In Jehovah’s dienst voorwaarts gaan
ZOALS VERTELD DOOR FRANZ ZÜRCHER
OP EEN koude, vochtige dag in februari 1912 sta ik op het perron van een klein dorp in Zwitserland op de trein te wachten die mij eerst naar Bern en vervolgens naar Parijs zal brengen. Ik ben iets ouder dan twintig jaar en heb besloten naar Parijs te gaan om mijn kennis van de Franse taal te verbeteren.
Naast mij staat mijn vader, stoer en rechtop, zijn krachtige gelaatstrekken zijn ernstig en streng. De trein rolt het station binnen en het wordt tijd dat vader afscheid neemt van zijn jongste zoon. Een kort vaarwel en „Vergeet niet je gebeden, mijn zoon!” zijn zijn enige woorden als ik in de trein stap. Deze vermaning ten afscheid maakt indruk op mij nu ik op het punt sta de wereld in te trekken en daarmee een nieuw leven te beginnen.
In Parijs haalt een schoolvriend mij af. De harteklop van Parijs en de sprankelende levendigheid van zijn bevolking hebben een stimulerende uitwerking op mij en al gauw maak ik andere goede vrienden met wie ik de vele levensproblemen kan bespreken.
Dan nodigt op zekere dag de directeur van een grote handelsonderneming mij uit met hem mee te gaan naar een samenkomst van de Christian Scientists. Ik verwacht iets voor de „innerlijke mens” te vinden, een paar antwoorden op vragen die mijn geest steeds meer bezighouden, zoals wat de zin is van het leven en wat de toekomst voor de mensheid inhoudt. Christian Science stelt mij echter al dadelijk teleur als ik een vrouw het podium zie opklimmen die de leiding over de vergadering neemt. Al gauw leg ik de lectuur ter zijde.
Later breng ik een avond door bij het Leger des Heils. Men verwacht dat Generaal Booth, de zoon van de stichter van de organisatie, aanwezig is. Ik ga mee. Er is al een grote menigte bijeen. Al gauw verschijnt de generaal met zijn officiersstaf in de hand op het podium. Maar deze manier van evangeliseren trekt mij niet, want het lijkt mij een subtiele vorm van hypnose. Het resultaat is dat ik in een periode kom dat ik ongevoelig ben voor religieuze aangelegenheden.
DE OORLOG KOMT
Nu is het zomer 1914. Parijs verkeert in een koortstoestand. Jean Jaurès, een politicus in het Franse socialistische kamp, wordt vermoord. Bijna terzelfder tijd wordt aartshertog Ferdinand, de opvolger van de Oostenrijkse troon, in Serajewo vermoord. De hele wereld verkeert nu in spanning!
Dan slaat de bliksem in: de wereldoorlog is begonnen! Nooit zal ik de stilte vergeten die, volgend op deze gebeurtenis, over deze zo vrolijke stad hing. Ik ben getuige van de aangrijpende scènes op de Parijse stations als men op roerende wijze afscheid van elkaar neemt. Ouders nemen afscheid van zoons, vaders van vrouwen en kinderen, en de treinen rollen naar het front.
Ook Zwitserland is aan het mobiliseren en mijn vriend en ik beschouwen het als onze plicht naar huis terug te keren en ons rond de vlag te scharen. Wij reizen dus ’s nachts naar huis en zijn nog dezelfde dag in uniform. Als ik mijn ouders verlaat, zegt mijn vader eenvoudig: „Als je moet doden, mijn zoon, wees dan nooit wreed.” Ook al is Zwitserland niet in oorlog, toch ben ik al gauw aan de Zwitserse grens. Daar begin ik met groeiende onrust opnieuw de vele vragen die mij kwellen te overdenken. Waarom deze schokkende toestanden in de wereld? Waarom oorlog tussen „christelijke” naties? Ik word teruggetrokken, en hoewel ik twee maal word bevorderd, ben ik innerlijk verward.
