Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w66 1/11 blz. 670
  • Christelijke kinderen in de muziekklas

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Christelijke kinderen in de muziekklas
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1966
  • Vergelijkbare artikelen
  • De muziek de je kiest
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
  • Hoe voorkom ik dat muziek te belangrijk wordt?
    Wat jonge mensen vragen — Praktische antwoorden, Deel 2
  • Maakt het uit naar welke muziek ik luister?
    Vragen van jongeren
  • Hoe kan ik muziek binnen de perken houden?
    Ontwaakt! 1993
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1966
w66 1/11 blz. 670

Christelijke kinderen in de muziekklas

EEN volle-tijdbedienaar van Jehovah’s getuigen in de stad New York vertelt een ervaring die zij met haar dochter en enige leraressen had meegemaakt:

„Hoewel mijn jongste dochter in de klas met voortgezet muziekonderwijs goed mee kon komen, werd zij toch naar de gewone klas overgeplaatst, waar lang niet zulke snelle vorderingen worden gemaakt. De leraressen verklaarden dat dit noodzakelijk was, aangezien mijn dochter wegens haar op de bijbel gebaseerde geloofsovertuiging geen patriottische en religieuze liederen wilde spelen. Aanvankelijk was ik van mening dat ik mij er niet druk over moest maken, maar mijn dochter wilde zo dolgraag een muziekinstrument leren bespelen. Daar zij wist dat het salaris van haar vader niet toereikend was om privé-lessen te betalen, zou zij heel graag van de regeling van het openbare schoolsysteem gebruik willen maken.

Hoe meer ik over het geval nadacht, des te meer ik ging beseffen hoe onbillijk de situatie was. Ik besprak het daarom met mijn man, en hij vond dat de zaak onderzocht moest worden. De volgende dag ging ik naar school en sprak met de klasselerares van mijn dochter, de muzieklerares en twee onderdirectrices. Zij vertelden mij dat zij er niets aan konden doen, daar alle leerlingen in de muziekklas alle liederen moesten spelen.

De week daarop nam ik contact op met het kantoor van de districtsschoolopziener, waar mij werd verteld de zaak aan de directrice van de school voor te leggen. Dit verbaasde mij, want ik dacht dat de onderdirectrices haar mening hadden weergegeven. De volgende dag bezocht ik de directrice op haar kantoor en trachtte met haar te redeneren, zoals ik dat ook met de anderen had gedaan. Als argument bracht ik naar voren dat er jegens de religieuze overtuigingen van andere kinderen consideratie wordt betoond, zelfs in het leerplan. Veel kinderen mogen bij voorbeeld ’s woensdags in verband met godsdienstles eerder weg, en vrijdags wordt er wegens de geloofsovertuigingen van enkele leerlingen in de cafetaria geen vlees opgediend. ’Welnu’, zei ik, ’wij zijn Jehovah’s getuigen. Onze kinderen zijn op uw scholen. Wij moeten de school bezoeken. Wordt het niet tijd dat u ons in uw schoolprogramma opneemt?’

De directrice luisterde zeer aandachtig. Ook vernam zij de mening van haar onderdirectrices. Ten slotte zei zij: ’Ik heb nooit eerder een dergelijk probleem bij de hand gehad, maar als uw kind geschikt is voor muziekonderwijs, dan zal zij dat ook krijgen.’ Zij liet de muzieklerares komen, die erop stond dat bij elk lied alle instrumenten en leerlingen nodig waren. Toen de directrice opmerkte, dat er slechts twee patriottische liederen werden geleerd, vertelde de muzieklerares haar dat mijn dochter de religieuze liederen ook niet wilde spelen. De directrice keek haar aan en vroeg: ’Hoeveel religieuze liederen speelt u dan?’ De muzieklerares begon enkele titels van de liederen op te noemen, onder andere ’Rudolf, het rendier met zijn rode neus’ en ’O komt, al gij gelovigen’. Toen viel de directrice haar in de rede en zei: ’Wacht even! Laat dat lied maar weg. Zelfs ik houd er niet van.’

De uiteindelijke beslissing was dat mijn dochter weer in haar vroegere klas terugkwam. De directrice vroeg naar nog een jonge Getuige, een broeder, die ook uit de muziekklas was verwijderd. Haar onderdirectrice zei dat zij eerst de ouders van de jongen zou laten komen, voordat zij verder iets zou ondernemen. De directrice antwoordde echter: ’Doe geen moeite. Laat hem weer in de klas komen!’ Toen zij vernam dat er in feite drie leerlingen bij betrokken waren, zei zij: ’Laat hen allemaal weer in de klas toe. Wanneer er liederen worden gespeeld die niet met hun religieuze overtuiging stroken, zullen zij rustig blijven zitten terwijl de anderen spelen.’

Later zei de directrice: ’Moeders als u hebben wij nodig om met ons samen te werken. Zou u over een paar dagen een vergadering op mijn kantoor willen bijwonen?’ Ik legde haar uit dat ik als een van Jehovah’s getuigen veel werk te doen had, maar als ik in de gelegenheid was, zou ik komen. Zij vertelde dat zij met ons werk op de hoogte was en onze tijdschriften had gelezen; zij vond ze zeer praktisch en actueel.

Ik kreeg een kaart thuisgestuurd waarop de vergadering stond aangegeven. Op een woensdagmorgen ging ik erheen. Het was een vergadering van vrouwen die de bestuursraad van directrices van de school vormden. Zij vergaderen elke maand met de directrice om problemen betreffende de school te bespreken. Zij bezoeken ook de districtsschoolopziener en zoeken naar wegen om zulke problemen het hoofd te bieden. Op deze vergadering werd ik uitgenodigd om lid van de raad van directrices te worden. Ik wees de uitnodiging van de hand vanwege mijn verantwoordelijkheden in de bediening, maar ik dankte hen voor het aanbod. Terwijl ik de school verliet, voelde ik mij zeer dankbaar jegens Jehovah, omdat alles tot zijn eer en tot welzijn van zijn volk was verlopen.”

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen