Vragen van lezers
● Is het juist wanneer een christen gebruik maakt van maatschappelijke voorzieningen van regeringswege of van reliefgoederen die naar rampgebieden zijn gezonden? — P.A., El Salvador.
Ja; de regering treft deze voorzieningen in de verwachting dat personen die ervoor in aanmerking komen, er gebruik van zullen maken.
Christenen betalen de hun door wereldse regeringen opgelegde belastingen (Rom. 13:1, 6, 7). Wanneer de noodzaak zich voordoet, kan de christen die wettelijk voor regeringsbijstand in aanmerking komt, dan ook met recht uitkeringen accepteren die door middel van zulke met belastingsteun getroffen reliefregelingen ter beschikking worden gesteld, indien hij dat wenst.
Er zijn echter beginselloze individuen die geen ware christenen zijn en die, in vele gevallen, op bedrieglijke wijze dergelijke bijstand hebben weten te verkrijgen. Sommigen hebben feiten omtrent hun werkelijke economische status verborgen. Anderen hebben geweigerd te werken, hoewel zij daartoe in staat waren. In bepaalde gevallen hebben gezinnen op allerlei slinkse manieren jarenlang van regeringsbijstand geleefd terwijl zij er geen recht op hadden. Een waar christen kan dit niet doen. Hij moet eerlijk, waarheidlievend en oprecht zijn. Hij dient een rein geweten tegenover God en mensen te hebben. — Spr. 3:32; Hand. 24:16.
Christenen houden terecht het beginsel in gedachten dat de apostel Paulus in 2 Thessalonicenzen 3:10 uiteenzette: „Als iemand niet wil werken, laat hij dan ook niet eten.” Zij weten ook dat „indien iemand niet voor de zijnen zorgt, en in het bijzonder voor hen die leden van zijn huisgezin zijn, . . . hij het geloof [heeft] verloochend en . . . erger [is] dan een ongelovige” (1 Tim. 5:8). En zij vergeten evenmin dat „schatten verwerven met bedrieglijke tong . . . een verwaaiende nevel [is], dodelijke valstrikken” (Spr. 21:6). Het spreekt dus vanzelf dat gezonde christenen met verantwoordelijkheidsgevoel zullen werken om in hun levensonderhoud te voorzien wanneer dat mogelijk is en dat zij niet onwettig en bedrieglijk regeringsbijstand of andere financiële hulp zullen trachten te verkrijgen.
Indien bekend werd dat een opgedragen christen zonder geldige reden en onwettig dergelijke bijstand kreeg, zou hij geen „voortreffelijk getuigenis hebben van de mensen buiten” de christelijke gemeente; ook niet van mensen binnen de gemeente trouwens. Hij zou ’belust zijn op oneerlijke winst’. Bijgevolg zou hij niet voor een dienaarsambt in de christelijke gemeente in aanmerking komen. — 1 Tim. 3:1, 7-9.
Een oprecht christen wil werken. Het kan echter zijn dat hij om de een of andere reden zijn baan verliest. Indien er een voorziening bestaat dat zo iemand een werkeloosheidsuitkering krijgt, zou er schriftuurlijk bezien niets op tegen zijn deze in ontvangst te nemen terwijl hij tracht ander werk te vinden. Wanneer hij deze bijstand ontvangt en op zoek is naar een andere baan, is hij wellicht zelfs in staat meer tijd dan gewoonlijk aan bedieningsactiviteit te besteden. Maar het zou voor geen enkele christen passend zijn, werk te weigeren en het er speciaal op aan te leggen voor onbepaalde tijd op de uitkeringslijst te staan om toch maar meer tijd aan het predikingswerk te kunnen besteden. Wordt bovendien van de werkeloze verwacht dat hij er moeite en tijd aan besteedt om werk te zoeken indien hij voor een dergelijke bijstand in aanmerking wil komen, dan zou het onjuist zijn als een christen het geld zou aannemen maar in gebreke zou blijven aan dit vereiste te voldoen. Wanneer zich geschikt werk voordoet, zal de christen er niet voor bedanken en zo oneerlijk zijn te trachten een werkeloosheidsuitkering of andere financiële bijstand van vergelijkbare aard te blijven ontvangen. Hij weet dat er in de bijbel geen sprake van is dat oneerlijkheid of luiheid wordt goedgekeurd. De Schrift moedigt aan tot eerlijk en hard werken. — Ef. 4:28; Pred. 3:22.
Indien een christen wegens omstandigheden waarin hij nu geen keer ten goede kan brengen, van een vorm van openbare bijstand leeft, dient hij de middelen die ten behoeve van hem worden verstrekt verstandig te gebruiken. Ze worden verschaft om zijn behoeften te dekken en alleen omdat hij met financiële moeilijkheden te kampen heeft, niet opdat hij een vurig verlangen naar onnodige luxe kan bevredigen.
Soms zal een regering een bepaalde streek met het oog op overstromingen, aardbevingen of andere rampen tot rampgebied verklaren en daarom reliefmaatregelen nemen en de slachtoffers van het nodige voorzien. Deze personen hebben soms dringend behoefte aan voedsel en andere goederen en onder hen kunnen zich ook ware christenen bevinden. Onder dergelijke omstandigheden zou het juist zijn als een christen dergelijke voorzieningen van regeringswege aanvaardde. De ware christen zal niettemin geen misbruik maken van dergelijke regelingen, in het besef dat hij alleen bijstand mag aanvaarden indien hij werkelijk in nood verkeert. Getrouwe dienstknechten van God wensen zich „in alle dingen eerlijk” te gedragen. — Hebr. 13:18.
Het kan echter ook zijn dat er regeringsvoorzieningen bestaan waarop mensen recht hebben of zij nu in behoeftige omstandigheden verkeren of niet. Hiertoe kunnen bepaalde vormen van sociale voorzorg behoren, medische hulp en een werkeloosheidscompensatie of andere bijstand voor bejaarden. Zij die wettelijk recht hebben op dergelijke voorzieningen, kunnen daar stellig aanspraak op maken.