HET ZOEKEN DUURT VOORT
Het is tijd voor mijn eerste militaire verlof en ik ga voor enkele dagen naar huis. Mijn hart is bezwaard en ik zoek naar een antwoord op die „waaroms” die mij opnieuw kwellen. Misschien kan onze protestantse dominee mij helpen. Hij is blij mij te zien en ik doe een beroep op hem met de woorden: „Herinnert u zich dat u ons jongens vertelde dat het Permanente Hof van Internationale Justitie in Den Haag jonge mannen die een carrière opbouwden, een garantie bood? Ik heb u geloofd, maar — waar zijn wij nu aan toe?” Zijn antwoord aan mij is: „Ach! Ja! Je was altijd al een tamelijk tobberige en peinzende jongeman. Het is natuurlijk triest wat er rondom ons heen gebeurt, maar kijk! het is een oordeel van God dat wij moeten dragen en wij moeten bidden of Hij ons prachtige land voor oorlog en vernietiging wil sparen. Ga nu maar rustig verder, dan zal alles wel terecht komen.” Ik denk bij mijzelf: „Dat zijn stellig prettige gevoelens, maar geen antwoorden op mijn vragen!” Voor de derde maal ben ik teleurgesteld in de religie.
Ik wens de dominee goedendag en terwijl ik naar huis wandel, besef ik dat een mens mij blijkbaar niet kan helpen. Ik voel mij echter steeds vastberadener worden en besluit een uitweg te zoeken. Tot op deze dag kan ik mij nog altijd dat rustige plekje herinneren, dat kleine stukje aarde waarop ik toen voor God neerknielde en bad of hij mij op de juiste weg wilde leiden.
Later ontvang ik een opdracht om in het Bondspaleis in Bern te werken. Daar bezoek ik op mijn speurtocht naar de waarheid elke zondag verschillende religieuze samenkomsten. Bij het verlaten van één bijeenkomst raak ik in gesprek met een ernstig uitziende man. Hij vertelt mij dat hij een prediker van de adventistenzending is. Ik stem erin toe dat hij de bijbel met mij komt bestuderen.
Dan zendt iemand mij op zekere dag de zes delen, getiteld „Schriftstudiën”, door Charles T. Russell. Ik vind de titels van deze boeken bijzonder fascinerend. Met koortsachtige belangstelling begin ik het deel, getiteld „Het Goddelijk Plan der Eeuwen” te lezen, en al lezende wordt de overtuiging dat ik bezig ben in deze Schriftstudiën de bijbelse waarheid te vinden, nog sterker. Ik verlang meer te weten te komen en daarom begin ik de vergaderingen te bezoeken van de Bijbelonderzoekers, later Jehovah’s getuigen genoemd, degenen die deze lectuur verspreiden.
De vriendelijke adventistenprediker zet zijn bezoeken voort en ik heb dus overvloedige gelegenheid de waarheden te vergelijken. Al gauw vertel ik hem dat hij mij niet langer behoeft te bezoeken, omdat ik ervan overtuigd ben dat ik de waarheid heb gevonden. Hij is zichtbaar teleurgesteld en vraagt mij met een doordringende blik: „Bent u in handen van de Bijbelonderzoekers gevallen?” Mijn bevestigend antwoord bedroeft hem, maar wij scheiden op vriendschappelijke voet. (Ik kan er hier aan toevoegen dat later, na verloop van meer dan dertig jaar, terwijl ik tijdens een vergadering in een stad nabij Bern op straat stond om bijbelse lectuur te verspreiden, deze zelfde heer onverwachts naar mij toekwam en zei: „Mijnheer Zürcher, ik zie dat u uw geloof trouw bent gebleven, terwijl ik het mijne in de steek heb gelaten omdat ik vele dwalingen in de adventistische leerstellingen ben tegengekomen.”)
BESLISSINGEN RIJPEN
Hoewel ik weet dat ik de waarheid heb gevonden, heb ik nog niet officieel de stap genomen mijn leven aan Jehovah op te dragen. Op een dag — in de herfst van 1918 — woon ik ter ontspanning een concert van klassieke muziek bij. Toevallig trek ik een gekleurd stukje papier uit mijn zak. Ik herinner mij niet eens hoe het daar terecht is gekomen. Het is een programma van de „Najaars-dagvergadering van de Vereniging van Bijbelonderzoekers in het Provinciehuis in Bern”. Ik lees de tekst die erop staat gedrukt, welke luidt: „Het einde aller dingen is nabijgekomen” — 1 Petr. 4:7, Nieuwe Vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap.
