig te prediken en te onderwijzen, en dan zal de boodschap wortel schieten in eerlijke harten en zal Jehovah ’het wasdom blijven geven’ (Hand. 1:24; 1 Kor. 3:6). Ook al worden wij onheus bejegend en krijgen wij op onze weg teleurstellingen te incasseren, toch kunnen wij vol vertrouwen uitzien naar de vervulling van Salomo’s woorden: „Zend uw brood uit op de oppervlakte van de wateren, want na verloop van vele dagen zult gij het terugvinden.” — Pred. 11:1.
10. Hoe kunnen wij doelbewust werken?
10 Oprechte belangstelling dient alle getuigen van Jehovah ertoe aan te zetten belangstelling die wordt aangetroffen verder te behartigen. Wanneer dat het geval is, noteren zij niet slechts de naam van de persoon, waarna zij het bericht in hun boekentas stoppen en verder vergeten. In plaats daarvan hebben zij er een intense belangstelling voor deze nieuwelingen de benodigde hulp te schenken. Zij doen dus wat in Spreuken 3:27 wordt geboden: „Onthoud het goede niet aan degenen die het toekomt, wanneer het in de macht van uw hand ligt het te doen.” Ja, doe het! Door doelbewust terug te gaan, zo snel mogelijk, ten einde uw op de bijbel gebaseerde gesprek met de geïnteresseerde persoon voort te zetten, kunt u ’het ijzer smeden terwijl het heet is’ en die belangstelling vergroten voordat tegenstanders de tijd of de gelegenheid hebben om deze te doven.
Een Koninkrijksverkondiger bracht slechts één uur na het aanvankelijke bezoek een nabezoek bij een geïnteresseerde persoon. In iets meer dan een week werden er nog drie nabezoeken gebracht ten einde bijbelse vragen te beantwoorden en toen werd er een huisbijbelstudie opgericht
11. Wat hebben de mensen dringend nodig, en hoe kan een christen helpen in die behoefte te voorzien?
11 Elk jaar laten Jehovah’s getuigen vele miljoenen publikaties in meer dan honderd zestig talen in de huizen van geïnteresseerde mensen over de gehele wereld achter. Maar mensen hebben meer dan lectuur in hun huis nodig om door de komende „grote verdrukking” heen gespaard te worden. Zij hebben hulp nodig om de bijbelse waarheden in hun geest en hart te kunnen opnemen (Rom. 10:10-15; 12:1, 2). Zij moeten het „kenteken” van de ware christelijke persoonlijkheid op hun voorhoofd ontvangen (Ezech. 9:4; Ef. 4:24). Er is tijd voor nodig om de bijbelse beginselen te leren kennen en deze „nieuwe persoonlijkheid” aan te doen. Een christelijke dienstknecht van God moet liefdevolle, geduldige en van begrip getuigende hulp blijven geven, zodat pasgeïnteresseerde personen de vereisten voor eeuwig leven werkelijk kunnen leren kennen en hun geest kunnen hervormen ten einde een christelijke levenswijze te volgen. Bent u bereid hun die hulp te geven? Laten wij, terwijl wij voortdurend de dringendheid van de tijd in gedachten houden en beseffen dat het een kwestie van leven en dood is, gebedsvol al onze krachten ten behoeve van hen aanwenden terwijl er nog tijd voor is. — Joh. 9:4; Fil. 1:9-11.
12, 13. (a) Welke wijzigingen brachten de apostelen en anderen in hun leven aan ten einde aan het maken van discipelen te kunnen deelnemen? (b) Hoe kunnen wij ons thans in overeenkomstige zegeningen verheugen?
12 Iemand zal misschien zeggen: „Ik bezit niet de bekwaamheid om een huisbijbelstudie te leiden.” Of: „Ik heb er gewoon geen tijd voor op een geregelde wekelijkse basis een studie bij iemand te leiden.” Sommigen van ons zijn inderdaad nieuwelingen of onervaren, of misschien hebben zij wel niet zo’n goede wereldse opleiding genoten. In het geval van anderen schijnt de druk om in deze hedendaagse maatschappij in het levensonderhoud te voorzien, tijd voor andere dingen te beperken. Kunnen wij echter niet hetzelfde doen wat de apostelen en de andere vroege discipelen deden? Sommigen van hen hadden het druk gehad met vissen en andere wereldse beroepen. Zij brachten echter wijzigingen aan in hun levenswijze zodat zij Jezus konden volgen om te leren hoe zij moesten prediken en onderwijzen. Zij maakten er tijd voor. — Mark. 1:16-20.