Hierop besluipt mij een gevoel van schuld. Ik denk: „En jij zit hier in deze wereldse plaats in plaats van de vergadering te bezoeken!” Ik bemerk op de gedrukte uitnodiging verder dat er gelegenheid wordt geboden voor de doop. Kandidaten worden aangespoord het hoofdstuk: „Doop van de nieuwe schepping”, in het zesde deel van de Schriftstudiën te lezen. Prompt verlaat ik de concertzaal, ga naar huis en begin dit hoofdstuk onder gebed te lezen. Het is alsof mij de schellen van de ogen vallen! Evenals die Ethiopische eunuch tot Filippus zei, stelde ook ik mijzelf de vraag: „Wat belet mij gedoopt te worden?” (Hand. 8:36) Zo werd ik dus op die vergadering in 1918 in water gedoopt als symbool van mijn opdracht om Gods wil te doen. Deze dag staat onuitwisbaar in mijn geheugen gegrift en van die dag af begin ik, waar ik ook heenga, te prediken. Ja, deze „eerste liefde van de waarheid” is zo onschatbaar kostbaar!
Nu sta ik tegenover een andere beslissing. Ik begin steeds meer te beseffen dat een christen geen twee meesters kan dienen en dat hij met betrekking tot de conflicten van deze wereld neutraal moet zijn. Deze kwestie wordt van levensbelang en ik ben vastbesloten een beslissing te nemen zonder een compromis te sluiten. De gelegenheid hiertoe doet zich snel voor, want ik word naar de school voor officieren geroepen. Ik besef dat dit het moment is om te handelen, want als een echo klinkt in mij de gedachte: „Ik kàn en zàl geen deel van dit goddeloze samenstel blijven.”
Dan zet ik mij neer en stel zorgvuldig een brief op waarin ik mijn zienswijze betreffende de christelijke neutraliteit uiteenzet; ik zend hem naar de betrokken autoriteiten, terwijl ik mijn onmiddellijke superieur er een afschrift van stuur. Hoewel hij zelf officier is, respecteert deze heer mijn overtuiging. Al gauw komt mijn zaak voor een commissie van onderzoek van officieren, waar ik de waarheid van Jezus’ woorden in Markus 13:11 ervaar, waar staat: „Maakt u . . . niet tevoren bezorgd over wat gij zult spreken.” Ik heb nauwelijks tijd te beseffen wat er is gebeurd als ik de woorden hoor: „U bent uit het leger ontslagen.” Ik dank Jehovah vurig voor zijn getrouwe bijstand.
VERDERE STAPPEN VOORWAARTS
Later, in de zomer van 1923, komt er nog een bijzondere dag in mijn leven. Bijna op dezelfde dag waarop ik de mededeling ontvang dat ik, ondanks mijn standpunt in de neutraliteitskwestie, ben benoemd tot secretaris-penningmeester van een regeringsinstantie, ontvang ik ook een uitnodiging van het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Bern om in de volle-tijddienst te gaan!
Er openen zich twee wegen voor mij, een van „carrière en prestige”, en de andere die vermaant: „De oogst is groot, maar er zijn weinig werkers” (Matth. 9:37). Ik besef dat slechts één ding juist is en dat is, Jehovah zo volledig als ik kan te dienen! Ik deel het bureau van het Wachttorengenootschap in Bern dus mijn besluit mee, vervolgens stap ik het kantoor van mijn chef binnen en dien mijn ontslag uit de staatsdienst in. Hij legt vriendelijk zijn hand op mijn schouder en wenst mij van harte vreugde en succes in mijn nieuwe loopbaan toe.
Mijn eerste toewijzing in de volle-tijddienst is een rondreis door België, het Saar- en het Rijndal, Elzas-Lotharingen en Zwitserland, vergezeld door twee broeders in het geloof, met het „Photo-Drama der Schepping”, een aantal bijbelse films en lantaarnplaatjes. Elke week geven wij vier avonden achtereen een filmvertoning met verbindende lezingen. De zalen zijn stampvol met aandachtige toehoorders. Als ik, voordat het „Drama” begint, van achter het gordijn de zee van afwachtende gezichten overzie, komen vaak met onstuimige kracht de woorden in mij op: „Mijn Heer en mijn God! Wat een eer doet u mensen van stof aan dat u hen uw glorierijke Koninkrijkswaarheden wijd en zijd laat verbreiden!”
Mijn aandeel aan het Photo-Dramawerk eindigt in de lente van 1925, nadat ruim honderd steden zijn bediend. De president van het Wachttorengenootschap, J. F. Rutherford, heeft laten weten dat de tijd is aangebroken waarop er meer nadruk moet worden gelegd op een andere methode om het Koninkrijk bekend te maken, namelijk het prediken van de boodschap van huis tot huis, ondersteund door openbare lezingen. Ik word naar Bern teruggeroepen, waar ik word aangewezen om aan het tijdschrift Het Gouden Tijdperk te werken, welk werk mij diepe voldoening schenkt. Later worden mij andere taken op het bijkantoor gegeven, namelijk om voor de behoeften van de gemeenten en andere volle-tijdbedienaren die aan onze hoede zijn toevertrouwd, te zorgen.
Mijn jaarlijkse bezoeken aan de gemeenten in Frankrijk en België, en de omgang waarin ik mij verheug met het vriendelijke groepje volle-tijdbedienaren die uit Engeland zijn overgekomen, zijn eveneens onvergetelijk. Zij ploegen in het maagdelijke gebied, speciaal in Frankrijk, moedig de grond om en zaaien Koninkrijkszaad. Deze bezoeken, die ik met broeder Harbeck, die de leiding heeft over het werk op het bureau in Bern, mag maken, zijn voor mij een bron van grote geestelijke sterkte, ondanks de grote inspanning die ze vergen.
WIJ KRIJGEN TEGENSTAND
In deze tijd is het wereldtoneel snel bezig te veranderen, want in Duitsland heeft het nazisme zijn afzichtelijke kop opgestoken. Al gauw rijzen de golven van politieke onrust zo hoog op dat ze tegen de grenslijn aanbeuken en Zwitserland inspoelen.
Tegelijk met de bittere jodenvervolging in nazi-Duitsland laait er vijandigheid tegen Jehovah’s getuigen op. Ook in Zwitserland staan willige werktuigen van de Duivel klaar om de vlammen van haat tegen Jehovah’s getuigen aan te wakkeren. Wij worden door onze vijanden vaak voor de autoriteiten in een verkeerd daglicht gesteld als een hoogst verdachte, nihilistische organisatie, die schadelijk is voor de Staat. Een tijd lang schijnen de autoriteiten door deze propaganda te worden beïnvloed, want men begint wettelijke maatregelen tegen ons te nemen op grond van „ontering van de religie”. De gevolgen zijn evenwel meestal voorwaardelijke veroordelingen.
Intussen woedt in Duitsland de nazi-razernij en worden onze broeders aan verschrikkelijke, onmenselijke vervolging blootgesteld, waaraan zij zelfs ten koste van hun leven weerstand bieden. Gedocumenteerd materiaal dat ons over een dergelijke vervolging bereikt, wordt zorgvuldig bewaard. Dan stemt broeder Rutherford erin toe een boek te publiceren dat het bewijs van het lijden van Jehovah’s getuigen in Duitsland levert. Het verschijnt onder de titel: „Kreuzzug gegen das Christentum” [„Kruistocht tegen het christendom”] in de Duitse taal. Het wordt ook in het Frans en Pools uitgegeven.
In de zomer van 1940 gaat broeder Harbeck naar Amerika om een congres van Jehovah’s getuigen in Detroit te bezoeken. Hij komt tot de ontdekking dat hij nu niet meer naar Zwitserland terug kan, aangezien hij oorspronkelijk door het Genootschap vanuit de Verenigde Staten was uitgezonden. Zodoende stelt broeder Rutherford mij als bijkantoordienaar aan.
Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog nemen zoveel broeders een neutraal standpunt ten aanzien van de neutraliteitskwestie in, dat de autoriteiten ons ervan beginnen te verdenken een georganiseerde anti-militaristische beweging te zijn. Op een dag in juli 1940 wordt ons bijkantoor door een detachement soldaten bezet en er wordt een streng onderzoek ingesteld. Enkele dagen later rijdt er een militaire vrachtwagen voor en wordt alle lectuur in beslag genomen, die door het militaire perscensuurbureau onderzocht zal worden. Zij verwachten ergens een zinnetje te vinden dat zal bewijzen dat ons Genootschap tot weigering van militaire dienst heeft aangezet. Zonder het resultaat van dit onderzoek af te wachten, gebiedt het leger De Wachttoren in Zwitserland te censureren. Wij kunnen ons hier niet mee verenigen en dus wordt de officiële uitgave van het tijdschrift gestaakt.
Hoewel de verbindingen met het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn, New York, verbroken worden, zijn wij na een poosje in staat contact op te nemen met Zweden en De Wachttoren regelmatig in het Zweeds te krijgen. Dan leert Alice Berner, een lid van ons Bethel in Bern, deze taal. Jehovah zegent haar krachtsinspanningen, en zo is het mogelijk dat wij alle gemeenten van geestelijk voedsel kunnen blijven voorzien.