13 Die apostelen hadden geen grote wereldse geleerdheid of kennis. Zij bezaten echter Gods geest en aanvaardden de opleiding waarin Jehovah voorzag. In korte tijd had hun ijverige prediking en onderwijs in de stad Jeruzalem een opmerkelijke toename tot „ongeveer vijfduizend” gelovigen tot gevolg. De vijandig gezinde regeerders konden niets doen om deze ontwikkeling een halt toe te roepen. „Toen zij nu zagen hoe vrijuit Petrus en Johannes spraken en bemerkten dat zij ongeletterde en gewone mensen waren, verwonderden zij zich. En zij herkenden hen als personen die met Jezus waren geweest.” — Hand. 4:4, 13; Joh. 7:46.
14. (a) Waar gaat onze belangstelling thans in de eerste plaats naar uit, en waarom is het dringend? (b) Waartoe dient ons geloof in de profetieën ons aan te sporen?
14 Petrus, Johannes en de andere discipelen hadden er belangstelling voor levens te redden. Ook onze belangstelling gaat daar thans in de eerste plaats naar uit. Een ten ondergang gedoemde wereld staat op de rand van de „grote verdrukking” — „een tijd van benauwdheid . . . zoals er niet is teweeggebracht sedert er een natie is ontstaan tot op die tijd”. De overgeblevenen van het geestelijke Israël verwachten echter hieraan te ontkomen, terwijl er ook grote vreugde zal zijn wanneer „een grote schare . . . uit alle natiën en stammen en volken en talen . . . uit de grote verdrukking [komt]” doordat zij geloof hebben geoefend in het vergoten bloed van het Lam, Christus Jezus, en doordat zij de aanbidding van Jehovah ter hand hebben genomen en hem „dag en nacht . . . in zijn tempel” dienen (Dan. 12:1; Openb. 7:9-15). Gelooft u dit? Waarom zou u dan niet de noodzakelijke wijzigingen in uw leven aanbrengen zodat u zich geheel kunt geven ten einde rechtgeaarde mensen te bezoeken, nabezoeken bij hen te brengen en met hen te studeren totdat zij hun voeten stevig op de weg hebben gezet die tot redding leidt? De dringendheid van de tijd maakt deze krachtsinspanning noodzakelijk! — Rom. 13:11, 12.
15. Op welke manieren kan het werk dat erin bestaat discipelen te maken, worden bevorderd?
15 In elk geval dienen wij druk bezig te blijven om degenen te helpen die een oprechte belangstelling hebben voor Gods Woord. Indien wij om de een of andere reden niet snel een nabezoek kunnen brengen, dienen wij een andere Koninkrijksbekendmaker te vragen ons uit de moeilijkheid te helpen. Ouderlingen en dienaren in de bediening zullen ook graag hulp verlenen ten einde er regelingen voor te treffen dat alle geïnteresseerde personen de juiste aandacht ontvangen. Tot allen die aan het Koninkrijkswerk deelnemen, door misschien voor het eerst aan de verspreiding van exemplaren van Koninkrijksnieuws deel te nemen, wordt de oproep gedaan hun activiteit tot andere aspecten van de velddienst uit te breiden door nabezoeken te brengen en bijbelstudies te leiden. Evenals de jeugdige opziener Timótheüs kunt ook u vorderingen maken, hetgeen in overeenstemming is met de aansporing van Paulus: „Denk diep over deze dingen na, ga er geheel in op, opdat uw vooruitgang aan allen openbaar moge zijn. . . . Blijf bij deze dingen, want door dit te doen, zult gij zowel uzelf redden als hen die naar u luisteren.” — 1 Tim. 4:15, 16.
ZICH AAN DE BEHOEFTEN VAN GEÏNTERESSEERDEN AANPASSEN
16. Welk gebruik kan er van het Waarheid-boek en het Vrede en zekerheid-boek gemaakt worden?
16 Een christelijke dienstknecht van God moet plooibaar zijn en een goed onderscheidingsvermogen gebruiken wanneer hij bijbelstudies opricht en leidt. Mensen die iets van de bijbel af weten of contact hebben gehad met de religies van de christenheid, zullen de bijbel misschien graag bestuderen aan de hand van het boek De waarheid die tot eeuwig leven leidt. Indien zij er echter veel belangstelling voor hebben de oplossing voor de wereldproblemen te vinden of zich zorgen maken over het slechte gedrag van de mensen, kan een studie aan de hand van het boek Ware vrede en zekerheid — Uit welke bron? passend zijn. Het zou in het geval van elke nieuweling goed zijn wanneer hij voordat hij als een discipel van Jezus Christus wordt gedoopt, beide bovengenoemde boeken zou lezen en daarbij de vermelde schriftplaatsen zou opzoeken, ten einde niet alleen een duidelijk begrip te hebben van de bijbelse leerstellingen maar ook van de beginselen die betrekking hebben op een christelijke levenswijze. — Hand. 17:11.
17. Hoe kan het onderwijzingswerk worden aangepast aan situaties die overal op aarde bestaan?
17 In sommige delen van de aarde hebben de mensen weinig of geen onderwijs genoten. Sommigen kunnen niet eens lezen en schrijven. Maar onder hen kunnen rechtgeaarde personen worden aangetroffen die het voorrecht kunnen ontvangen de „grote verdrukking” te overleven. In sommige landen waar geen geschreven taal bestaat, hebben Gods dienstknechten van beeldschrift gebruik gemaakt om belangrijke bijbelse onderwijzingen aan de mensen duidelijk te maken. In veel landen geven Jehovah’s getuigen aan nieuwelingen onderricht in lezen en schrijven, opdat zij vorderingen kunnen maken in hun studie van de bijbel. Er worden publikaties in brailleschrift verschaft die door de blinden gebruikt kunnen worden. In Afrika en in veel landen van de christenheid heeft de eenvoudig gestelde brochure „Dit goede nieuws van het Koninkrijk” het hart van veel mensen met een gemakkelijk te begrijpen boodschap bereikt. In sommige Aziatische landen is de brochure „Zie! Ik maak alles nieuw” bijzonder doeltreffend geweest om nieuwelingen te onderwijzen die niets over de bijbel en de bijbelse achtergrond weten. Bijvoorbeeld:
Een Aziatische heer die een belangrijke positie bij een bank bekleedde, kocht een groot stuk land en maakte plannen er een prachtig huis op te laten zetten. In dit stadium begon zijn vrouw echter met Jehovah’s getuigen te studeren. Na enig aandringen, begon ook hij te studeren, waarbij gebruik werd gemaakt van de brochure „Zie! Ik maak alles nieuw”. Toen hij bij paragraaf 4 was gekomen, besloot hij dat zijn belangstelling naar Jehovah’s nieuwe ordening uitging. Vanaf dat punt maakte hij een bijzonder ijverige studie van de bijbel. Hij zag er niet alleen van af het nieuwe huis te laten bouwen, maar hij legde ook zijn positie bij de bank neer, zodat hij zich beter op zijn bijbelstudie kon concentreren. Na twee maanden van studie werd hij actief in de velddienst. Hij en zijn vrouw zijn naar een kleinere flat verhuisd zodat zij geen belemmeringen zullen hebben wanneer zij er binnenkort voor in aanmerking komen in de pioniersdienst te gaan. De pionier die met hen studeert, verklaart: „Wat een wonderbaarlijk voorrecht is het deze met schapen te vergelijken personen te helpen!”
18. Hoe kunnen wij plooibaar zijn wanneer wij het doel van het leiden van een studie trachten te bereiken?
18 Er zijn veel bijbelse publikaties geschreven die er speciaal op gericht zijn de belangstelling van nieuwelingen op te wekken en aan hun behoeften te voldoen. Degenen die onderlegd zijn in de wetenschap of een goede opleiding hebben genoten, aarzelen misschien een studie te maken van de bijbel — het doelwit van zoveel kritiek. Besprekingen met hen over het materiaal in de boeken Is de bijbel werkelijk het Woord van God? en Is de mens ontstaan door evolutie of door schepping? zullen hen er misschien van overtuigen dat de bijbel het hoogste onderwijs verschaft en helemaal niet onwetenschappelijk is. Anderen kunnen bereikt worden door belangstelling te tonen voor hun kinderen en hun te tonen hoe zij het boek Naar de Grote Onderwijzer luisteren met hun kleintjes kunnen bestuderen. Na verloop van tijd kan er misschien met het gehele gezin een geregelde studie worden gehouden. Wij moeten dus plooibaar zijn wanneer wij het doel van het leiden van een studie trachten te bereiken en moeten daarbij tevens het bijbelse studiehulpmiddel uitkiezen dat in de gegeven omstandigheden het meest geschikt is.