Er worden nog meer maatregelen tegen ons genomen. Op een vastgestelde tijd wordt er een inval gedaan in de huizen van vele gemeentedienaren en wordt hun lectuurvoorraad in beslag genomen. Verder worden onze gemeentevergaderingen onder politietoezicht gesteld en is er op de Gedachtenisviering zelfs een detective aanwezig. Onze binnenkomende post wordt gecontroleerd en ik word dikwijls voor lange ondervragingen bij de regeringsautoriteiten geroepen.
Ten slotte wordt er een rechtsgeding tegen ons begonnen. Een medewerker, broeder Rütimann, wordt beschuldigd van weigering de militaire eed af te leggen. Mij worden vier overtredingen ten laste gelegd, waarvan er twee zijn: „Ondermijning van militaire discipline”, en: „Handelen in strijd met het verbod propaganda te voeren die gevaar voor de staat oplevert.” Er gaan bijna twee jaar overheen voordat op 23 en 24 november 1942 het werkelijke proces ter rechtszitting wordt gebracht. Er zijn enkele verhitte momenten tijdens het proces.
De volgende dag wordt er uitspraak gedaan. Broeder Rütimann wordt veroordeeld tot drie maanden in de staatsgevangenis, welke straf hij uitzit, en het verlies van bepaalde burgerrechten. Mijn vonnis luidt twee jaar gevangenisstraf. Maar de advocaat tekent beroep aan en op 16 april 1943 wordt mijn vonnis door het hof van appel verminderd tot voorwaardelijke veroordeling tot een jaar dwangarbeid, alsmede het verlies van enkele burgerrechten gedurende vijf jaar.
Het resultaat van dit proces vindt gunstige reacties en wij zijn in staat te vermijden dat het werk verboden wordt.
NAOORLOGSE PERIODE
Ten slotte eindigt de Tweede Wereldoorlog in Europa. Wat een vloed van brieven komt er nu van alle omliggende landen ons kantoor binnen als bekend wordt dat het werk in Zwitserland intact is gebleven! Al eerder heeft broeder N.H. Knorr, de nieuwe president van het Genootschap, mij geschreven alles te doen wat in mijn macht lag om het werk in ons land in stand te houden, zodat bij het eindigen van de oorlog het contact met onze broeders op het vasteland snel hersteld zou kunnen worden. En nu hebben wij het zeer grote voorrecht hun de „eerste hulp” te verlenen. Vervolgens hebben wij het genoegen in december 1945 broeder Knorr in ons Bethelhuis te ontvangen, vergezeld van zijn secretaris, M. Henschel. Dit zijn dagen van speciale zegeningen en belangrijke beslissingen. Broeder Knorr laat instructies voor het werk achter.
De zomer van het jaar 1950 zet voor mij, te zamen met verscheidene andere medewerkers, de kroon op onze vele jaren van dienst. Wij worden uitgenodigd het grote congres in het Yankee Stadion in New York te bezoeken. En in 1953 heb ik het voorrecht het tweede congres in het Yankee Stadion bij te wonen. Nooit zal ik de overweldigende indruk vergeten die ik kreeg toen ik op de openingsdag mijn blik over het stadion liet gaan en keek hoe het zich tot aan de nok toe vulde, terwijl duizenden bezoekers zelfs vanuit nabijgelegen tenten luisterden. Wat een machtige demonstratie van Jehovah’s onweerstaanbare geest was dat!
Sinds het jaar 1953 is de last der verantwoordelijkheid lichter voor mij geworden daar deze op jongere schouders is gelegd, want ik ben in de herfstjaren van het leven gekomen. Ik ben thans zesenzeventig jaar. Na ongeveer zevenenveertig jaar in Jehovah’s dienst sta ik nog altijd sterk in de waarheid, waarvoor ik God dankzeg, daar ik weet dat Hij mij geschraagd heeft. Door zijn onverdiende goedheid ben ik nog steeds een lid van de Bethelfamilie in Zwitserland. Deel te blijven uitmaken van dit gelukkige team van werkers, te weten dat mijn toewijzing al mijn tijd in beslag neemt, is een voorrecht dat ik bijzonder waardeer. Hoe gezegend zijn zij die in Jehovah’s grootse dienst voorwaarts gaan!