19. Hoe kunnen wij ons aan probleemsituaties aanpassen?
19 Soms is ook aanpassingsvermogen nodig bij het treffen van regelingen wanneer en waar men zal studeren. Een Getuige die met een visser studeerde, moest bijvoorbeeld regelingen treffen voor avonden dat de vissersboot uit zee thuis was, terwijl hij de tijd van zijn eigen gezinsstudie wijzigde ten einde deze hierbij aan te passen. Sommigen hebben gedurende de middagpauze op hun werk moeten studeren, waarbij zij misschien twee korte studies per week leidden. De studie kan op een bank in een park, in een geparkeerde auto of in het huis van de Getuige worden gehouden als het ten gevolge van tegenstand niet mogelijk is ergens anders te studeren.
WAT ZULT U IN DIT WERK VAN HET MAKEN VAN DISCIPELEN DOEN?
20. Wat is ervoor nodig om discipelen te kunnen maken? Illustreer dit.
20 Wat iemand kan doen, kan van verschillende omstandigheden afhangen, zoals gezinsverantwoordelijkheden, gezondheid en andere factoren. Wat is echter uw wens? Wilt u uw activiteit in het veld uitbreiden, zodat u werkelijk succes zult hebben in het maken van discipelen? Doe dan uw best, terwijl u volledig op Jehovah vertrouwt. Hier volgt hoe de situatie zich ontwikkelde voor iemand die dit deed:
Een jonge vrouw die in het zogenaamde christendom opgroeide, voelde dat er iets ontbrak. Zij was onder de indruk van alle schoonheid in de schepping, maar zij loofde niet de Schepper. Van Jehovah’s getuigen leerde zij echter over Gods wonderbare universele organisatie en zijn Koninkrijksvoornemen. Zij kon nauwelijks wachten gedoopt te worden en vervolgens voor de gewone pioniersdienst in aanmerking te komen. Voordien was haar leven zo gevormd dat zij uitsluitend haar man en haar kleine kinderen diende. Met hun medewerking kon zij nu dusdanige wijzigingen in haar levenswijze aanbrengen dat zij er niet alleen mee kon voortgaan hen te dienen, maar Jehovah op de eerste en allerbelangrijkste plaats kon stellen. Door haar vertrouwen op Jehovah te stellen, slaagde zij erin haar problemen één voor één op te lossen. Haar man stemde erin toe dat zij hem niet meer hielp in de zaak waar hij werkte, en op dezelfde dag werd hij verrast met de mededeling dat zijn eigen inkomen onverwachts was verdubbeld. Aan het einde van een lange dag van activiteit in de velddienst, was zij moe, maar tegenover haar man gaf zij alleen maar van haar vreugde blijk. En toen, op het moment dat zij dit het meest nodig had, kreeg zij van haar man een kleine auto voor haar dienst. Zij slaat nooit een vergadering over en leest dagelijks in de bijbel, waarbij zij zich heel erg aangemoedigd voelt door de getrouwe voorbeelden van Jehovah’s dienstknechten uit vroegere dagen. Bij een zekere gelegenheid reisde zij met haar kinderen meer dan zestienhonderd kilometer om op het eiland te prediken waar zij geboren was, en zij trof er zoveel belangstelling voor de bijbel aan dat er speciale pioniers naar dat gebied werden gezonden om verder voor de geïnteresseerden te zorgen. Deze jonge huisvrouw werd werkelijk in staat gesteld haar levensdoel te vervullen. — Ps. 145:16.
21. Wie kunnen thans werkelijk vreugde putten uit de velddienst?
21 Zoals door deze en vele andere ervaringen uit het werkelijke leven wordt geïllustreerd, kunnen wij het uiterst belangrijke werk van de Koninkrijksprediking en het maken van discipelen niet in onze eigen kracht verrichten. Wij moeten ons op Jehovah verlaten en zijn leiding blijven zoeken. Hij zal ons helpen onze bekwaamheden te ontwikkelen. Paulus schreef aan de eerste-eeuwse christenen: „Want gij ziet uw roeping, broeders, dat niet veel wijzen naar het vlees werden geroepen.” Neen, „maar God heeft de dwaze dingen der wereld uitgekozen om de wijzen te beschamen” (1 Kor. 1:26, 27). Dit is ook thans het geval. Niet degenen die een hogere theologische opleiding hebben genoten, maar nederige mensen die God en hun medemensen liefhebben en die dag en nacht werken om discipelen te maken, zijn degenen die succes en vreugde in hun dienst hebben. Hun oprechte belangstelling voor anderen treedt aan het licht en „de glorierijke kennis van God” die zij in hun hart hebben, schijnt door Gods kracht ook tot anderen door, zodat Zijn waarheid hierdoor wordt aanbevolen. — 2 Kor. 4:6, 7.
22. (a) Welke verzekering verschaft 1 Korinthiërs 15:58 aan degenen die zich krachtig inspannen? (b) Illustreer door middel van plaatselijke of andere ervaringen welk een vreugde het schenkt nacht en dag dienst te verrichten.
22 Hoe er ook op ons werk wordt gereageerd, het is niet tevergeefs (1 Kor. 15:58). Het maken van discipelen kan ons de grootste vreugde schenken. Een huisvrouw die tegenstand van haar schoonfamilie had te verduren maar die er moedig mee ophield in hun restaurant te werken ten einde de volle-tijd pioniersdienst op zich te kunnen nemen, schrijft over deze vreugde:
Hoewel de ouders teleurgesteld waren, konden zij zien dat het gezin van hun zoon verenigder en gelukkiger was geworden en dat hun schoondochter beslist niet lui was maar van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat werkte. Bovendien werd mijn activiteit een zegen voor ons gezin. Gedurende het eerste jaar werd onze zevenjarige zoon een verkondiger en toen hij negen jaar was, werd hij gedoopt. Hij verheugt zich nu in het verrichten van ijverige dienst. In minder dan vijf jaar sinds ik met de pioniersdienst begon, heb ik negentien mensen geholpen het punt van de doop te bereiken. Gedurende de eerste twee maanden van dit dienstjaar 1974 zijn drie personen met wie ik studeer gedoopt, terwijl thans alle acht personen met wie ik studeer de vergaderingen bezoeken. Drie van hen zullen in de nabije toekomst met de prediking beginnen. Als ik anderen vind die graag willen studeren, besef ik dat Jehovah zijn schapen goed kent en hen wil bijeenvergaderen, zodat ik werkelijk vervuld ben van vreugde. Soms heb ik het heel erg druk en af en toe word ik moe, maar dan lees ik steeds weer opnieuw Jesaja 40:25-31. Ik ben heel dankbaar voor mijn voorrecht discipelen te mogen maken en put er voldoening uit ten volle van het leven te genieten. Als ik mijn leven kon overdoen, zou ik hetzelfde werk en dezelfde levenswijze kiezen.
23. (a) Welke aanmoediging kunnen degenen die een wereldse betrekking hebben uit het voorbeeld van Paulus en Silas putten? (b) Hoe kunnen personen die pas discipelen zijn geworden, „onze heerlijkheid en vreugde” worden?
23 Wij zijn misschien niet allen in staat onze dienst in dezelfde mate uit te breiden. En in sommige gebieden reageren de mensen misschien betrekkelijk ongunstig. Maar wij kunnen allen met hart en ziel aan het predikings- en onderwijzingswerk deelnemen, in het volste vertrouwen dat Jehovah ons tot degenen zal leiden die hem toebehoren. Velen van ons kunnen als Paulus en Silas zijn, die gaarne bereid waren „nacht en dag” te werken, niet alleen aan hun wereldse bezigheden, maar ook ten einde ’het goede nieuws van God te zamen met hun eigen ziel’ aan geliefde nieuwe discipelen mee te delen. En wij kunnen evenals de apostel over zulke personen zeggen: „Want wat is onze hoop of vreugde of kroon van gejuich — ja, zijt gij het niet in werkelijkheid? — voor het aangezicht van onze Heer Jezus bij zijn tegenwoordigheid? Gij zijt stellig onze heerlijkheid en vreugde” (1 Thess. 2:7-9, 19, 20). En het zal een blijvende vreugde zijn. Want wat zal het na de „grote verdrukking” een vreugde zijn in het nieuwe samenstel eeuwig de aangename omgang te genieten van degenen die wij hebben mogen helpen Jehovah te leren kennen!